Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, hoogfeest Kerkwijding

                      12/13 oktober 2019[1]

 

 

“Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. Ik geef hun eeuwig leven”.

Deze woorden sprak Jezus toen Hij in zijn dagen het tempelwijdingsfeest vierde. Zo ongeveer het feest dat wij vandaag vieren. U ziet op de voorkant van het boekje bisschop Punt die op 12 oktober 2014 ijverig het nieuwe altaar aan het zalven is met de geurige heilige Olie, het Chrisma.

 

 Jezus hield van de tempel in Jeruzalem. Als Kind namen zijn ouders Hem er mee naar toe. Hij was pas twaalf. Na een groot godsdienstig feest bleef Hij in de tempel achter. Toen zijn ouders Hem vonden na drie dagen zei Hij; “Wist u dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?”

 

Waarom bleef Jezus graag in de tempel?

Er waren mensen die naar Hem luisterden. Wat is er nu fijner dan dat. Zeker als je twaalf bent. Hij sprak met oudere mensen over het geloof, de heilige Schrift, het oude geloofsverhaal.

Nu doet Jezus als volwassen man hetzelfde. Hij gaat weer naar de tempel, het huis van gebed voor alle volkeren en alle leeftijden en luistert en spreekt. “Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en ze volgen Mij. Ik geef hun eeuwig leven”. Wat is er nu mooier dan als volwassene met jongere mensen te spreken over de echt belangrijke verhalen van het leven, van het geloof? Wanneer we even de telefoon en de vluchtige actualiteit van de dag loslaten en het weer eens ergens over hebben met elkaar, en vooral met de jongeren?

 

Op 15 september begon onze nieuwe stagiair, pater Albert Toppo, met zijn stage. Hij stelde zich onlangs al aan u voor en sommigen die hier in de kerk komen, hebben na afloop al even met hem gesproken, op de stoep voor de kerk. Hij weet te luisteren en te spreken: hij spreekt al bewonderenswaardig goed Nederlands. Op die 15de september gaf ik hem een rondleiding door Amsterdam-Noord, met mijn auto, mondkapjes op. Ik bracht hem naar voor ons, voor mij belangrijke plekken, naar al onze vroegere kerken bracht ik hem. Een enkele kerk, de Pastoor van Ars in dit geval, konden we ook even binnengaan.

 

Een stagiair moet na afloop een beredeneerd verslag schrijven van wat hij heeft gezien en ervaren. Ik citeer met goedvinden van pater Albert een passage uit zijn stageverslag over die dag:

 

“Wij hebben vandaag oude kerken bezocht en dat vond ik heel interessant. Die kerken gaan een nieuwe bestemming krijgen. Ik voelde me een beetje verdrietig over het verkopen van de oude kerken. Maar ik besefte ook dat de kerken gewone gebouwen zijn. Wij hebben geen God verkocht noch gelovigen. Wij hebben alleen de gebouwen verkocht waarin wij God konden ervaren. Wij kunnen nog steeds God ervaren in ons eigen hart. Gods plan is niet ons plan. God zou misschien zijn kerk op een andere manier bouwen. Ik zal daar open voor staan en geloven als een gelovige. Het is een uitdaging voor me om Gods aanwezigheid te zien in mijn hart en in het hart van de mensen. Het was echt gezellig en leerzaam”.

Tot zover het citaat van one stagiair.

 

Ik wilde dat ik die zin had bedacht:  “Wij hebben geen God verkocht noch gelovigen.” Wat een zin vol waarheid, schoonheid en troost. “Wij hebben alleen gebouwen verkocht waarin wij God konden ervaren. Wij kunnen nog steeds God ervaren in ons eigen hart”. De gebouwen zijn tijdelijke plaatsen voor God en zijn mensen, maar God en de mensen blijven. De kerk moet nu op andere manier gebouwd worden. “Ik zal daar open voor staan en geloven, als een gelovige”.

Hoe mooi is dit. Op dit kerkwijdingsfeest krijgen wij dat mee. For the time being hebben wij dit gebouw mogen ontvangen, renoveren en door de bisschop is het besprenkeld, gezalfd, bewierookt en opnieuw in gebruik genomen door de eerste viering van de eucharistie op dit geconsacreerde altaar.

“Wij kunnen nog steeds God ervaren in ons eigen hart”. Precies. Ons eigen hart is ook een altaar. Bij het heilig Doopsel en Vormsel is dit hart besprenkeld en gezalfd. En dadelijk wordt het tijdens de offerande weer bewierookt.

 

Ons lichaam, ons hart, onze gedachten, woorden en daden vormen een altaar, een tempel waarin God geëerd en gediend kan worden. Jesaja, in de eerste lezing, waarin hij spreekt over het huis van gebed, zegt iets over die eredienst van ons hart en ziel en van heel ons leven: “Onderhoudt het recht, beoefent de gerechtigheid”…houd vast aan het verbond, de vriendschap met God en de mensen. Als je zo leeft zijn je “brand- en slachtoffers welgevallig op mijn altaar”.

 

“We hebben geen God verkocht noch gelovigen”.

Nee, wij zijn gekocht, vrijgekocht door Jezus die Zichzelf heeft gegeven, geofferd op het altaar van het kruis. “Wij kunnen nog steeds God ervaren in ons eigen hart”. Laten wij dat doen, in de binnenkamer van de tempel die we zelf zijn en op deze plaats voor God en zijn mensen.  “Gods plan is niet ons plan.” Moge dit gebouw ons nog vele jaren gegund zijn, volgens Gods wil en tot zijn eer. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------

[1] Jesaja 56, 1.6-7; 1Petrus 2, 4-9; Johannes, 10, 22-30


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 4 oktober 2020

                       27ste zondag door het jaar[1]

 

“Wees geprezen, mijn Heer”, zong de heilige Franciscus van Assisi. In dit mooie lied, het Zonnelied, herinnerde hij ons eraan dat ons gemeenschappelijke huis, de aarde, ook als het ware een zuster is met wie wij het bestaan delen, en als een mooie moeder die ons in haar armen neemt: “U zij de lof, mijn Heer, om onze zuster aarde, die ons voedt en leidt en verscheidene vruchten voortbrengt met kleurrijke bloemen en gras”.

 

Op deze vierde oktober begin ik met woorden van paus Franciscus. Woorden uit zijn encycliek Laudato Sí, vijf jaar geleden gepubliceerd, en actueler vandaag nog dan toen. Gisteren presenteerde de paus weer een encycliek, een grote brief, nota bene in Assisi, de stad van sint Franciscus, gestorven op 3 oktober van het jaar 1226, 44 jaar oud. Vandaag gedenkt de wereldkerk deze unieke heilige, die meer dan welke heilige op Jezus leek, voor Wie hij al zijn rijkdom, zijn welgestelde familie en positie opzij zette. Voor Jezus, van Wie hij zelfs de wonden in zijn lichaam droeg.

 

Nog een paar woorden van de paus die de naam heeft aangenomen van de kleine arme van Assisi:

“Deze zuster, onze aarde, protesteert om het kwaad dat wij haar hebben aangedaan, vanwege het onverantwoorde gebruik en het misbruik van de goederen die God in haar heeft gelegd.  Wij zijn opgegroeid met het idee dat wij haar eigenaar en heer waren, bevoegd om haar te plunderen. Het geweld dat in het, door de zonde gewonde hart van de mens aanwezig is, wordt ook zichtbaar in de ziektesymptomen die wij in de bodem, het water, de lucht en de levende wezens gewaarworden. Daarom is er onder de meest in de steek gelaten en slecht behandelde armen onze onderdrukte en verwoeste aarde, die “kreunt en barensweeën lijdt.”[2] Wij vergeten dat wij zelf aarde zijn. Ons lichaam zelf wordt gevormd door de elementen van de planeet, haar lucht geeft ons adem en haar water schenkt ons leven en verkwikt ons.”

 

Een maand geleden moest mijn auto voor een onderhoudsbeurt naar de garage. Ik mocht met een kopje koffie van de zaak wachten in de showroom. Wat moest ik doen met die wachttijd? O ja, ik zou die encycliek nog eens lezen. Zo klapte ik mijn laptop open en zocht op het internet naar de tekst. Tussen de glimmende, benzine-slurpende nieuwe auto’s, die ons verleiden te blijven rijden wat het ook kost aan vervuiling, las ik gefascineerd de pauselijke brief.

 

Vandaag horen wij de bijbelse verhalen over de wijngaard. Zowel Jesaja als Jezus vergelijken de geloofsgemeenschap, het goede land van beloften dat wij mogen bewonen, met een wijngaard. Is er op aarde wel iets mooiers dan een wijngaard? “Ik wil zingen voor mijn vriend, zingen het lied van mijn vriend en zijn wijngaard”. Een wijngaard is beeldschoon, De wijnstokken in het gelid, de weelderige druiventrossen die wachten op de oogst. Nu is het de tijd van de oogst, dit prachtige deel van het jaar. De druiven worden geperst en voor wie geduld heeft wacht een nog subliemer oogst: de wijn, die het hart van de mens verblijdt en verwarmt. Zo spreekt de bijbel over onze aarde, onze samenleving, de geloofsgemeenschap. Maar de poëtische woorden van Jesaja en Jezus lopen uit op bittere teleurstelling. Jezus spreekt niet tot de gelovigen, de Israëlieten, de joden. Die fout is vaak gemaakt. Met verschrikkelijke gevolgen, pogroms, moord en doodslag. Nee. Hij spreekt tot de hogepriesters en de oudsten van het volk. Zij stellen zwaar teleur. De wijngaard, het huis van Israël hebben zij zich toegeëigend, ze wilden de heerlijke oogst voor zichzelf; de profeten en de zoon gooiden zij eruit, weg uit de stad, daar werd Hij gedood.

 

De kerk laat ons deze woorden lezen. ZIj gelden ook voor christenen. Laten zij niet denken dat de wijngaard hun eigendom is. De paus confronteert ons daarmee. Ook nu zijn er hogepriesters en schriftgeleerden die zichzelf verrijken. Paus Franciscus aarzelt niet hen van hun waardigheid te ontdoen en hen eruit te gooien. En ook wij moeten in de spiegel kijken en zien of wij vruchten voortbrengen. “De wijngaard van de Heer der hemelse machten is het huis van Israël. Zijn bevoorrechte planten zijn de mensen van Juda. Hij zag geen betrachting van recht, maar verkrachting van recht”.

 

Paulus, in de tweede lezing van vandaag, helpt ons op weg. Hij stelt ons voor waar wij, levend en werkend voor de wijngaard van het leven, vooral aandacht voor mogen hebben: voor “al wat waar is, wat edel is, rechtvaardig en rein, beminnelijk en aantrekkelijk, al wat deugd heet en lof verdient”. Mooie eigenschappen in onze wat harde en schreeuwerige, onzekere en moeilijke tijd.

 

Op deze vierde oktober citeer ik tenslotte nog een paar zinnen uit de encycliek van onze paus:

“Franciscus van Assisi liet een bijzondere aandacht zien voor de schepping van God en voor de armsten en degenen die het meest in de steek worden gelaten. Hij had lief en werd bemind om zijn vreugde, zijn edelmoedige toewijding, zijn universeel hart. Hij was een mysticus en een pelgrim die eenvoudig leefde in een wonderbaarlijke harmonie met God, de ander, de natuur en zichzelf. In hem kan men vaststellen hoezeer zorg voor de natuur, gerechtigheid jegens de armen, inzet in de samenleving en innerlijke vrede niet te scheiden zijn.”

Amen

 

 Nico van der Peet

 

 

Afbeelding: Giotto, Franciscus preekt tot de vogels (bovenkerk Assisi)

---------------------------------------------

[1] Jesaja 5, 1-7; Filppenzen 4, 6-9; Matteüs 21, 33-43

[2] Romeinenbrief 8, 22


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 20 september 2020

                      25ste zondag door het jaar.[1]

 

Natuurlijk is de tempel, de kerk heel belangrijk en een bevoorrechte plaats om God te vinden, samen met jouw zusters en broeders in het geloof. Dat sterkt je geloof, je band met God en zijn gemeenschap. Maar God maakt zich niet geheel afhankelijk van de tempel, de kerk. Hij laat zich ook vinden wanneer de kerk gesloten is, de tempel ver weg is.

 

 

“Zoek de Heer nu Hij zich vinden laat”.

Deze oproep God te zoeken richtte de profeet Jesaja tot de mensen die eigenlijk niet goed meer wisten waar zij God konden vinden. Hun vertrouwde bestaan was door elkaar geschud. Een beetje vergelijkbaar wel met de corona-tijd waarin wij leven. Zij konden niet meer naar de tempel gaan, naar de plaats van gebed en liturgie. Veel gelovigen leefden gedwongen in het buitenland, als ballingen, ver weg van hun stad, hun tempel, hun vertrouwde bestaan.

De tempel is onbereikbaar, de vertrouwde liturgie is iets van vroeger en de mooie liturgische gezangen worden niet meer gezongen. Hoe kun je zonder dat alles God nog vinden, een plaats geven in jouw bestaan?

 

Ook wij worden daar mee geconfronteerd. Wie bijvoorbeeld altijd zeer heeft gehecht aan de koorzang, aan mooie missen en liederen, wordt nu op de proef gesteld. Vind ik een andere manier om God te zoeken, te eren, Hem te smeken?

 

Jesaja, de profeet, is heel hoopvol. Tegen die ballingen, die niet naar de tempel kunnen, zegt hij: “Zoek de Heer nu Hij zich laat vinden, roept Hem aan nu Hij nabij is.”

Natuurlijk is de tempel, de kerk heel belangrijk en een bevoorrechte plaats om God te vinden, samen met jouw zusters en broeders in het geloof. Dat sterkt je geloof, je band met God en zijn gemeenschap. Maar God maakt zich niet geheel afhankelijk van de tempel, de kerk. Hij laat zich ook vinden wanneer de kerk gesloten is, de tempel ver weg is.

 

In het evangelie van Johannes lezen wij ergens dat Jezus sprak over de tempel van zijn Lichaam. God woont dus niet alleen in fraaie gebouwen van steen, marmer en glas, maar ook in de tempel van mensenharten. Zo dichtbij is God. Ons hart, ons innerlijk, ons leven, ons rechtvaardig, liefdevol werken en leven vormen een tempel waarin hij kan wonen. Sint Augustinus heeft ooit geschreven: “God is dichter bij ons dan u, dan ik onszelf nabij zijn”.

Ik zoek overal en nergens God. Ik stel mij diepe vragen waar ik Hem kan vinden, diep in de aarde of hoog in de hemel, in visoenen en verschijningen. Maar ik hoef zo ver niet te zoeken, schrijft Augustinus. Als man van in de dertig ontdekt hij eindelijk dat hij het niet moet zoeken in allerlei geheimzinnige ideeën, leerstellingen en verschijningen. God woont in mijn hart. Hij probeert in mijn leven aan het woord te komen, wanneer ik eindelijk zo nederig geworden ben dat ik de rust en de bescheidenheid vind om naar Hem te luisteren.

 

Jesaja zegt: “de ongerechtige moet zijn weg verlaten, de zondaar zijn gedachten; hij moet naar de Heer terugkeren”. We vinden God als wij recht doen, rechtvaardig handelen ten opzichte van onze naaste. Ook al ben je in de tempel, terug in Jeruzalem, terug in de kerk, maar jouw bestaan is onrechtvaardig en zonder oog voor de armsten en meest verlaten mensen, dan leef je toch ver van God.

 

Ook al is het corona-tijd en leven veel mensen uit voorzichtigheid ver van de kerk, de liturgie, de heilige Communie, ook al kunnen zij alleen geestelijk communiceren, toch is God u en mij heel nabij, misschien op een andere manier dan vroeger, toen alles heel vanzelfsprekend was en we konden gaan en staan waar we wilden en met zovelen als wij wilden.

 

Wij nemen de mensen en zelfs God de maat. Ik heb dit of dat niet verdiend want ik was altijd dichtbij u en uw kerk. En hij of zij die je nooit ziet gaat het goed! Hoe begrijpelijk en menselijk is dit. Maar God wacht op iedere mens, hoe ver hij of zij ook leeft van zijn gemeenschap, zijn tempel, zijn kerk.

 

God zoekt contact met al zijn mensen. De werkers van het eerste uur die altijd al bij Hem waren in de wijngaard van het leven, het geloof, de tempel en de kerk. Hij zoekt evenveel en even innig contact met de mensen die er pas later bij gekomen zijn, die geen grote prestaties hebben verricht voor de kerk, die pas zelfs op het laatste moment, ter elfder ure, er bij gekomen zijn.

 

Laten wij onze oude wegen verlaten, laten we terugkeren, zoeken naar onze God, die altijd wil vergeven en die wacht tot wij zijn wijngaard in willen gaan, tot wij ons laten vinden, ieder op haar of zijn eigen uur. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

--------------------------------------------------------

[1] Jesaja 55, 6-9; Filippenzenbrief 1, 20c-24.27a; Matteüs 20, 1-16a


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 6 september 2020

                       23ste zondag door het jaar[1]

 

“Als er twee of drie in mijn Naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden”.

 

Die mogen wij hooghouden, zusters en broeders, de kerk van Jezus. Hij hecht grote waarde aan ons, zijn gemeenschap. Wat wij hier binden, samenbinden, in zuster-  en broederschap, in vriendschap, in gebed, dat is ook in de hemel gebonden. Wat wij doen aan ons geloof, onze hoop en onze liefde heeft gelding in de hemel, blijft in eeuwigheid.

 

“Als er twee of drie in mijn Naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden.”

Zo begint een mooi lied van het Stephanuskoor dat ik in de loop der jaren vaak en graag heb gehoord en meegezongen. Wat verlangen we naar de tijd dat wij weer onbevangen kunnen zingen, uit volle borst.

 

Het zijn de laatste woorden van het evangelie van vandaag. Je mag wel haast zeggen dat God die twee of drie en meer mensen nodig heeft.

Jezus hecht grote waarde aan zijn kerk.  Wij lazen een stukje uit het 18de hoofdstuk van het evangelie volgens Matteüs. Dat hoofdstuk is geheel gewijd aan de kerkgemeenschap.

 

 

Wat blijkt? De kerk is van beslissend belang voor de mensen en voor God. Zonder een gemeenschap van mensen gebeurt er niets. Als we uiteenvallen, ons terugtrekken in ons individuele leventje dat wordt het niks. Vroeger leerden we: buiten de kerk is er geen heil. Dat was een beetje te kras, te hard, maar er zit iets in.

 

Nu hoef ik u niet uit te leggen dat de kerk het zwaar heeft. Zij is in onze streken, in ons land, in grote delen van Europa klein geworden. En deze corona-crisis doet er geen goed aan. Vinden wij elkaar nog terug als de pandemie overwonnen is en alle plaatsen weer mogen worden bezet? Zullen zij dan weer allemaal bezet zijn?

 

Deze week las ik een interview met een kardinaal, de aartsbisschop van Luxemburg. Hij voorspelt dat de terugloop tien jaar versneld is door deze pandemie, door de maandenlange sluiting van de kerken en door de voorzichtige heropening met een beperkt aantal kerkgangers.

 

“Als er twee of drie in mijn Naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden.”

Twee of drie is al genoeg, zegt Jezus. De kerk moet dus niet noodzakelijk heel groot zijn en massaal. Dat is zelfs beter niet het geval. In de geschiedenis is dat nooit lang goed gegaan, zo’n massale volkskerk.

Velen deden, goed bedoeld, mee omdat het nu eenmaal zo hoorde, door sociale dwang en controle. Daar hoeven we niet naar terug te verlangen. Wie nu komt, of, verlangend naar de kerk te komen voorlopig nog kijkt naar livestream of televisie, is vanuit haar of zijn hart gemotiveerd. Ook worden we misschien allemaal wel verleid om op te geven in onze zeer ontkerkelijkte maatschappij.

 

Toen ik dertien jaar was werd Adrianus Simonis, deze week in de Heer ontslapen, bisschop van Rotterdam. Onze Nederlandse katholieke kerk, ja ons land stond op zijn achterste benen. Jonge mensen kunnen zich dat nauwelijks voorstellen. Hoe kon en mocht het gebeuren dat zo’n behoudende priester bisschop werd. Ook mijn familie was tot op het bot verdeeld. Ademloos luisterde ik naar felle geloofsdiscussie tijdens de verjaardagen van mijn ouders. In 1971 stonden we - achteraf gezien - nog maar aan het begin van het verbijsterende proces van ontkerkelijking.

 

Monseigneur Simonis werd eminentie: aartsbisschop van Utrecht, kardinaal. Een paar keer heb ik hem gesproken. Een keer in aanwezigheid van koningin Beatrix, die hem, die toen toch al meer dan tien jaar kardinaal was, aansprak, niet met de correcte kardinaalstitel ‘eminentie’, maar hem hardnekkig en abusievelijk  ‘monseigneur’ bleef noemen. Hij incasseerde de koninklijke vergissing rustig, maakte een diepe buiging en in dezelfde beweging keerde hij zich om en was vlug verdwenen. Hij leek mij geen society-bisschop, geen receptie-tijger.

 

Op zijn oude dag ontmoette ik hem in Lourdes. Hij kwam op het idee alle in Lourdes aanwezige Nederlandse priesters, diakens en pastoraal werkers uit te nodigen voor een borrel, in het hotel waar hij verbleef. Het werd één van de meest genoeglijke kerkelijke samenkomsten die ik ooit heb mogen beleven. De oude kardinaal kon niet lang staan. Hij had plaatsgenomen in een zeer lage crapaud, een zetel uit het jaar nul, die ons, iets jonger, noodzaakte, om met hem te kunnen spreken, door de knieën te gaan. Niet uit kruiperigheid, integendeel. Het werden genoeglijke, vriendelijke tête-a-têtes, waarin hij - de man die alle polarisatie en kerkelijke ruzie allang achter zich had gelaten - sprak over zijn vertrouwen, zijn hoop, zijn liefde voor de kerkgemeenschap. ‘Uw enige schuld blijve de onderlinge liefde’.

 

“Als er twee of drie in mijn Naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden”.

Die mogen wij hooghouden, zusters en broeders, de kerk van Jezus. Hij hecht grote waarde aan ons, zijn gemeenschap. Wat wij hier binden, samenbinden, in zuster-  en broederschap, in vriendschap, in gebed, dat is ook in de hemel gebonden. Wat wij doen aan ons geloof, onze hoop en onze liefde heeft gelding in de hemel, blijft in eeuwigheid.

 

God heeft u en mij en onze hele gemeenschap nodig om zuster- en broederschap te brengen in deze buurt, in Noord, in deze wereld. Het maakt uit of u al dan niet naar de kerk komt, bij de kerk hoort, hoe aards en zondig en bedroevend zij er soms ook uit ziet, zich soms uit en gedraagt.

 

Jezus heeft geen gemeenschap gevormd van grote heiligen, maar van gewone vrouwen en mannen: vissers, moeders van gezinnen, tollenaars (Matteus, de evangelist was er voor zijn bekering zelf één), publieke vrouwen en - in het geniep - zondige mannen. Toen Jezus hen riep en samenbracht waren zij niet heilig. Hij nodigde hen uit, Hij nodigt ons uit het te worden. Mensen die met groot geduld naar elkaar luisteren. Luisteren: dat is het belangrijkste woord in ons evangelie. Mensen die naar elkaar luisteren, hun polarisatie, hun heilloze verdeeldheid achter zich laten, zich laten verzoenen met elkaar. Mensen die niet blijven hangen in hun gelijk, maar eensgezind bidden voor de kerk en voor de wereld.

 

En wij zullen het verkrijgen van Jezus’ Vader die in de hemel is. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-------------------------------------------------------------

[1] Ezechiël 33, 7-9; psalm 95; Romeinenbrief 13, 8-10; Matteüs 18, 15-20


Verkondiging Feest van Sint Augustinus (22ste zondag door het jaar)

                       in De Nieuwe Augustinus, 30 augustus 2020[1]

 

 

Weer komen wij vandaag Simon Petrus tegen, de belangrijkste leerling van Jezus. Petrus, zijn naam betekent ‘rots’: op deze steenrots zou Jezus zijn kerkgemeenschap bouwen.

 

 

Wij hebben vorige zondag gehoord hoe stoer Petrus was. Hij keek niemand naar de ogen, hij gaf eerlijk, vanuit zijn hart zijn mening. Het hoge woord kwam eruit. Jezus had gevraagd: ‘wie zeg jij dat Ik ben?’ En Petrus had geantwoord, vanuit zijn grote hart, zijn stormachtig gemoed: ‘U bent de Christus, de gezalfde, de Zoon van de levende God’.

 

Gelukkig heb je zulke mensen die eens grote woorden in hun mond durven nemen, die niet alles relativeren, tot er bijkans niets meer overblijft aan geestdrift en geloof. Ik moet nu denken aan een van de jongere priesters van ons bisdom. Hij is zeer getalenteerd, is voor niemand bang en volgt zijn hart. Onder de priesters is hij daardoor niet erg populair. Velen voelen zich ongemakkelijk (of misschien wel een beetje afgunstig) omdat hij alles durft, alle middelmatigheid en conformisme  achter zich laat, geen slap compromis zoekt, maar durft door te pakken. Ik behoor tot degenen die hem steunt, niet omdat ik het altijd met hem eens ben, verre daarvan. Maar een kerkgemeenschap zonder mensen met vuur, durf, risico en geestdrift is ten dode opgeschreven.

 

Ook Petrus was zo’n vuurvreter.

De schaduwzijde is dat zo’n persoonlijkheid op zijn gezicht kan gaan, om het eens netjes te zeggen.

Vandaag horen wij Petrus voor de eerste keer op zijn gezicht gaan.

Hij die Jezus had geprezen, Hem had erkend als de Messias, de Zoon van God, wil een stokje steken voor de plannen van Jezus, zijn aanbeden Heer. Hij wil niets weten van de risico’s die Jezus loopt, hij wil niets weten van lijden en sterven. “Dat moet God tegenhouden, Heer! Zoiets mag U nooit overkomen”. In zijn enthousiasme ziet Petrus voorbij aan de ware Jezus. Hij wil een succesverhaal, in zijn wereldbeeld passen geen mislukking, kruis en lijden. Jezus moet op hem, Petrus lijken. Terwijl een christen, een volgeling van Jezus nu juist mag gaan lijken op Christus.

 

Het is van alle tijden dat mensen de godsdienst als middel gebruiken voor hun eigen plannen. De kerk, de godsdienst worden ingezet om aan de macht te komen of te blijven. Petrus moest nog veel leren. Hij zal zich moeten bekeren van een verloochenaar van de weg van Jezus tot een echte volgeling, die zijn Heer volgt in zijn harde weg door lijden en kruis naar een nieuw, bevrijd bestaan.

 

Maar Petrus blijft een prachtige figuur en ondanks of juist dankzij zijn eerlijke zoeken, op zijn gezicht gaan en weer opstaan kan hij de leider van de kerk worden. Hij wordt pas onfeilbaar als hij zijn persoonlijke feilen onder ogen heeft gezien, erdoorheen gegaan is. Hij werd, om Paulus te citeren, ‘een andere mens, met een nieuwe visie’.

 

Vandaag vieren wij de patroonheilige van onze parochie, de heilige Augustinus. Ook al een man van grote woorden en beslissingen. Zijn leven en zijn keuzes worden voor ons steeds actueler. Evenals wij leefde hij in een eeuw waarin de kerk een minderheid was. In een provinciestadje, Hippo geheten, in Noord-Afrika, het huidige Tunesië, werd hij onverwacht bisschop. In die tijd leefden er veel christenen in Noord-Afrika. De Islam bestond nog niet. Hij maakte het mee dat zijn stad werd belegerd terwijl hij op zijn sterfbed lag. Hij voorvoelde dat alles wat hij had opgebouwd zou worden verwoest. Wat ook gebeurde. 

 

Als jonge man leefde hij er goed van, moest van het katholieke geloof van zijn moeder Monica niet veel hebben. Zij drong niets op maar bad dagelijks voor hem en plengde in stilte een vloed van tranen uit bezorgdheid voor haar los levende zoon. Hij was heel geleerd en zag vanuit de hoogte neer op het geloof. Maar het voorbeeld van zijn moeder, haar geloofwaardigheid en die van enkele andere gelovigen bracht hem naar de kerk. Daar werd zijn hart geraakt. De geleerde, bevoorrechte, wat arrogante, maar ten diepste onzekere man, liet zijn hart raken. Zo werd hij een andere mens, met een nieuwe visie.

 

Evenals Petrus aanbad hij niet langer zijn eigen beelden van wat leven is, wie God is. Hij leerde God kennen in Jezus, de Zoon van God, die zo nederig was dat Hij mens werd, het menselijk lijden en zelfs de dood niet schuwde, maar doorlééfde en overwon.

 

Wat mij ook fascineert aan Augustinus, dat hij, die eigenlijk heel extreem was, grote woorden sprak en diepe ideeën had en zich had thuisgevoeld in hoog, keizerlijk gezelschap, de rest van zijn leven, tientallen jaren lang, bleef wonen en werken in dat eenvoudige stadje in Noord-Afrika. Daar was hij een soort stadspastoor, die meeleefde met de mensen, die luisterde naar hun vreugde en hun sores. In het ogenschijnlijk gewone leven van alledag ontdekte hij de diepte, de schoonheid, de waarheid van het menselijk verlangen. Hij had niet langer behoefte aan geleerde, rijke kringen. Hij had God leren kennen, Jezus leren volgen in het gewone leven van een stadsparochie. Wat mooi dat onze parochie aan deze bijzondere heilige is toegewijd.

 

Moge onze parochiegemeenschap op voorspraak van Augustinus en van zijn grote voorbeeld, zijn moeder Monica, weer opbloeien; moge er weer nieuw enthousiasme komen en mogen we weer samenkomen, rond het woord, waarover Augustinus prachtig kon preken en rond de eucharistie, die hij dagelijks vierde. Zo moge het zijn. Amen.

 

N. van der Peet

 

--------------------------------------------------------

[1] Jeremia 20, 7-9; psalm 63; Romeinen 12, 1-2; Matteüs 16, 21 -27

Afbeelding: John Nava, Augustinus van Hippo, kerk in Ohio


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 23 augustus

                       21ste zondag door het jaar[1]

 

Opendoen en sluiten. Nog nooit hebben die twee handelingen ons meer beziggehouden (en nog steeds) als in het afgelopen half jaar. Zaalverhuurders, sportschool-eigenaren en caféhouders houden hun adem aan: zal mijn zaak kunnen openblijven? Onze bestuurders, landelijk en stedelijk, zijn niet te benijden. Zij staan onder grote druk om open te houden, maar voelen zich soms - omwille van het grotere belang - verplicht om te sluiten.

 

 

 

Bij de profeet Jesaja gaat het over opendoen en sluiten door een soort minister, een dienaar van de koning in die tijd nog, die het huis van de koning, het paleis moest bestieren. Dat is bij uitstek een vertrouwelijke functie, het huis van een ander beheren. Je geeft je sleutels af aan je hulp, de interieurverzorgster, je vertrouwt je hebben en houwen aan haar of hem toe.

 

Shebna, de overste van de tempel, die de sleutel heeft van het naastgelegen huis van David, is uit de gratie geraakt. Hij moet de sleutels inleveren. Dat is een beladen moment. Dan ben je niet te vertrouwen, dan moet je het pand verlaten. Pijnlijk voor hem en zijn gezin. Eljakim volgt hem op. De Heer legt de sleutels van Davids huis op zijn schouders. Die woorden verwijzen naar een plechtig moment, waarop hij bekleed wordt met zijn nieuwe waardigheid. Hopelijk zal hij de weelde kunnen dragen. Later lees je dat hij het er goed van af gebracht lijkt te hebben, maar de volgende generatie lijkt al niet meer op die krachtig vastgeslagen spijker op een stevige plek. Wij lezen even verderop: “Aan hem hangen zij dan heel het gewicht van zijn familie…Op een dag raakt de pin los, die vastzat in een stevig stuk muur. Zij breekt af en valt naar beneden, en de hele last die eraan hangt, wordt verbrijzeld”. Uiteindelijk komen de nakomelingen van Eljakim ten val, vallen door de mand, Verdrietig, jammer. Vertrouwen is prachtig, maar het blijft een avontuur. En we zijn maar mensen. ‘Wie staat zie toe dat hij of zij niet valle.’

Wij weten daarvan in de samenleving en in de kerk. Mensen tegen wie werd opgezien of zelfs op een voetstuk werden geplaatst - heel ongezond en onverstandig weten wij nu - blijken het in hun gestelde vertrouwen te hebben beschaamd.

 

Wij horen vandaag over de man in wie Jezus uitzonderlijk veel vertrouwen heeft gesteld: Simon Petrus. Jezus kiest hem uit als de man op wie Hij zijn kerk bouwt; aan wie Hij de sleutels zal geven van het Rijk der hemelen.  Hij zal mensen kunnen binden, verbinden, samenhouden. Als iemand het te bont maakt en zich niet meer wil laten binden dan zal hij hem of haar ontbinden, en laten gaan.

Waar was dit enorme vertrouwen van Jezus eigenlijk op gebaseerd? Simon was toch maar een gewone man, uit een eenvoudig milieu, een visser, ook al niet het meest gerespecteerde beroep in die dagen.

 

Jezus vertrouwt Simon Petrus, omdat deze spreekt uit zijn hart. Hij kijkt niet naar de ogen van anderen, hij wacht niet voorzichtig af totdat iemand anders zijn mond open doet. Hij is de eerste die Jezus antwoord geeft op zijn heel kwetsbare vraag. “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” Nu, die vraag gaat nog wel. Dan kun je gewoon de antwoorden van anderen herhalen: Johannes de Doper, Elia, Jeremia…

Maar dan maakt Jezus Zich nog weerlozer. “Maar jij, wie zeg jij dat Ik ben?” Zonder het woord, de bevestiging, de herkenning van de ander kan een mens niet echt leven, zich niet gelukkig ontwikkelen. Zonder zo’n woord wordt een mens eenzaam, in zichzelf gekeerd, onbegrepen, ten diepste verdrietig.

 

“Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”.

Het hoge woord is eruit. Petrus durft het te zeggen. ‘U bent de gezalfde, de mens naar wie wij verlangen, in U komt God Zelf in ons leven. Wie U ziet, ziet de Vader.’

Als je - zoals Petrus - dat durft te zeggen dan vraagt dit ook iets van je. Als je Hem belijdt, herkent, aanroept, als je Hem noemt bij zijn diepste naam dan kun je niet achter blijven, dan moet je Hem gaan volgen. Dan ontvang je zelf een nieuwe naam. Simon wordt Petrus, rots, iemand op wie ik kan bouwen, die mij helpt meebouwen aan een gemeenschap, een kerk die uitziet naar het rijk der hemelen. Daar gaat het over. De kerk, gebouwd op de rots Petrus, is iets voor de tussentijd. Uiteindelijk gaat het om het rijk der hemelen, waarvan Petrus de sleutels heeft ontvangen. Jezus is als iemand die het huis weer uitgaat en sleutels geeft aan een mens, aan Petrus en aan ieder die gedoopt is, gezalfd, gevormd.

 

Ieder van ons is geroepen deuren te open, de sleutels goed te gebruiken, niet in een laatje op te bergen, uit angst ruimtes te openen waar we geen greep meer op hebben. Dat kan ook en dat is ook gebeurd: dat Petrus en zijn opvolgers het huis van God liever stevig op slot hielden (of soms nog houden) uit angst dat mensen zich te vrij zouden gaan voelen. Nee, Jezus schuwt de vrijheid, het avontuur van de Geest níet. Hij neemt zelfs het risico dat het helemaal kan misgaan, zoals met Petrus ook is gebeurd. In het uur van de grootste crisis, de avond voor zijn lijden en dood, heeft Petrus Hem verloochend. Dat avontuur is Jezus met ons aangegaan. We hoeven niet als in lock down te leven. God gunt ons de vrijheid, de deur mag open. Als we maar de juiste afstand houden en onze verantwoordelijkheid weten te dragen en elkaar iets laten ervaren van het rijk van God dat komende is. Zalig mogen wij zijn, mogen we ons voelen en weten, want niet vlees en bloed hebben ons dit geopenbaard, maar onze Vader die in de hemel is. Amen.

 

Nico van der Peet

 

 

------------------------------------------------------

[1] Jesaja 22, 19-23; Romeinenbrief 11, 33-36;Matteüs 16, 13-20


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, zondag 16 augustus 2020,

                      viering Maria Tenhemelopneming (15 augustus). [1]

 

 

Weet je wel wat je zegt als je zo jong bent, als iemand jouw ‘ja-woord’ vraagt? Dat zei mij ook een man die onlangs zijn vrouw is verloren. Hij kan heel mooi en filmisch vertellen over de eerste ontmoeting met zijn toekomstige vrouw. ‘Wat wist ik nu eigenlijk van haar en toch wist ik met een overrompelend inzicht en met een bevrijdende zekerheid: zij is het”…mij geschiede naar uw woord.

 

 

“Van vreugde juicht mijn geest”, horen wij vandaag Maria zeggen. Het zijn vier woorden uit haar prachtige lied, haar danklied, het Magnificat. De liturgie van de kerk laat het ons elke dag bidden of zingen in het avondgebed, de vespers, gezongen, plechtig, in kloosters, gebeden in talloze huiskamers met het boek in een hoek. Aan het einde van de dag, als het werk gedaan is, de aardappels op het vuur, bid ik het met Maria en heel de kerk waarvan zij het beeld is, het begin: ‘Van vreugde juicht mijn geest’. Elke dag weer, ook al heb je op een dag helemaal geen reden tot vreugde en gejuich. Maar elke dag stemt Maria ons dankbaar. Als deze eenvoudige dochter van Israël, die een enorme verantwoordelijkheid moet dragen, van wie het hart (zoals zijzelf te horen krijgt, wanneer haar zoon nog een kind is) met een zwaard wordt doorboord, - als zij uitroept dat er reden is tot vreugde en juichen, waarom ik dan niet?

 

Wanneer de zomer op zijn hoogtepunt is, laat de liturgie ons terugkijken op het leven van Maria. Dat is heel zinvol, want Maria is een beeld en voorbeeld voor elke gelovige. Wat zij heeft meegemaakt kan ons allen treffen. Haar leven kent dagen van blijdschap, van droefheid en van glorie. Bij het bidden van de rozenkrans kun je die geheimen overwegen: de blijde, de droevige en de glorievolle. Dit grootste van de Maria-feesten nodigt ons uit zelf terug te zien op ons leven tot nu toe.

 

“Van vreugde juicht mijn geest om God mijn redder, daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid van zijn dienares”.

Maria zag zichzelf als klein, als eenvoudig, zonder veel invloed en aanzien. Geboren in een stadje in Galilea. Zwanger geworden veel te vroeg. Er was een boodschapper: “wees gegroet, Maria, vol van genade, de Heer is met u”. En zij had ‘ja’ gezegd: “Mij geschiede naar uw woord”.

Weet je wel wat je zegt als je zo jong bent, als iemand jouw ‘ja-woord’ vraagt? Dat zei mij ook een man die onlangs zijn vrouw is verloren. Hij kan heel mooi en filmisch vertellen over de eerste ontmoeting met zijn toekomstige vrouw. ‘Wat wist ik nu eigenlijk van haar en toch wist ik met een overrompelend inzicht en met een bevrijdende zekerheid: zij is het”…mij geschiede naar uw woord

 

Zo had Maria, niet wetend en vermoedend, “ja” gezegd. Zij had dit kind dat zich menselijkerwijs gesproken in haar leven veel te vroeg kwam, aanvaard, liefgehad. Met Hem en haar verloofde was zij op de vlucht geslagen voor de vertegenwoordiger van de gekroonde draak, waarover de eerste lezing spreekt, de grootmacht van die dagen, een keizer Augustus of een Loekasjenko, die elk hoopvol, kwetsbaar, vernieuwend begin wil verslinden. "Zij vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft door God bereid”. Alles van waarde is weerloos.

 

Zo zag Maria zichzelf, als klein, als eenvoudig, zonder veel invloed en aanzien, een kwetsbare vrouw, zonder maatschappelijk status, met een voorechtelijk kind, maar vastberaden, evenals haar nicht Elisabeth. Zij zegt tot Maria: “jij bent de gezegende onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot”. Zij, Maria van Nazareth, te vroeg zwanger en van wie (?): de gezegende onder de vrouwen? Voor vrouwen in die tijd was dat toch zeker eerder een reden tot schande en verwerping? Nee, niet weerhouden door conventie en moralisering wordt Maria de gezegende onder de vrouwen genoemd.

 

De traditie van de Kerk heeft Maria, die zichzelf eenvoudig, klein, zonder veel invloed en aanzien wist, gesierd met vele hoge titels. Het evangelie komt, bij monde van Elisabeth, niet verder dan: ‘de gezegende onder de vrouwen’.

Maar de eeuwen door hebben de gelovigen zich gespiegeld en zich herkend in het leven van Maria. Zij werd de Moeder van God, immers haar Kind is Zoon van God. Zij, vanaf haar oorsprong niet geraakt door kwaad en zonde werd de onbevlekt Ontvangene genoemd. Zij, die geen man bekende en toch moeder was, werd de heilige Maria, altijd Maagd. Zij, die een al ‘ja’ was en geen aardse ambities koesterde behoorde helemaal aan de hemel toe, met lichaam en ziel ten hemel opgenomen. In haar leven had zij niet meegedaan met bederf en corruptie, ook in haar dood niet prijs gegeven aan bederf.

 

Heel haar bestaan, met lichaam en ziel ten hemel opgenomen, wordt ons vandaag voorgehouden.

“Van vreugde juicht mijn geest”. Vandaag vieren wij de bekroning van haar leven. Zoals in uw en mijn leven waren er blijde geheimen, droevige en ook glorievolle. Deze feestdag nodig ons uit, spoort ons aan onze persoonlijke levensgeheimen te overwegen, in het licht van de geheimen van Maria. Aan het einde van de dag mogen we zoals Maria dankbaar zijn en hoopvol: dat ook ons leven niet uitloopt op wanhoop en duisternis, maar op opstanding: “zoals allen sterven in Adam, zo zullen ook allen in Christus herleven”.  Zo moge het zijn. Amen.    

 

Nico van der Peet          

 

-----------------------------------------------------------

[1] Apokalyps 11, 19a; 12, 1 - 6.10ab; 1 Kor. 15, 20-26; Lucas 1, 39 - 56


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus,

                       negentiende zondag door het jaar

                       9 augustus 2020[1]

 

Jezus komt naar hen toe. Hij heeft de storm overwonnen, Hij loopt over het water van angst en dood. Hij heeft de dood overwonnen. Petrus, de leider van de kerk, durft het aan de vertrouwde boot te verlaten, voet te zetten op zijn angst, zijn onzekerheid, zijn twijfel.

 

Vorige week hebben wij het gehoord: het grote werk is gedaan. Op het woord en het gebed van Jezus zijn de mannen, vrouwen en kinderen van Israël gevoed: vijf broden en twee vissen. U herinnert het zich: er bleven twaalf manden met brokken over, genoeg om de twaalf stammen van het volk Israël te voeden.

 

Maar is daarmee wel het werk gedaan? Beperkt Jezus Zich tot zijn eigen volk en geloofsgemeenschap? Waartoe is Hij eigenlijk op de aarde gekomen? Waartoe is de Kerk van Jezus eigenlijk op aarde? Om voor zichzelf te zorgen, het buikje rond te eten; haar vege lijf te redden in deze moeilijke tijden? Of heeft zij meer in haar mars? Ik moet denken aan onze oosterburen die niet betaald willen worden voor de intensieve zorg van buitenlanders, ook Nederlanders, tijdens het dieptepunt van de corona-crisis in maart en april. Als kerk, als volk ben je er niet alleen voor jezelf, redeneren de Duitsers. Er bestaat nog zoiets als solidariteit, medemenselijkheid in tijden van nood. Zij lieten ons dat eerder al zien in de migratie-crisis en nu weer.

 

Na de broodvermenigvuldiging dwong Jezus zijn leerlingen de boot in te gaan en alvast naar de overkant te varen, terwijl Hij het volk naar huis zou sturen.

Het volk. Zijn eigen volk. Zij hebben voldoende gegeten. Hun innerlijke mens is gevuld en gesterkt. Want ook zijn woord, of zelfs vooral zijn woord, zijn onderwijs, zijn aanvoelen en begrip zijn hart-versterkend. Zo kan een mens er weer tegen, door aandacht, een goed woord, een gebed, een zegen.

Hij heeft zijn leerlingen gedwongen het kerkschip in te gaan. Zij moeten oversteken naar de andere oever, dat wil zeggen naar het buitenland, naar vreemde mensen, zij moeten hun comfort-zone verlaten.

 

Het is een hele beproeving. Jezus bereidt ze voor om op eigen benen te staan. Hij blijft achter. ‘Hij bad op enen berg alleen.’ Hij is opgestegen. Nu moeten de leerlingen, moeten wij het alleen doen, onze eigen koers varen. Jezus heeft voorgedaan hoe het moet. Je moet de ogen opslaan naar God, danken, bidden en uitdelen wat je hebt: heel jouw schamele overvloed, vijf broden en twee vissen. Dat zal genoeg zijn. Je hoeft geen onbetaalbare cadeaus’s te komen, daarvoor in het rood te gaan staan. Geef wat je hebt, geef jezelf, dan zal er genoeg zijn. Wat ik me herinner uit mijn kindertijd zijn niet mooie cadeau’s, maar het naast mijn vader lopen, hij nam alle tijd voor zijn jongste zoon, onderweg naar zijn grote tuin, een half uurtje lopen van ons huis vandaan.

 

De leerlingen, wij hebben het geleerd van Jezus. Nu zitten zij, wij in de boot,  we worden geteisterd door de golven, we hebben tegenwind. Dat was, dat is de toestand van de kerkgemeenschap, van het kerkschip in deze wereld. Wat we ook doen, de storm gaat niet liggen. Het is een lange nacht. “Tegen de morgen kwam Jezus te voet over het meer naar hen toe”. Maar ze kunnen het niet geloven. Ze zien spoken. Ze gaan schreeuwen en van alles roepen.

 

Maar Jezus komt naar hen toe. Hij heeft de storm overwonnen, Hij loopt over het water van angst en dood. Hij heeft de dood overwonnen. Petrus, de leider van de kerk, durft het aan de vertrouwde boot te verlaten, voet te zetten op zijn angst, zijn onzekerheid, zijn twijfel. Het gaat allemaal goed totdat Petrus, staat er letterlijk, naar de storm ging kijken, “toen hij merkte hoe hevig de wind was”. Toen zonk hem de moed in de schoenen en begon hij te zinken. “Heer, red mij.” Jezus grijpt hem bij de hand. Hij laat die eerste leerling niet zakken, Hij laat zijn wankele kerkschip niet in de golven van de tijd schipbreuk lijden.

 

Met Jezus stappen zij weer in de boot, de wind ging liggen. Zij hebben geleerd, door schade en schande, ‘door twijfel en moeilijkheden heen’ dat Hij de Zoon van God is. Hij is bij hen, bij ons. Als wij de oversteek maar durven maken en ons niet in onze eigen kring van twaalf stammen en twaalf apostelen opsluiten; als wij maar naar het vreemde land van de toekomst durven varen, ook als wij soms in de verleiding komen te denken dat er geen toekomst is en dat je beter het verleden kunt koesteren en vereren, neergeknield voor de uitgedoofde as en niet meer op zoek naar het vuur van het geloof, hoop en liefde.

 

Zoals de profeet Elia. Hij was overvallen door angst en twijfel. De koningin, Izebel, wilde hem doden. Hij zag het niet meer zitten. Zijn leven was in de storm. Maar de Heer zocht hem op, sprak tot zijn hart in het suizen van een zachte bries. ‘Laat je getob, je twijfel los, Elia, zoek weer Gods aanwezigheid, die met jou meegaat, met ons meegaat, heel ons onzekere leven lang.’

 

“De inzittenden wierpen zich voor Hem neer en zeiden: ‘Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God'”.

Dadelijk wordt voor ons het brood gebroken en uitgedeeld nadat wij gedankt hebben, eucharistie gevierd. In stilte kan ieder van ons bidden: Mijn Heer en mijn God.” Opdat wij gesterkt worden, de moed hebben onze levensreis naar het onbekende land voort te zetten. De Heer grijpt ons bij de hand en redt ons. Zo zal het zijn. Amen.

 

Nico van der Peet

 

 

----------------------------------------------------------

 

[1] 1Koningen 19, 9a. 11-13a; Romeinenbrief 9, 1-5; Matteüs 14, 22-33


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                      zeventiende zondag door het jaar, 26 juli 2020[1]

 

 

Salomo is geen realpolitiker. Hij vraagt immers niet om een lang leven, rijkdom of de dood van zijn vijanden, maar om een opmerkzame geeft, om inzicht om recht te kunnen spreken, wijsheid. Een uitzonderlijke vorst derhalve, die niet uit is op zoveel mogelijk rijkdom, financieel voordeel voor zijn eigen volk. Wij horen wel anders. Wij horen van leiders van zeer rijk geworden landen die niettemin vooral strijden voor eigenbelang.

 

In de eerste weken van de corona-crisis voltrok zich een wonderlijk verschijnsel. Wij waren allen min of meer opgesloten in onze huizen. Velen keken om zich heen, maakten de balans op, innerlijk en uiterlijk. Velen gingen met zichzelf aan de slag. Waar ben ik mee bezig, wat is werkelijk belangrijk voor mij: mijn partner, mijn gezin, vriendschappen, mijn ouders, mijn bezit, mijn carrière? Een innerlijke overweging en afweging. Waar leef ik voor; wat moet ik behouden, beschermen, koesteren en wát kan weg? Wat innerlijk gebeurde kon je ook uiterlijk waarnemen: veel mensen gingen opruimen. Ballast, spullen, jaren in kasten, bergingen en op zolders bewaard werden aan de straat gezet. We gingen terug naar de kern. We werkten aan een opgeruimd huis en een geordende ziel.

 

Zo te leven, overwegend, afwegend noemt de bijbel ‘wijsheid’.

“Wat verlang jij nu eigelijk, Salomo; wat wil je dat Ik je geef?”

De Heer is heel bescheiden, Hij dringt Zich niet op aan de jongeman, de jonge koning. Zoals Jezus het later ook zal doen. Hij gaat niemand plompverloren overladen met zijn besluiten, zijn plannen, zijn genezing, met het geloof. Nee, de eerste vraag is altijd: ‘Wat verlang je; wat wil je dat Ik voor jou doe?’

Daar kunnen wij, de kerkgemeenschap van leren. Wij moeten niet als allesweters en betweters ons geloof opleggen. Eerst kun je respectvol vragen: ‘wat is jouw verlangen, waar wil je voor leven, waar wil je voor gaan?’

 

Wat blijkt? Salomo is geen realpolitiker. Hij vraagt immers niet om een lang leven, rijkdom of de dood van zijn vijanden, maar om een opmerkzame geeft, om inzicht om recht te kunnen spreken, wijsheid. Een uitzonderlijke vorst derhalve, die niet uit is op zoveel mogelijk rijkdom, financieel voordeel voor zijn eigen volk. Wij horen wel anders. Wij horen van leiders van zeer rijk geworden landen die niettemin vooral strijden voor eigenbelang.

 

Salomo is volgens de bijbel een ideale koning. Hij kende zijn grenzen: ‘ik ben maar een jonge man die nog niet weet wat ik doen of laten moet’. Hij voelt zich nog onzeker. Wat een geluk dat hij zijn jeugdige onervarenheid niet compenseert door stoerdoenerij. Nee, hij bidt om wijsheid, om opmerkzaamheid. In de bijbel is Salomo het voorbeeld van de ware koning en gelovige. Iemand die geen grote, harde woorden uitkraamt, met vertoon van rollende spierballen en militaire macht, maar iemand die stuurt en bestuurt met verstand en hart. Hij verdeelt zijn volk niet om er zelf beter van te worden. Hij zoekt niet zichzelf maar de waarheid, de vrede, de gerechtigheid. Dat zijn pas echte rijkdommen.

 

Jezus vergelijkt ze met een schat, verborgen in de akker, de mooiste parel. Om die op te graven, om die te verwerven moet je alles verkopen, alles opzij zetten. Die diepste rijkdom van het leven kun je alleen vinden, vertelt Jezus in deze gelijkenissen, de laatste uit zijn grote toespraak, als je alle bijzaken overboord kiepert. En terugkeert naar de kern. Alles wat je alleen maar als ballast met je meesleept, maar waarvan je hart niet meer sneller gaat kloppen, kan aan de straat. Dat gold voor ons allen in tijden van lockdown, dat geldt ook voor onze kerk en ons geloof. Jezus daagt ons uit al onze energie te steken in het verwerven en vinden van de schat, verborgen in de akker van ons leven. Met niets minder zullen we ons tevreden stellen: de schat die Jezus Zelf is, die verborgen, begraven is in de akker van de wereld en die is opgestaan, wil opstaan in u en mij, in onze levens, in onze kerk. De kerk moet niet bekend staan als een museum dat schatten uit een vervlogen verleden in vitrines bewaart angstvallig, zuchtend onder enorme verzekeringspremies, maar een gemeenschap van schatgravers op zoek naar wat werkelijk blijvende waarde heeft: de bevrijding, de vreugde, de waardigheid, de liefde die Jezus brengt aan het leven van iedere mens. Mogen we al onze energie besteden aan het vinden van die schat, die kostbaarste parel van een Mens: Jezus onze Heer. Amen.      

 

pastoor Nico van der Peet

 

---------------------------------------------------------

[1] 1 Koningen 3, 5. 7-12; Romeinenbrief 8, 28-30; Matteüs 13, 44-52

Afbeelding:  Konrad Witz, Salomo en de koningin van Seba