Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 21/22 juli 2018,

                     zestiende zondag door het jaar[1]

 

Vrede is dus geen sfeer of plek ver van ons vandaan.

Zonder mensen die de twee in hun eigen leven bij elkaar brengen bestaat er geen vrede.

Bidden om vrede is goed, maar zonder uw, jouw en mijn kwetsbaarheid, mijzelf op het spel te zetten komt zij er niet, blijft ze een hooggestemd ideaal, iets voor praattafels, plechtige toespraken of nationale feestdagen. Vrede bestaat niet los van u, jou, mij.

In je eigen gezin, vriendenkring, kerkgemeenschap;

in jouw relatie met je geliefde.

Vrede stichten en vijandschap doden.

Zo vat de brief aan de Efeziërs de missie samen van Jezus, zijn werk, zijn verlossingswerk.

Hoe heeft Hij dit kunnen doen, vrede stichten en vijandschap doden?

“Door in zijn persoon uit de twee, één nieuwe Mens te scheppen”, verzoening door het Kruis.

 

Prachtige woorden die iets zeggen over daden. Jezus heeft niet alleen staan roepen dat de vijandschap gedood moet worden en vrede gesticht. Het is door Hem heen gegaan. Aan het Kruis is het gebeurd.

 

Meer dan anders zijn wij deze week geconfronteerd met het kruis, met vijandschap, met het intense verlangen naar vrede, naar een nieuwe Mens, een nieuwe manier van mens-zijn.

Het Kruis. Wij gedenken de honderden mensen die het leven lieten bij de ramp met het toestel MH17, gisteren zeven jaar geleden. Voor de nabestaanden is dat een kruis, een wonde die misschien een beetje heelt, maar altijd pijnlijk voelbaar blijft.

Wij werden geconfronteerd met het verbijsterende leed van duizenden mensen die have en goed verloren of zelfs hun leven door de overmacht van het water.

Hun kwetsbaarheid houdt ons  een spiegel voor, maakt ons mensen weer klein en nederig en ook dankbaar voor ons behoud. En confronteert ons met ons menselijk onvermogen, onmacht, onwil ook wel, om onze aarde verantwoord te beheren.

De Bijbel leert ons dat wij beheerders zijn van de aarde, zo u wilt rentmeesters, maar geen eigenaren.

“Van God is de aarde en wie haar bewonen, van Hem zijn haar diepten en toekomst,” zingt psalm 24. En gaat verder: “Hij heeft haar gebouwd op het water en duurzaam verankerd”.

Hoe is onze aarde dan verankerd, duurzaam?

Het antwoord van psalm 24 luidt: “Mensen met rechtvaardige handen, mensen met harten onverdeeld, afgekeerden van schijn en leugen, mensen onkreukbaar met licht geladen, die doen het goede dat moet gedaan.”

 

Het ging niet om buiten het kruis, het ging niet buiten Jezus’ eigen lijf en leden om. Hij preekte geen vrede voor de camera, tijdens een persconferentie. Hij was Zelf vrede, ‘onze Vrede, die de twee werelden één heeft gemaakt, en de scheidingsmuur heeft neergehaald.” Hij deed het goede dat moest gedaan.

 

Nog meer tekenen zagen wij deze week van het kruis. De brute moord op Peter R. de Vries en het proces rond Derk Wiersum, weerloze advocaat, echtgenoot, vader van kinderen; doodgeschoten voor zijn eigen, veilig gewaande huis, waar hij dagelijks in het geluk van zijn jonge gezin terugkeerde na de dagelijkse confrontatie met de onbegrijpelijke wrede wereld van de misdaad.

 

Allemaal mensen die niet aan de kant stonden te preken over vrede, in tegenstelling tot al die mensen die wij deze week op de radio en in talkshows eindeloos hun diep gevoelde verontwaardiging hoorden uitspreken.

 

Vrede is dus geen sfeer of plek ver van ons vandaan.

Zonder mensen die de twee in hun eigen leven bij elkaar brengen bestaat er geen vrede.

Bidden om vrede is goed, maar zonder uw, jouw en mijn kwetsbaarheid, mijzelf op het spel te zetten komt zij er niet, blijft ze een hooggestemd ideaal, iets voor praattafels, plechtige toespraken of nationale feestdagen. Vrede bestaat niet los van u, jou, mij.

In je eigen gezin, vriendenkring, kerkgemeenschap;

in jouw relatie met je geliefde.

Alleen wie een stap durft te zetten, zich kwetsbaar maakt, zoals Jezus deed, alleen wie zijn of haar eindeloos herhaalde gelijk durft te herzien, op gevaar af -als Hij- afgewezen te worden, alleen hij of zij kan een nieuwe mens scheppen, een nieuwe manier van omgang.

 

Jezus probeert ons, zijn leerlingen zover te brengen.

Hij neemt hen mee naar een eenzame plaats. Het woord dat daar staat duidt op de wildernis, de leegte, als in de woestijn.

Een soort retraite of vakantie.

Sommigen noemen dat puur genieten. Vooral de kwijnende reisbranche knoopt dat in onze oren.

Maar u weet het: het is niet altijd puur genieten. Je komt als het goed is tot jezelf en alles wat in u leeft en normaal niet de kans krijgt naar boven te komen kan nu op je af komen.

 

De leerlingen hadden zelfs geen tijd en gelegenheid gehad om te eten.

Nu neemt Jezus hen mee. In de wildernis, de leegte, de rust van die retraite kunnen zij alles nieuw leren zien, zich tot een nieuwe mens laten scheppen. Na een geslaagde vakantie kun je dat wel eens zeggen: ‘ik voel me als een nieuwe mens, ik voel me herschapen.’

Heerlijk is dat. U kent dat.

 

O, wat hebben wij daar toch een behoefte aan. Om niet langer over vrede, vernieuwing eindeloos te palaveren, maar ook werkelijk vrede te vinden. Maar het gaat niet buiten u, jou en mij om.

 

We trekken ons vandaag in deze eucharistie weer even terug met Jezus.

Wij gedenken en vieren ook in deze eucharistie dat Hij onze vrede is geworden, dat Hij ons met elkaar verzoent door zijn kruis, waaraan Hij de vijandschap heeft gedood.

Laten we iets nieuws proberen, vrede stichten dichtbij en ver weg, nieuwe mensen. Dat zal een droom zijn. Amen.

 

Nico van der Peet 

 

---------------------------------------------

[1] Jeremia 23, 1-6; Efeziërs 2, 13-18; Marcus 6, 30-34


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 11 juli 2021

                      Vijftiende zondag door het jaar[1]

 

 

De leerlingen van Jezus moeten zo min mogelijk meedragen. Alleen een stok om op te steunen en om zich mee te verdedigen, en sandalen om in beweging te kunnen blijven. Geen voedsel (ik moet even denken aan die flinterdunne zakjes van de wielrenners met een ‘gelletje’, wat dat ook moge wezen), geen voedsel, geen reiszak, geen kopergeld in hun gordel.

In deze weken van juli probeer ik elke dag een stukje te zien van de Tour de France. In de loop der jaren ben ik een liefhebber geworden. Vooral de berg-etappes vind ik fascinerend. Die renners moeten proberen zo licht mogelijk te zijn. Elk onsje gaat door het mondje en moet ook nog eens de berg op. Sommigen van die mannen zijn angstwekkend mager en afgetraind. Blijft er nog wel iets van hen over? Toch moet het zo, anders halen zij de top niet.

 

Als u mij deze vergelijking toestaat, zo is het ook met Jezus’ leerlingen.

Ze moeten zo min mogelijk meedragen. Alleen een stok om op te steunen en om zich mee te verdedigen, en sandalen om in beweging te kunnen blijven. Geen voedsel (ik moet even denken aan die flinterdunne zakjes van de wielrenners met een ‘gelletje’, wat dat ook moge wezen), geen voedsel geen reiszak, geen kopergeld in hun gordel.

 

Jezus stuurt zijn twaalf leerlingen twee aan twee onderweg.

Hij heeft er alle vertrouwen in.

Jezus is geen geestelijke leider die zijn volgelingen klein houdt, die van hen vraagt dat zij ademloos naar Hem luisteren en precies doen wat Hij hun voorschrijft. Integendeel, Hij laat hen los, stuurt hen onderweg. Hij heeft vertrouwen in ons. Hij heeft ons, hoorden wij Paulus zeggen in de tweede lezing, zijn ‘geestelijke zegen’ gegeven.

Het evangelie zegt: Hij gaf hun macht, gezag over de onreine geesten. Het is hun opdracht wat niet koosjer is, onzuiver, onrechtvaardig te benoemen, te bestrijden, te bezweren.

 

De apostelen en hun opvolgers en heel de apostolische kerk moeten dus niet te veel meetorsen op hun weg. Die neiging heeft de kerk wel. Voordat je het weet is zij een instituut geworden dat zich verschanst achter hoge dikke muren (zo kon je deze week het 14de eeuwse pauselijke paleis in Avignon bewonderen, waarlangs de tourrenners razendsnel passeerden).

Voor je het weet willen de leerlingen niet meer onderweg en hebben zij helemaal geen behoefte aan Geestkracht.

Sterker nog, soms zijn zij een beetje bang voor die Geest.

 

De profeet Amos moest het ondervinden. Hij was niet netjes opgevoed in het profeten-gilde, een goedgekeurde opleiding. “Ik ben veehoeder en vijgenkweker. Maar de Heer heeft mij achter de beesten weggehaald”.

Een gewone man van het land, gezegend met een geestelijke zegen. De hoogste priester van zijn tijd, Amasja, de koning en de politiek schrokken zich een hoedje. Zij waren bang voor zijn geestkracht, zijn geestelijke zegen. Laatst hoorde ik een mij dierbare jongere priester zeggen: ‘de paus hoeft het volk Gods niet te raadplegen, hoeft geen synodale weg te beginnen, hoeft niet te luisteren naar wat de Geest zegt tot de gewone mensen. Hij heeft de Geest ontvangen, het leergezag, laat hij maar beslissen.’

 

Dat klinkt mooi en gelovig. Maar Jezus en zijn plaatsbekleder op aarde sturen ons onderweg, om goed te luisteren naar wat de Heilige Geest tot ieder van ons zegt. Tot de profetische veehoeder en vijgenkweker Amos, tot de apostelen, tot iedere gelovige. Want ieder van ons is onderweg gestuurd, om zo licht en beweeglijk mogelijk, zonder ons te laten neerdrukken door te veel bagage, onze roeping te volgen. De actualiteit leert ons: als de kerkgemeenschap te rijk beladen wordt, al te zeer gevestigd, dan gaat het fout. Zie naar de kerk van Canada die zich in het verleden kritiekloos voegde bij het overheidsbeleid van zogenaamde heropvoeding van de oorspronkelijke bevolking.

 

Maar gelukkig is er ook altijd die door de heilige Geest bezielde weg van christenen die in beweging zijn gekomen voor onderdrukte mensen, die aan hun kant gingen staan. Deze week overleed de 84-jarige priester-jezuïet Stan Swamy in de gevangenis aan de gevolgen van het coronavirus. Pater Stan wijdde zijn leven aan de armste en meest achtergestelde mensen in zijn geboorteland India en zat omwille van zijn profetisch getuigenis gevangen. Hij was als zo’n licht-bepakte leerling van Jezus. Hij was trouw aan Jezus door op te komen voor de armste en minst gewaardeerde mensen in zijn land.

 

Laten wij die weg kiezen, licht bepakt, niet verschanst achter hoge muren van steen en onverzettelijk vasthoudend aan onze gewoonten, posities; niet levend vanuit het devies: 'zo is het altijd gegaan’, maar zo goed mogelijk openstaand voor de zegen en de verrassingen van de Geest; de harde, duistere geesten van deze tijd uitdrijvend en bezwerend, de zieken zalvend en helend. Zo moge het zijn. Amen.

 

Nico van der Peet 

 

-------------------------------------------

[1] Amos 7, 12-15; Efeziërs 1, 3-14; Marcus 6, 7-13


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                      Veertiende zondag door het jaar, 4 juli 2021

 

“Kracht wordt juist in zwakheid volkomen.”

Jezus blijft maar onderricht geven.

Alleen de zieken kon Hij bereiken, aanraken, genezen. Alle anderen redden zichzelf…Vooral de kwetsbaren, de zieken beseffen dat zij beter niet wachten zich door Jezus te laten redden.

Hij blijft proberen - zoals toen voor zijn stadgenoten in Nazareth - om ons te bereiken, om ons vrij te maken.

Om welke reden gingen die inwoners van Nazareth naar de synagoge, naar het huis van het Woord en het Gebed?

Omdat hij een religieus ambt vervulde en moest voorgaan?

Omdat hij of zij bestuurder was en er hoorde te zijn?

Omdat hij of zij koorzanger was en daarom ging?

Omdat hij of zij dat nu eenmaal zo gewend was vele jaren lang?

Omdat hij of zij een schuldgevoel kreeg als hij of zij de sabbat niet onderhield, zijn of haar zondagsplicht niet vervulde?

Of omdat hij of zij het woord van God wilde horen, samen met de geloofsgemeenschap wilde bidden, zich open wilde stellen voor God, voor Jezus? Gewoon daar te zijn niet om iets al of niet nuttigs te doen, maar om er te zijn, een mens te zijn met anderen, in Gods aanwezigheid?

 

Het is sabbat in Nazareth, de stad waarin Jezus is opgegroeid. Hij wordt zelfs genoemd naar deze stad: Jezus van Nazareth.

Jezus is even terug in zijn vaderstad en als praktiserend gelovige gaat Hij op sabbat naar de synagoge, om God te eren, te danken, te smeken; om naar het Woord van de Eeuwige te luisteren en naar de preek.

Als volwassen Israëliet mag Hij ook zelf het woord nemen.

Het evangelie van vandaag schetst ons de eerste dienst van het Woord;

Jezus leest voor uit de Wet van Mozes en geeft uitleg.

Hij, het mensgeworden eeuwige Woord, spreekt in deze tijd.

 

U hoorde het: zijn stadgenoten komen naar de synagoge, maar niet omdat zij nu geïnteresseerd zijn in hun bekende stadgenoot, de zoon van de timmerman. Zij hebben geen boodschap aan Hem, ook niet aan de goede, blijde boodschap, zijn evangelie.

Wat heeft Jezus hun nu te zeggen?

Zij komen naar de synagoge,

maar een band, een relatie, een gesprek met Jezus?

Nee.

 

Om welke reden ga ik naar de kerk?

De houding van de inwoners van Nazareth brengt mij en misschien ook u en jou ertoe in de spiegel te kijken.

Zou Amsterdam-Noord uitlopen als bekend werd dat Jezus hier in eigen persoon zou komen? En toch doet Hij dat in elke eucharistieviering. Het mensgeworden eeuwige Woord van de Vader spreekt en Hij maakt ons tot zijn Lichaam en geeft zijn Lichaam. Wij hoeven hier niet zozeer iets te doen, wij mogen hier iemand zijn: zijn levende Lichaam.

Alleen als wij er zijn krijgt zijn Lichaam een kans aanwezig te zijn.

Anders is zijn Lichaam nergens meer. Zoals toen in Nazareth, toen de mensen eerlijk zeiden dat zij geen boodschap aan Hem hadden.

 

Dat was een harde, bezérende ervaring voor Jezus.

We lezen: “Hij kon geen enkel wonder doen…Hij stond verwonderd over hun ongeloof”.

Voor zijn wonderen van liefde, heling, barmhartigheid, bevrijding heeft Jezus mensen nodig, die naar Hem luisteren en met Hem in gesprek gaan.

Het evangelie is eerlijk: Jezus heeft zijn dagen van ontgoocheling beleefd, uren van diepe eenzaamheid.

Het hele kerkelijk bedrijf daar in Nazareth was druk en doende met van alles, maar had geen boodschap aan Hem, haalde zijn schouders op over Hem.

 

Maar Hij zonk niet weg in de mislukking, de afwijzing.

“Hij stond verwonderd over hun ongeloof”.

En meteen daarop: “Jezus ging rond door de dorpen in de omtrek, waar Hij onderricht gaf”.

Vanuit de mislukking, de desinteresse, het ongeloof om Hem heen gaat Jezus verder.

 

Zoiets hoorden wij ook in de tweede lezing, waarin de apostel aan het woord is. De eens trotse, autoritaire, onverdraagzame, hoog te paard gezeten Saulus, is door een diep dal gegaan.

De nare, intolerante Saulus, genoemd naar de eerste koning van Israel, is Paulus gaan heten: dat betekent: ‘kleine man’.

Hij heeft de ervaring dat Jezus hem heeft vrij gemaakt, bevrijd van al zijn drukte en leerstelligheid.

Paulus is tegen zichzelf aangelopen. Neergesmakt in het stof.

“Er is een doren in mijn vlees gestoken, als een bode van satan die mij moet afranselen”.

Hij heeft gebeden en gesmeekt dat hij weer zijn oude kracht terug mocht krijgen. Maar nee, hier moet hij het mee doen, met deze meer menselijke maat.

Hij heeft gehoord: “Jij hebt genoeg aan mijn genade.

Kracht wordt juist in zwakheid volkomen”.

Genade, niet al jouw werken en drukte,

alleen maar genade, gave, liefde, tederheid. Daar heb je genoeg aan.

‘Van al het andere, Paulus, ben je maar overspannen geworden, intolerant, onuitstaanbaar.’

 

Pas wanneer je door Jezus bent vrij gemaakt kun je ontspannen leven en anderen op weg helpen naar een bevrijd en bevrijdend leven.

Daarvoor komen wij naar de kerk: om verlost, bevrijd te worden.

Niet zozeer om van alles en nog wat te doen, maar vrije mensen te zijn, Lichaam van Jezus, de Bevrijder. Anders worden wij als de inwoners van Nazareth: met van alles en nog wat bezig, behalve met die Ene in hun midden.

 

“Kracht wordt juist in zwakheid volkomen.”

Jezus blijft maar onderricht geven.

Alleen de zieken kon Hij bereiken, aanraken, genezen. Alle anderen redden zichzelf…Vooral de kwetsbaren, de zieken beseffen dat zij beter niet wachten zich door Jezus te laten redden.

 

Hij blijft proberen - zoals toen voor zijn stadgenoten in Nazareth - om ons te bereiken, ons open te maken voor Hem en zijn woord,

om ons vrij te maken.

Laten wij hier trouw blijven komen of weer komen,

naar Hem te luisteren,

Hem ontmoeten,

met onze mede-gelovigen zijn levende Lichaam te worden en te ontvangen.

Zijn bevrijdende genade is voor ons genoeg. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 27 juni 2021, dertiende zondag door het jaar[1]

 

Jezus laat Zich aanraken en Hij raakt het kind aan.

Hij wil het kind in u, in jou en in mij aanraken. Hij wil ons te eten geven, ons sterk maken, ons helen, om de toekomst tegemoet te gaan.

Mag je Jezus aanraken, als is het maar zijn kleren?

Ik denk dat het hier gaat om zijn religieuze kleren. Vrome joden droegen en dragen de hele dag het gebedsgewaad, vaak onder hun gewone burgerkloffie. Waarschijnlijk Jezus ook.

 

Die arme, al jaren bloedende vrouw, heeft het gewaagd Jezus aan te raken. En u hoorde het: Jezus líet Zich raken. Er werd geen afstand gehouden, de menigte drong om Hem heen. Maar tussen de tientallen aanrakingen werd Hij die ene gewaar, die trof Hem, die raakte Hem diep, die raakte Hem in zijn identiteit, de reden waarom Hij, Zoon van God, was mens geworden.

Om te genezen.

 

Als de godsdienst mensen niet geneest, innerlijk, naar lichaam en ziel heel maakt, dan is zij verdacht. Vertrouw geen godsdienstigheid die niet heelt, maar die verdeelt, mensen klein houdt, kleineert.

Je hebt van die bewegingen in het christendom, ook in onze kerk. Mensen moeten hun mond houden en gehoorzaam zijn. Er zijn bewegingen waar leiders, priesters de scepter zwaaien, jaren lang, zonder inspraak, zonder echte dialoog. Paus Franciscus heeft nu besloten dat die leiders van lekenbewegingen gewoon netjes moeten worden gekozen, elke vier jaar opnieuw; dat er naar de gewone leden, vrouwen en mannen geluisterd moet worden. Want wie te lange tijd de baas is gaat zijn macht misbruiken, gaat mensen misbruiken, klein maken, vernederen, met zijn hoofd in de wolken lopen, een schijnleven beginnen, zich gedragingen permitteren die hij andere moralistisch verbiedt. Het komt allemaal voor in onze kerk en gelukkig werkt de paus eraan dit klerikale gedrag paal en perk te stellen.

 

Mag je Jezus aanraken?

Momenteel woedt er in de Amerikaanse kerk een verhitte strijd. Wie mag wel en wie mag niet te communie, Jezus aanraken, ontvangen? Er zijn bischoppen die de Amerikaanse president, de tweede die katholiek is in de geschiedenis, de communie willen weigeren vanwege enkele politieke opvattingen van de man die de ethiek raken. Natuurlijk is het noodzakelijk hierover stevig te discussiëren, het gaat immers over zaken van beginnend menselijk leven in de moederschoot. Gelovigen mogen en moeten daar ernstig over nadenken, elkaar op aanspraken, rustig, respectvol, geduldig, luisterend, biddend. Maar er zijn in de Verenigde Staten dus geestelijke leiders die geen dialoog willen, geen geestelijk strijd, maar de president en geestverwanten van het lichaam van Christus, de communie willen weghouden. Je mag Jezus allen maar aanraken en ontvangen als je zonder woord gehoorzaamt. Geen dialoog, geen gezamenlijke zoektocht naar waarheid, maar strakke gehoorzaamheid.

 

Mag je Jezus aanraken?

Volgens de religieuze wetten van Jezus’ tijd was een bloed-vloeiende vrouw onrein. Zelfs haar man mocht haar niet aanraken en zijzelf mocht niemand aanraken, want de ander zou dan ook onrein worden, gemarginaliseerd zoals zij. Deze vrouw stapt evenwel over dit verbod heen. Doelbewust raakt zij Jezus aan, en wel aan zijn gebedskleed. Zij vertrouwt zich toe aan de band van Jezus met de Vader.

Jezus noemt de onreine vrouw ‘dochter’. Hij roept haar niet uit de hoogte toe, Hij gaat naast haar staan in de marge.

 

“Dochter, uw geloof heeft u genezen”

‘Niet Ik heb het alleen gedaan, maar uw geloof brengt genezing.’

Alleen godsdienst die mensen heelt, geneest naar geest en lichaam, mensen niet langer klein houdt, gevangen houdt in hun beperkingen, in hun onreinheid om zo te zeggen, in hun isolement, - alleen zo’n godsdienst moeten we vertrouwen. Alle andere godsdienstigheid is machtspolitiek, kleinerend, vernederend.

 

Ons lange evangelie verenigt twee verhalen. Begin en eind vormen het tragische relaas over de ziekte en de dood van een dochtertje van twaalf jaar. Het evangelie is dus een verhaal over twee dochters.

Het jonge meisje staat op de drempel van de religieuze volwassenheid. Een kind van twaalf in het jodendom zet de stap naar echte deelname, leest voor het eerst voor uit de heilige Schrift. Zo’n kind is de toekomst van de kerkgemeenschap, zoals bij ons de eerste communicanten en vormelingen. Wat een zegen en vreugde als die er zijn. Ook bij ons zijn die er God-zij-geprezen.

 

Over zo’n kind gaat het. Het is ziek en het sterft. Zij is de dochter van de overste van de synagoge, een bestuurder in de geloofsgemeenschap. Zijn hoop, zijn toekomst, zijn dochter glipt hem door de vingers. Bestaat er op aarde wel iets ergers?

 

“Het kind is niet gestorven, het slaapt”.

De toekomst van de vader Jaïrus en van zijn synagoge-gemeenschap slaapt, het is niet gestorven, het moet tot leven worden gewekt. Jezus gaat ernaar toe. “Wees niet bang, blijf geloven”.

Ach, hoevaak hoor ik het wel niet. “Na de eerste communie hoor je niets meer van die kinderen”. Dat is het beeld van velen: de kerk heeft geen toekomst. Dat dacht Jaïrus ook. Maar we weten wel beter.

“Wees niet bang, blijf geloven” en stel je huis open voor Jezus, opdat Hij de kans krijgt het slapende kind van ons geloof tot leven wekken. We moeten ons huis, onze manier van geloven, hopen, liefhebben, liturgie vieren dan wel op orde brengen en aanpassen aan de toekomst.

 

Jezus stuurt ze allemaal naar buiten, heel die groep van omstanders die er niet meer in geloven.

“Meisje, sta op”.

Jezus laat Zich aanraken en Hij raakt het kind aan.

Hij wil het kind in u, in jou en in mij aanraken. Hij wil ons te eten geven, ons sterk maken, ons helen, om de toekomst tegemoet te gaan.

Laten wij Hem ook vandaag weer aanraken als wij de heilige Communie ontvangen.

En geve God dat u, jij en ik zelf innerlijk aangeraakt worden.

“Hem even aan te mogen raken

zijn kleed, alleen maar bij de zoom,

de kracht die mij weer heel kan maken…”

 

pastoor Nico van der Peet

 

 

---------------------------------------------------

[1] Wijsheid 1, 13-15; 2Kor. 8, 7+9+13.+15; Marcus 5, 21-43


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 20 juni 2021

                                  Twaalfde zondag door het jaar[1]

 

Zo is Jezus. Hij blijft niet aan de veilige oever, Hij steekt over naar de mensen aan de overkant. De leerlingen moeten dat leren van Hem, zijn eerste kerk en de kerk ook van vandaag moet durven, niet angstvallig aan veilige oever en oude zekerheid blijven zitten, beschut tegen de storm van deze wereld met al haar onvoorspelbaarheden en aanvechtingen.

 

 “Waar was je toen de zee haar poorten beukte…toen Ik haar kleedde in wolken en hulde in windsels van wolkenslierten?”

 

Afgelopen maandag liep ik tegen de avond langs het strand van Egmond aan Zee. Eigenlijk was ik onderweg naar Egmond-Binnen, de Abdij, waar ik de avondwake ging meevieren van een mij dierbare monnik, op hoge leeftijd gestorven, de vroegere koorleider, die mij heeft leren zingen en een beetje toon houden. Een hartelijke, opgewekte, muzikale man, die hield van de luister van de liturgie, een liefde die hij me heeft bijgebracht.

 

Maar ik was dus vroeg vertrokken om eerst een standwandeling te maken. Het was een warme zomerdag geweest. Ouders klopten het zand uit de kleren van hun lome kinderen om de terugtocht naar huis te aanvaarden.

Het was bijna twee jaar geleden dat ik nog aan zee was.

Ik genoot weer van de enorme ruimte, de schittering van de zon op het water, het late licht, de zachte wind die opstak.

 

‘Waar was jij, waar ben jij in dit licht, dit vergezicht?

Dat realiseert zich Job, dat hoort hij in zijn oren en in zijn hart?

‘Wat is dan de mens helemaal, waar ben ik dan, Job, die zo aan het tobben ben?’

Job, vroeger rijk en gelukkig, nu bedroefd en arm, ervaart zijn kleinheid, zijn kwetsbaarheid, die mij weer aanvloog toen ik een uur later bij het gestorven lichaam stond van die geliefde monnik.

 

Maar de woorden uit het boek Job eindigen heel troostrijk: Waar was je, bange, kwetsbare mens, toen Ik de onstuimige zee paal en perk stelde, de poort vergrendelde en zei: Tot hier en niet verder?

 

Tot hier en niet verder.

“Laten wij oversteken”, heeft Jezus gezegd tot zijn leerlingen. Zij gingen het water op in de boot.

Wij, levend in de lage landen, omgeven door het water aan alle kanten, gaan graag de zee, de rivieren, de plassen en meren op, voor ons is het een plezier, vrijteijdsbesteding, vakantie. In Jezus’ cultuur was het water een vijand. Het Meer is gevaarlijk. Alleen door Gods hand was het mogelijk geweest door de zee heen te komen, uit Angstland Egypte naar het Beloofde Land. Je moest de voeten vooral droog houden en veilig met beide benen op het veelbelovende land blijven. Het grote Meer, vaak onstuimig en stormachtig, ging je alleen maar op om de noodzakelijke vis te vangen.

 

Jezus’ apostelen, van oorsprong vissers, hadden het lef om het onzekere water op te gaan. Maar Jezus wil niet vissen. Hij wil oversteken, naar het buitenland, het land van de Gerasenen, mensen in duisternis, bezetenheid, ellende. Zo is Jezus. Hij blijft niet aan de veilige oever, Hij steekt over naar de mensen aan de overkant. De leerlingen moeten dat leren van Hem, zijn eerste kerk en de kerk ook van vandaag moet durven, niet angstvallig aan veilige oever en oude zekerheid blijven zitten, beschut tegen de storm van deze wereld met al haar onvoorspelbaarheden en aanvechtingen.

 

“Er stak een hevige storm op…de boot liep vol water…intussen lag Hij aan de achtersteven op het kussen te slapen.”

 

Tja, Jezus mag zijn kerk dan wel laten oversteken, maar dan moet de Heer wel bij haar blijven. Hij sluimert niet en Hij slaapt toch niet die over zijn volk waakt?[1]

Maar zo is dus de ervaring van de kerk van Jezus. Het lijkt wel alsof de Heer slaapt, alsof Hij nooit meer opstaat om ons te redden, ons door de storm te leiden, ons aan de overkant te brengen. Hoe vaak horen wij het wel niet: ‘Waar is Hij, nu ik in nood ben, ernstig ziek ben, de dood nabij?’

 

Wat is dan het antwoord, mijn antwoord?

In ons evangelieverhaal maken zij, de bange apostelen, Jezus wakker, en zeiden: “Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?”

Wat is Jezus’ antwoord op het angstig roepen, wekken, bidden van zijn leerlingen?

“Hij stond op…”

Hier lezen wij hetzelfde woord als zal worden gebruikt bij de opstanding van Jezus uit de dood.

De jongeman in het wit, zittend in zijn graf zal zeggen, nu niet tegen de bange apostelen, maar tegen de geschrokken en tegelijk opgetogen vrouwen: “Schrik niet. U zoekt Jezus van Nazaret, die gekruisigd is. Hij is tot leven gewekt.” Hij is opgestaan.

 

Jezus is in het schip opgestaan, dit schip van ons kwetsbare bestaan, waarin wij allen zitten, rijk en arm, gelovig, niet gelovig of anders gelovig. Wij zitten allen in hetzelfde bootje en we hopen allemaal vurig dat wij de oversteek veilig kunnen maken; dat wij allen voet kunnen zetten op het land van de toekomst waarheen de Heer ons roept en uitnodigt. Wij hoeven niet te vrezen, Hij zal de wind en het water tot rust brengen.

 

Tenslotte is er dan die vraag van Jezus: “Waarom ben je zo bang? Hoe is het mogelijk dat je nog geen geloof bezit?”

Op deze zondag, de dag van de opwekking uit de slaap van de dood, worden wij opgewekt te vertrouwen, ons geloof te voeden en te versterken. Wij zijn niet alleen in dit onvast bestaan, het soms gammele bootje van ons leven. Met Hem aan boord mogen wij in het avondlicht van ons bestaan de andere oever veilig bereiken. Zo moge het zijn.

 

Nico van der Peet

 

 

------------------------------------------------

[1] psalm 121, 4

[1] Job 38, 1. 8-11; 2 Korintiërs 5, 14-17; Marcus 4, 35-41


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 13 juni 2021

                       Elfde zondag door het jaar[1]

 

De kerk is geen reusachtige volière, geen kooi, die ons krampachtig wil vasthouden, maar een boom, waar we schaduw, geborgenheid, beschutting kunnen vinden en op krachten kunnen komen om onze vlucht, onze weg, ons dienstwerk aan God, onze naasten, de samenleving, de aarde te kunnen voortzetten.

“Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort.”

De aarde: in de heilige Schrift betekent dat meestal: het land, het goede, veelbelovende land. U hoorde de profeet Ezechiël jubelen. Het ongelooflijke gebeurt: de kleine, gedecimeerde geloofsgemeenschap ontvangt een nieuwe toekomst, zoals een twijgje, afgebroken van een hoge ceder, dat in de aarde wordt geplant: het zal takken dragen, vrucht vormen. Wij mensen kunnen dat niet op eigen kracht. Wij kunnen alleen maar vertrouwend hopen op Gods initiatief. Hij neemt het twijgje en plant het.

 

Het gaat over het land, de grond die God ons geeft, niet om die zoveel mogelijk voor onze persoonlijk gewin te gebruiken, te misbruiken, uit te putten, zoals wij zien gebeuren in onze vervuilde, verstik-stofte leefomgeving. Nee, de aarde die ons gegeven is als kans, als toneel van verbond, van vriendschap met de Schepper God, met de mensen, en met alles wat adem heeft op aarde.

 

Jezus moet het leven op het land goed hebben aanschouwd, overwogen, liefgehad. Zijn vader Jozef was een timmerman. Het heilig Huisgezin woonde in een kleine stad in Galilea. Dichtbij waren de sierlijke heuvels, de oevers van het Meer van Galilea.

In Jezus’ tijd woonden betrekkelijk weinig mensen in de steden en de meesten op het land.

 

“Het gaat met het rijk van God als met een man die zijn land bezaait; hij slaapt en staat op, ’s nachts en overdag, en onderwijl kiemt het zaad, en schiet op, maar hij weet niet hoe”.

Onvermijdelijk doen deze woorden mij denken aan mijn vader, met zijn gezin wonend aan de rand van de stad, werkend als gasfitter, maar in zijn hart door en door de zoon van een akkerbouwer. Elk vrij moment in zijn leven boog hij zich over de aarde, de twee moestuinen die hij bewerkte. Zonder veel woorden. Hij sliep en stond op, ’s nachts en overdag, en onderwijl kiemt het zaad.

Zonder veel woorden leefde hij heel geduldig, toegewijd.

 

Zo krijgt het koninkrijk een kans in deze wereld. In mensen, in een kerkgemeenschap die zich niet al te veel zorgen maakt en vooral niet al te bezorgd is om zichzelf, haar succes, haar toekomst. Of zij wel maatschappelijk aanzien heeft, de statistieken op orde, de bankrekening royaal. Vorig jaar begon ik mij ernstig zorgen te maken over de kerk, over onze parochie. Komt dit nog wel goed? Gaan de mensen wel weer komen of blijven zij voorgoed thuis? Gaan we financieel niet ten onder in de golven van de corona-storm. Totdat ik stap voor stap, vooral geholpen door het realistische en spirituele onderricht van de paus, ontdekte dat de kerk, de parochie niet bestaan om zichzelf en haar toekomst koste wat het kost veilig te stellen. De kerk is er - in navolging van Jezus - uit bekommernis met de mensen, de aarde, hun toekomst, hun redding. ‘Al het overige zal u erbij worden gegeven.’

 

En inderdaad, zo blijkt het te zijn. Het wordt ons rijkelijk gegeven. Slapen en opgestaan, ’s nachts en overdag en onderwijl kiemt het zaad, en schiet op en wij weten niet hoe.

De mensen komen weer, spannen zich in voor hun kerk en parochie, de bankrekking is maar een beetje geslonken.

 

De kerk moet doen wat zij kan, ’s nachts en overdag, het zaad geduldig, op het goede moment, doelgericht, op de juiste plaats en op de gunstige tijd, uitstrooiend. Het gewas kun je niet uit grond trekken. Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort.

 

Nog een gelijkenis voor het koninkrijk van God legt Jezus ons voor. Dit rijk lijkt op een mosterdzaadje. Dat is bijna niet te zien. De wind blaast het weg. maar het is heel sterk, het kan lange tijd verborgen, onzichtbaar blijven, maar toch overleven. Mensen kijken erop neer, besteden er geen aandacht aan. Maar het zaad, waarin een hele toekomst verborgen ligt, is er. Het wordt tot “de grootste van alle tuingewassen, het krijgt grote takken zodat de vogels in zijn schaduw kunnen nestelen.”

 

De kerk, schreef paus Benedictus ooit, “is een grote drager van spirituele ervaring. Zij is als een boom, waarin vogels kunnen nestelen, ook als ze dan opnieuw willen wegvliegen - maar toch een plaats, waar men zich voor een tijdje kan vestigen”.

Mooi gezegd, de kerk is geen reusachtige volière, geen kooi, die ons krampachtig wil vasthouden, maar een boom, waar we schaduw, geborgenheid, beschutting kunnen vinden en op krachten kunnen komen om onze vlucht, onze weg, ons dienstwerk aan God, onze naasten, de samenleving, de aarde te kunnen voortzetten.

 

Met Paulus mogen we zeggen: we houden goede moed, wij zijn onderweg, wij leven in geloof, wij zien Hem niet. Maar wij houden moed, totdat we voor Jezus mogen verschijnen en ons loon mogen ontvangen. Amen.

 

Nico van der Peet 

 

---------------------------------------------

[1] Ezechiël 17, 22-24; 2 Kor. 5, 6-10; Marcus 4, 26-34


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, zondag 6 juni 2021

                      Hoogfeest van het heilig Sacrament[1]

  

Het sacrament van de eucharistie heeft alles te maken met de toekomst, waarin deze oude wereld met zijn vele grote ego’s zal zijn overwonnen. De heilige Hostie (hostie betekent offergave) die wij ontvangen en de beker die wij in deze corona-tijd niet allen kunnen drinken, zijn tekenen van de toekomst, met het komende koninkrijk, waartoe wij worden uitgenodigd, waarvoor onze inspanning wordt gevraagd.

 Wij vieren Sacramentsdag. We kennen zeven sacramenten. De kunstenaar is bezig deze zeven af te beelden, op te roepen in de gebrandschilderde ramen in de Dagkapel.

Vandaag vieren wij het hoogfeest van het belangrijkste sacrament: de eucharistie. De kunstenaar, Isa Ondracek, laat in zijn raam, gewijd aan de eucharistie, geen tafel of altaar en ook niet de heilige Hostie zien, maar een lam, een bloedend lam. Zeker, de eucharistie gaat terug op de laatste maaltijd van Jezus met zijn leerlingen, maar het is ook een tegenwoordig stellen van het levensoffer van een mens, een man van in de dertig. Die tijdens de laatste maaltijd met zijn leerlingen brood nam, de zegen uitsprak, geheel volgende de aloude ritus van het joodse geloof, zijn godsdienst, - de zegen uitsprak, het brak, het zijn leerlingen gaf, met de woorden: Neemt, dit is mijn Lichaam”. En bij de beker: “Dit is mijn Bloed van het Verbond, dat vergoten wordt voor velen”.

Hij loopt vooruit op zijn dood, zijn executie, zijn vergoten Bloed, daags daarna.

 

Vanmiddag vieren wij het feest van de eerste heilige Communie. De dertien kinderen zullen feestelijk zijn aangekleed. Het zal een innige viering worden. De heilige Communie laat de kinderen verder kennismaken met die Man die zijn Lichaam, Zichzelf heeft gegeven. Zij maken kennis met die Ene mens die zijn lichaam geeft en zijn bloed, die Zichzelf opoffert, in een wereld waarin de kinderen vooral mensen zien die uitstralen dat het leven vooral om jouzelf draait, jouw ego, jouw eigen, individuele regie. Zij en wij allen leren in de eucharistie en in de heilige Communie: Jezus’ leven bereikte zijn hoogste doel toen Hij afscheid nam van zijn Zelf, zijn ego.

 

Maar Jezus, tijdens het laatste avondmaal, bleef niet stilstaan bij het verleden en bij het duistere heden van die laatste avond van zijn leven.

Hij was juist één en al toekomst. “Voorwaar, Ik zeg u: Ik zal niet meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt tot op de dag waarop Ik het, nieuw, zal drinken in het koninkrijk van God”.

 

In de oude wereld van zijn lijden, de marteling, de dood aan het kruis, zal Jezus niet meer drinken. In hevige dorst, hangend, aan het kruis, bood iemand hem zure wijn aan. Alleen in het Johannesevangelie lezen we dat Jezus een beetje nam.[1] Maar in de andere drie evangelies lezen wij dat Hij niet meer dronk. Nee, Hij zag uit, Hij dorstte naar de nieuwe wijn van het koninkrijk van God.

 

Het sacrament van de eucharistie heeft dus alles te maken met de toekomst, waarin deze oude wereld met zijn vele grote ego’s zal zijn overwonnen. De heilige Hostie (hostie betekent offergave) die wij ontvangen en de beker die wij in deze corona-tijd niet allen kunnen drinken, zijn tekenen van de toekomst, met het komende koninkrijk, waartoe wij worden uitgenodigd, waarvoor onze inspanning wordt gevraagd.

 

De eucharistie is niet alleen iets om naar te kijken, vanuit de kerkbanken, vanuit de huiskamer, via televisie of livestream, hoe belangrijk die in deze pandemie-tijd ook zijn geweest.

De eucharistie is juist een heel fysiek gebeuren: een Mens die zijn Lichaam en zijn Bloed geeft. Door zijn Brood, zijn Lichaam te eten, worden wij zijn levende Lichaam in deze tijd, in deze buurt en stad. Sint Augustinus preekte in zijn tijd: ‘Word zelf wat daar op het altaar ligt, word wat je eet: zijn Lichaam.'

De viering is meer dan een esthetisch gebeuren, met goud en zilver, gewaden, kaarsen, wierook en mooie zang. Dat is ook van belang. Maar vooral: het Lichaam, de Hostie, de offergave, je bent het zélf, het zet je aan het werk, het is niet vrijblijvend.

 

Het is er niet alleen voor de volmaakten die zich precies aan de regels kunnen houden, hebben gehouden, het niet niet de prijs voor de volmaakten, maar voedsel en geneesmiddel voor de mensen die tekort schieten, er nog niet zijn.

 

Wij zijn er nog niet.

Op het hoogtepint van de viering zeggen wij: “Heer Jezus, wij verkondigen uw dood en wij belijden tot Gij wederkeert, dat Gij verrezen zijt”

“Tot Gij wederkeert”.

“…tot Ik het nieuw zal drinken in het koninkrijk van God”.

 

Vorig jaar juni, op Sacramentsdag 2020, mocht voor het eerst na een lockdown van drie maanden, weer de heilige Communie worden uitgereikt. Vele hadden ernaar verlangd, anderen wachtten af, durfden nog niet, begrijpelijk. Op deze Sacramentsdag mogen er voor het eerst meer mensen in de kerk: 50 in plaats van 30.

 

Aan het begin van het Laatste Avondmaal heeft Jezus gezegd: “Vurig heb Ik verlangd dit paasmaal met u te eten.”[2]

Hij verlangt naar ons.

Naar onze dertien eerste communicanten;

naar u, die misschien al lange tijd niet meer de eucharistie fysiek heb meegevierd, naar ons allen.

En ook zei Hij: “Want Ik zeg jullie dat Ik het niet meer zal eten tot de vervulling ervan in het koninkrijk van God”.[3]

 

Met Jezus mogen we hoopvol de toekomst tegemoet gaan, weer samenkomen in de kerk, niet langer alleen online, maar om het levend Lichaam van Christus te vormen, waarbij geen ledemaat gemist kan worden. Amen.

 

Nico van der Peet

 

------------------------------------------------------

[1] Exodus 24, 3-8; Hebreeën 9, 11-15; Marcus 14, 12-16. 22-26

[2] Johannes 19, 28-30

[3] Lucas 22, 15

[4] Lucas 22, 16


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, zondag 30 mei 2021.

                      Hoogfeest Allerheiligste Drieëenheid[1]

 

De diepste zin van je leven is geen veilig bezit dat je in een gouden doosje kunt stoppen en af en toe even open kan maken, zoals je wel doet met een doosje overheerlijke bonbons om er af en toe van te proeven.

Wij vieren de allerheiligste Drieëenheid, Vader, Zoon en Heilige Geest.

Dit hoogfeest zou mij in de verleiding kunnen brengen te gaan preken over diepzinnige theologische uitspraken over God. Over wie God is in Zichzelf, zijn innerlijk, zijn geheim.

 

Toen ik theologie studeerde kreeg ik enkele maanden les van een heel bevlogen vrouw. Zij verving een zieke docent. Zij was toen al op leeftijd en tegelijk bijzonder energiek en gedreven. Zij onderwees ons in de leer over Christus en over de Drieëenheid.

Zij drukte ons op het hart: over het geheim over wie God is in Zichzelf kunnen wij niet spreken. Dat geheim is als de achterkant van de maan, die wij nooit kunnen zien. Wij kennen God alleen in zijn daden die Hij in de geschiedenis voor de mensen heeft gedaan en die Hij nog doet. Wie God is naar buiten toe. In de theologie heet dat de heilseconomie. Dat heeft niets met handel en geld te maken, maar met het handelen van God in verleden en heden.

 

Eigelijk is het ook zo met de mensen, met u, jou en mij. Wie wij ten diepste zijn dat kan een ander niet zien. En misschien ken ik mijzelf ook niet helemaal. Het getuigt ook van menselijk respect en eerbied dat je niet wilt binnendringen in het diepste innerlijk van de ander, zelfs niet als zij of hij jouw echtgenoot, levenspartner is. Als het goed gaat in onze relaties ontvangen wij het handelen, de daden, de meningen, de levenswijze van de ander met groot respect en geduld en wij doen een stapje terug als het gaat over haar of zijn diepste wezen, zijn of haar innerlijk, waarvoor hij of zij zelf vaak ook geen woorden heeft.

 

In de afgelopen weken las ik een roman van de Noorse schrijver Jon Fosse, deel twee van een drieluik. “Ik is een ander”, heet die roman, naar de titel van een gedicht van Arthur Rimbaud, die zijn gedichten de stem noemde van een ander. Wat ik opschrijf is mij eigenlijk doorgegeven, aangereikt, ingefluisterd door een stem boven mij uit.

 

Die Noorse schrijver is heel bijzonder. Heel zijn boek is een innerlijk gesprek. Wat er een hele dag door zijn hoofd en zijn hart gaat schrijft hij op. Zoals wij allemaal eigenlijk de hele dag in ons hoofd en hart allerlei gedachten heen en weer laten gaan zoals de eb en de vloed van de zee.

Die man in die roman, Asle geheten, is ook schilder, een heel verdienstelijk schilder. Hij verdient er ook goed mee. Mensen kopen zijn schilderijen graag. Maar er zijn enkele schilderijen die hij niet wil verkopen. Daarop heeft hij geschilderd, schrijft hij, “wat ik niet zeggen en afbeelden kan”. Goede, echte kunst gaat over wat eigenijk niet goed te zeggen en af te beelden valt, over het diepste van ons leven, van ons liefhebben en over onze eindigheid, onze dood.

De schilder, Asle, kreeg lucratieve opdrachten om de mooie, vaal luxueuze huizen van dorpsgenoten te schilderen. Met die schilderijen konden zij dan pronken op verjaardagsfeestjes. Hij zegt tegen een vriend die ook zo’n poenig schilderijtje wil: ‘ik ben daar mee gestopt, zo kan ik niet meer schilderen, ik moet schilderen wat ik nog niet gezien of gehoord heb.’ “Wat geen oog heeft gezien en oor heeft gehoord, dat heeft God bereid voor wie Hem liefhebben”, zegt de Heilige Schrift.

Die schilder zegt: “hoe meer over God beweerd wordt dat Hij zo of zo is, hoe meer Hij zich verborgen houdt, denk ik, ja, dat God zich openbaart door zich verborgen te houden…God spreekt stilzwijgend uit alles wat er is, en dat stilzwijgen werd pas verbroken toen het Woord in de wereld kwam, toen Christus ter wereld kwam, pas toen konden Gods woorden gehoord worden (…) maar geloof ik daar werkelijk in?”

 

Het hoogfeest van de heilige Drieëenheid is heel mooi maar het is dus ook een hachelijke onderneming. Voor het diepste wezen van God kun je misschien wel beter je hoofd buigen dan je uitputten in woorden. De monniken en monialen doen dat dan ook de hele dag. Aan het einde van elke psalm zingen zij: “Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest”. Bij die woorden gaan ze staan en buigen zij diep.

 

Ook de Heilige Schrift vandaag vertelt eigenlijk niets over Gods diepste innerlijk, maar alleen over zijn daden voor de mensen.  Het boek Deuteronomium zegt: “Ga de oude tijden maar na die u zijn voorafgegaan…”

Kijk maar terug in jouw leven: hoe je geleid bent, juist ook toen je stond voor grote gebeurtenissen, keuzen en beproevingen.

Pauls zegt: De Geest heeft ons laten ervaren dat wij kinderen zijn van God; de Geest doet ons uitroepen: “Abba, Vader”. Wij zijn zelf opgenomen in het leven van God. De Heilige Geest laat ons, samen met de Zoon Jezus, uitroepen: Abba, Vader.

 

Wij hoorden de slotwoorden van het evangelie volgens Matteüs. De elf leerlingen doen wat Jezus tegen de vrouwen heeft gezegd in de morgen van de verrijzenis. Zij moeten naar Galilea gaan. “Daar zullen zij Mij zien”. Zij moeten teruggaan naar hun oorsprong, naar de plek van hun roeping door Jezus. Jezus vraagt ons terug te keren naar onze roeping, hoe die van u, van jou of van mij er ook uitziet. Daar zul je Hem ontmoeten. Dan staat er: “Toen zij Hem zagen wierpen zij zich in aanbidding neer; sommigen echter twijfelden”.

 

Wat is dit toch een mooie, eerlijke zin. Mattheüs had die twijfelaars natuurlijk lekker kunnen weg-schrijven uit zijn evangelie. Het zijn nog wel de slotwoorden. Nee, Matteüs is eerlijk. In elk mensenhart zijn er ook momenten van twijfel, vertwijfeling. Zoals van die schilder. Hij is werkelijk gelovig en gaat regelmatig naar de Heilige Mis. In het niet zo kerkelijke Noorwegen moet hij daarvoor zelfs een flink eind rijden. Maar hij kan op de stem van God en van Jezus niet de hand leggen. De diepste zin van je leven is geen veilig bezit dat je in een gouden doosje kunt stoppen en af en toe even open kan maken, zoals je wel doet met een doosje overheerlijke bonbons om er af en toe van te proeven.

 

Geloof, vertrouwen in de drie-ene God is een gave, een cadeau van de Geest. God wacht elke dag op ons, in Galilea, op de plaats van onze roeping, daar zal Hij ons zegenen en maakt Hij ons tot zijn leerlingen.

Daar zal Hij met u, met jou, met mij zijn tot aan de voleinding.

Amen.

 

Nico van der Peet 

 

------------------------------------------------------------------

[1] Deuteronomium 4, 32-34. 39-40; Romeinenbrief 8, 14-17; Matteüs 28, 16-20

Afbeelding: Allerheiligste Drieëenheid, Andrej Roebljov, Rusland, 15de eeuw


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Pinksteren, 23 mei 2021[1]

 

“Wanneer Hij komt, de Geest van de waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen.”

De volle waarheid. Daarheen zijn wij onderweg. De volle waarheid over Jezus, daar gaat het over. Wie Hij was, wat zijn betekenis van zijn unieke persoon is voor u en mij.

Deze week werd ik verwelkomd in een voor onze huidige begrippen groot gezin: vader en moeder en vijf kinderen. De oudste is vijftien, de jongste bijna drie maanden. Wij hadden afgesproken met elkaar te spreken over de doop van de drie jongste kinderen. De twee oudsten mocht ik in 2007 dopen.

 

Voor de ouders was het gemakkelijker bij hen thuis af te spreken dan met het hele gezin af te reizen naar het pastoraal centrum. Het werd een van de meest bijzondere doopgesprekken die ik ooit mocht meemaken.

Het leek nergens op.

Het was geen goed geplande, ordentelijk opgezette doopcatechese, een taak waarvan ik me uiteraard nauwkeurig heb te kwijten.

 

Er is heel veel te zeggen over de betekenis van de doop en de daarop volgende zalving. De dopeling gaat onder tekenen kopje onder, in het leven en het sterven van Jezus en komt weer rechtop te staan, als een kind geboren uit God, een nieuw leven, als kind van God, vriend, vriendin van Jezus, voortaan levend in zijn Geest.

Dat hoor je in zo’n doopgesprek natuurlijk allemaal zo begrijpelijk mogelijk te vertellen, met een verhaal, met verstaanbare woorden. Maar ja, de oudste dopeling is zes jaar en de oudere kinderen veertien en vijftien.

Nog veel heb Ik u te zeggen, maar je kunt het nu nog niet dragen.

 

De catecheet, priester, diaken kunnen alles wel willen zeggen en regelen.

Ook Jezus legt zoveel mogelijk uit, in die weken na Pasen, na zijn verrijzenis uit de dood.Dat hebben wij de afgelopen zeven weken, vijftig dagen gehoord. Hij ontmoet zijn leerlingen, de apostelen en de vrouwen opnieuw. Alles wat zij over Jezus weten leren zij nu op een heel nieuwe manier te zien, en wel in het licht van zijn dood en verrijzenis. Maar Jezus kan niet alles zeggen en uitleggen. Hij moet weggaan, zijn leerlingen loslaten. Hij geeft hun het vertrouwen dat zij, als Hij er niet is, het steeds beter zullen begrijpen en doorzien.

 

“Wanneer Hij komt, de Geest van de waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen.”

De volle waarheid. Daarheen zijn wij onderweg. De volle waarheid over Jezus, daar gaat het over. Wie Hij was, wat zijn betekenis van zijn unieke persoon is voor u en mij.

Wanneer dadelijk bij het uitgaan van de kerk iemand buiten zou staan met een microfoon en de vraag aan velen van u zou voorleggen: Wie was Jezus, wie is Hij voor u, wat is zijn volle waarheid? dan zou het zomaar kunnen dat er heel  verschillende antwoorden klinken. En als die persoon met de microfoon er over tien jaar weer staat dan zou uw antwoord misschien weer heel anders zijn. De volle waarheid is niet in beton gegoten, maar groeit met ons mee, met onze ervaringen, wat wij beleven aan vreugde en geluk en hebben te ondergaan aan zorgen en verdriet.

 

Voor de evangelist Johannes was die waarheid vooral:

Jezus is de Zoon van God. Hijzelf is de mens in wie de goede boodschap van God mens is geworden, vlees en bloed. Niemand heeft ooit God gezien, zegt Johannes al op de eerste bladzijde van zijn evangelie, “niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon…Hij heeft Hem doen kennen”.

 

Maar die eniggeboren Zoon van God is een mens geworden van vlees en bloed, geboren uit de maagd Maria, heeft geleden, is gestorven, begraven, opgewekt, ten hemel opgestegen. Hij is zozeer mens geworden dat zijn levensloop op aarde net als de onze beperkt is in de tijd.

 

Wij moeten zonder Hem verder. Wij ontvangen zijn heilige Geest. Daarom word je na de doop ook op een goed moment gezalfd, gevormd.

Nu wordt Hij, Jezus, als het goed is vlees en bloed in u, in jou en in mij: kinderen van God, vrienden en vriendinnen van Jezus als wij zijn geworden door de doop, kopje onder en weer rechtop gaan staan.

 

“Nog veel heb Ik u te zeggen, maar je kunt het nu nog niet dragen”, dacht ik aan het einde van dat gedenkwaardige doopgesprek deze week. Her was een van de meest rommelige doopgesprekken in meer dan dertig jaar, niet netjes volgens het catechese-boekje, heel de geloofsbelijdenis ordelijk uitleggend aan ouders en peters en meters.

Hoe ouder ik word hoe meer ontspannen, denk ik wel eens, hoe meer gelovend in de Heilige Geest.

“Hij zal niet uit zichzelf spreken maar spreken al wat Hij hoort en u de komende dingen aankondigen.”

Hij spreekt door die ouders, die met hun kinderen steeds meer hebben meegemaakt, steeds verstandiger, meer ervaren, meer ontspannen zijn geworden en zo een voorbeeld zijn geworden van vertrouwen. Verlicht door de heilige Geest kunnen zij hun kinderen de komende dingen aankondigen.

 

Bidden wij vandaag dat Hij door onze dopelingen gaat spreken, vandaag bijzonder door Fazia, die dadelijk gedoopt zal worden en over een tijdje gezalfd, gevormd, en dat Hij later ook door die drie kinderen uit het gezin van vijf en door u allen en door mij zal spreken. Steeds meer en beter en dieper zullen wij begrijpen wie Jezus is en wat een rijkdom en vreugde het is zijn vriendinnen en vrienden te zijn. Hij heeft gezegd, bij het laatste avondmaal: “Ik noem u geen dienaren meer maar vrienden, want Ik heb jullie alles meegedeeld wat ik van de Vader heb gehoord.” Zo zal het zijn.

Zalig Pinksteren. Amen.

 

Nico van der Peet

 

------------------------------------------------------------

[1] Handelingen 2, 1-11; Galaten 5, 16-25; Johannes 15, 26-27; 16, 12-15


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                        zevende zondag van Pasen, 16 mei 2021[1]

 

 'Zij keerden van de berg terug naar Jeruzalem. Daar aangekomen gingen zij naar de bovenzaal (de zaal van het laatste avondmaal). Daar bleven zij eensgezind volharden in het gebed samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus en zijn broeders.’

  Wat gebeurde er vlak na de Hemelvaart van Jezus?

‘Zij keerden van de berg terug naar Jeruzalem. Daar aangekomen gingen zij naar de bovenzaal (de zaal van het laatste avondmaal). Daar bleven zij eensgezind volharden in het gebed samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus en zijn broeders.’

Tussen hemelvaart en Pinksteren bidden zij, zoals ook wij nu in deze noveen van Pinksteren bidden om de heilige Geest. “Geest die waakzaam zijt en sterk, hoed het schip van Christus’ kerk”, zullen wij na de Communie horen zingen.

 

Petrus neemt in die dagen tussen hemelvaart en Pinksteren het woord om een delicate kwestie te bespreken.

Hij komt terug op die bewogen avond die zij met Jezus hebben doorgebracht in de bovenzaal. Ja, Petrus spreekt vooral over wat er daarna, in die dramatische avond gebeurde, toen de avondmaaltijd voorbij was, het Lichaam gebroken, het Bloed vergoten, onder de oude tekenen van brood en beker.

Judas was al eerder vertrokken. Hij ging Jezus overleveren, in handen spelen van de soldaten, het begin van het einde van Jezus.

Ook het begin van het einde van Judas, die zich uit wroeging het leven benam.

 

De eerste groep volgelingen, de apostelen en de vrouwen, was uit elkaar gevallen, ontredderd. Bij de eerste lakmoesproef ging het al mis.

Het had zomaar kunnen gebeuren dat we er niets meer over gehoord hadden.

Maar wij weten dat het anders liep.

Op de derde dag na Jezus’ kruisdood hadden sommigen de ervaring dat Hij weer leefde, dat Hij hen weer riep, dat Hij, de verrezen Jezus, hen had vergeven: hun vlucht, hun angst, dat ze nog geen uur met Hem hadden kunnen waken, dat Petrus Hem had verloochend.

 

De kerk was op een dood punt gekomen. Zij had niet thuis gegeven toen het erop aan kwam. Zo ging het toen, zo gaat het nog steeds, in het leven van de kerk en in uw of mijn persoonlijke leven. Soms lijkt veel middelmatig of zelfs mislukt, vergeefs, onder de maat.

Het is de opgestane Heer die hen, die ons over het dode punt heen leidt.

Je kunt jezelf niet aan je haren uit het moeras trekken, daar heb je een ander voor nodig, daar heb je dé ander voor nodig.

Zo is het gegaan met Petrus vooral, die tot driemaal toe, toen het hem te heet onder de voeten werd, doodleuk verklaarde dat hij Jezus niet kende. Het ongelooflijke gebeurt. Hij vindt vergeving, een nieuwe kans. Jezus schenkt hem de absolutie. Die vrijspraak en vergeving moet hij nu doorgeven.

Boete, verzoening, vergeving die ons in Jezus’ Naam door de kerk wordt gegeven.

 

Niet omdat Petrus nu zo goed was, werd hij vergeven. Hij werd uiteindelijk goed omdat de Heer hem vergaf, weer zijn liefde gaf, zijn vergevende liefde. Wij ontvangen die liefde niet omdat wij zo goed zijn. Een mens wordt goed omdat hij of zij liefde ontvangt.

 

Op dat punt gekomen ziet Petrus de tragische schade onder ogen die de kerk heeft opgelopen: de lege plaats van Judas.

Hoe ga je om met de mislukking, het verraad in jouw leven? Blijf je je daarin wentelen? Nee, Petrus maakt een nieuw begin.

Hij zet de apostelen, de vrouwen, Maria en al die anderen aan tot gebed.

“U, Heer, die de harten van alle mensen kent, wijs degene aan die U hebt uitgekozen om de plaats te bezitten in dit dienstwerk en apostelambt”.

De kerkgemeenschap lost haar problemen bij voorkeur niet op door eindeloze disputen, maar door gebed, door te luisteren naar de Heilige Geest.

 

We hebben het wel eens geprobeerd die langdurige debatten en discussies. En soms steekt die neiging weer de kop op. In de kerk kan er natuurlijk worden gedebatteerd, maar er moet toch vooral worden geluisterd, gebeden.

 

Wat moet de nieuwe apostel doen?

Hij mag getuige worden van de verrijzenis van Jezus. Dat is de kern van ons geloof. Er is opstanding mogelijk uit de dood, uit de mislukking, zelfs uit verloochening en verraad.

 

In het evangelie horen wij Jezus bidden voor zijn kerkgemeenschap die na zijn hemelvaart verder moet in de wereld. Zoals een mens een weg in het leven moet zoeken na het verlies van de meest dierbare in haar of zijn leven. Hij bidt tot God dat wij zijn vreugde ten volle in ons zouden bezitten. Leven uit de vreugde van Jezus. Wat voor tegenslagen er ook op het pad van de kerk zouden komen. Wij weten allen: dat zijn er heel veel geweest en nog. Maar wij zijn niet alleen. Jezus is teruggegaan naar zijn Vader. Daar, opgestaan uit de dood, verheven aan de rechterhand van de Vader, bidt Hij voor ons. Zijn Moeder spreekt voor ons ten beste.

 

Opdat wij kunnen leven, het dode punt voorbij.

Hij bidt voor ons, vuurt ons aan door zijn Geest, -zullen wij volgende week op Pinksteren vieren. “Trooster, die met wond’re krachten bijstaat wie in leed versmachten; wees ons op de levenszee: vaste baak en veilige ree.”

Amen.

 

Nico van der Peet

-------------------------------------------------------------------------

[1] Handelingen 1, 15-17.20a.20c-26;1Johannes 4, 11-16; Johannesevangelie 17, 11b-19


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 9 mei 2021

                       zesde zondag van Pasen[1]

 

“Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.”

Liefde legt het zwaartepunt van het leven bij het geluk, het leven van de ander. Dat geeft een diepere vreugde dan alleen voor mijzelf te leven, mijn eigen goals te halen. Liefde geeft zichzelf, in het meest ernstige geval zelfs zijn of haar eigen leven.

 

Deze week las ik een bericht in het Nederlands Dagblad, een kleine protestantse krant, die opvallend vaak berichten plaatst over feiten en gebeurtenissen uit de katholieke wereld. Niet steeds berichten om als katholieke lezer heel trots op te zijn. U weet het: onze wereldwijde kerk heeft vele gezichten. Soms zou je weg willen kruipen van schaamte en ergernis, en soms - gelukkig - is je vreugde volkomen.

 

Van dit bericht werd ik een beetje stil en ontroerd.

U weet ongetwijfeld dat Italië van alle landen in Europa het zwaarst getroffen is door de corona-pandemie. Onder de vele te betreuren overledenen in Italië worden ook 269 diocesane priesters geteld, priesters dus die niet tot een religieuze orde of congregatie behoren maar tot een bisdom, zoals ik ook. Er zijn dus waarschijnlijk nog veel meer slachtoffers in de gelederen van de geestelijken. 269 priesters die actief zijn in de parochiële zielzorg hebben hun leven verloren als gevolg van een covid19-besmetting, meestal opgelopen, las ik, bij het bezoeken van besmette mensen, thuis, in het ziekenhuis, de intensive care. Het is de Italianen opgevallen en het heeft hen getroffen, las ik in het bericht in deze protestantse krant, dat talloze priesters dichtbij de mensen bleven, de zieken, de eenzamen en geïsoleerde mensen.

Talloze Italianen beschouwen het als een troost. Vaak komen priesters in het nieuws die klerikaal zijn, inhalig, begerig, over de schreef gaan. Maar nu blijken er ook velen te zijn die hun roeping - Christus’ liefde na te volgen - royaal zijn trouw gebleven, ook met gevaar voor eigen leven.

 

Vandaag lezen wij uit Jezus’ laatste gesprekken.

Hij spreekt over de kern van zijn leven, die Hij wil nalaten aan zijn leerlingen, die Hij niet langer dienaars noemt maar vrienden.

“Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.”

Wij spreken en horen graag over de liefde. Van de kerk wordt verwacht dat daar de liefde de grootste is. En terecht. Vandaag geeft Jezus een definitie van de liefde zoals Hij die verstaat, beleeft en ons nalaat, als testament.

 

De Kerk heeft ons veel te leren. Zij kent vele dogma’s, rituelen, regels, opvattingen, voorwaarden om er helemaal bij te horen. Wij leren die regels in de catechese, de prediking. Velen nemen er kennis van, worden erdoor aangetrokken of juist afgestoten, soms zozeer dat zij de kerk de rug toe keren, ik sprak u daar deze maand eerder over. Voor menigeen heeft de kerk geloofwaardigheid verloren.

 

Maar in Italië is tijdens de pandemie de meest heldere catechese geven, onderricht in het leven, de leer en de liefde van Christus door die 269 priesters die hun leven hebben verloren, hebben gegeven en door talloze andere geestelijken, verpleegkundigen, ziekenverzorgers, bezoekers, mantelzorgers van talloze oude, eenzame en zieke mensen.

 

“Als gij mijn geboden onderhoudt zult jij in mijn liefde blijven…”

Wat is het gebod, wat zijn de geboden? Jezus geeft vandaag het antwoord:

“Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt zoals Ik u heb liefgehad”. Hij heeft uit liefde zijn leven gegeven.

 

“Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.”

Liefde legt het zwaartepunt van het leven bij het geluk, het leven van de ander. Dat geeft een diepere vreugde dan alleen voor mijzelf te leven, mijn eigen goals te halen. Liefde geeft zichzelf, in het meest ernstige geval zelfs zijn of haar eigen leven.

 

Dit zeg Ik u opdat mijn vreugde in u moge zijn en uw vreugde volkomen mag worden”. Die gevende liefde schenkt een volkomen vreugde. Niet wat oppervlakkig plezier en vluchtig vertier. Maar volkomen vreugde. De diepste vreugde in ons leven, leert Jezus ons, bestaat niet in het bevredigen van mijn behoeften, maar in het mijzelf geven, loslaten, het zwaartepunt van mijn leven bij de ander leggen, een geliefde, een mens in nood, een zieke, een eenzame, een kwetsbare mens, een ouder, een kind.

 

Vandaag is het moederdag. Deze dag laat ons stilstaan bij die meest intense liefde die - als het goed is - iedere mens ondervindt of heeft ondervonden: de liefde van je moeder die jou zonder enige voorwaarde heeft gewild en heeft liefgehad; die jouw leven wilt en aanvaardt zonder dat je daarvoor grote prestaties hoeft te leveren, een liefde die alles geeft. Zoals ons communielied dadelijk zal zingen: “Liefde, liefde zal geen woord meer zijn. Lichaam en zwijgen: genoeg.”

 

In deze meimaand richten we onze blik ook op Maria, de Moeder van de Heer, die bij haar Zoon blijft, Hem volgt, ook op een weg, ja op een kruisweg die zij niet begreep en die haar hart, zoals het evangelie het zegt, als Hij nog maar een kind is, met een zwaard heeft doorboord. Laten wij haar onvoorwaardelijke liefde volgen, opdat de vreugde van haar Zoon in ons moge zijn en onze vreugde volkomen mag worden. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-------------------------------------------

[1] 1 Johannes 4, 7-10; Johannes-evangelie 15, 9-17