Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, veertiende zondag door het jaar, 6/7 juli 2019[1]

 

Jezus vraagt van ons niet om ons als watjes, softies te gedragen. Integendeel, de weg naar vrede, naar de stad van vrede vraagt vastberadenheid en moed.

 

Verkondiging

 

Gisteren mocht ik met de Eritrese katholieken die ook kerken in onze Nieuwe Augustinus, het titelfeest vieren van hun gemeenschap: de allerheiligste Drieëenheid. Uit het hele land waren Eritrese katholieken, vooral jongere mensen, toegestroomd. De kerk was overvol.

 

In Eritrea vormt de katholieke gemeenschap een kleine minderheid, maar wel met een grote uitstraling. Gesteund door de wereldkerk bouwt zij niet alleen kerkgebouwen, maar opent zij ook scholen en ziekenhuizen en houdt die in stand. Het volk zucht onder een militair regime. Jongeren worden vele jaren gedwongen tot militaire dienst. Velen ontvluchten, vaak over levensgevaarlijke en ongastvrije wegen, hun steeds minder leefbare vaderland.

 

De vier katholieke bisschoppen doen voorzichtige pogingen het regime te bewegen tot dialoog, een eerlijk gesprek over de verlammende situatie. Op Pasen schreven zij een werkelijk prachtige brief aan hun gelovigen en aan alle mensen van goede wil. Zij laten daarin voelen hoezeer zij met lede ogen en gepijnigde harten de leegloop aanzien van hun land, hun kerkgemeenschap; hoezeer de achterblijvers lijden onder armoede, verwaarlozing, sociale en economische neergang. De aangrijpende brief is een voorzichtige, vriendelijke uitnodiging tot gesprek tussen regering en volk. Niet meer en niet minder.

 

De Eritrese priester die hier pastor is, vader Tesfa Yohannes, gaf mij de Engelse vertaling. Twee weken geleden vertelde hij mij (en deze week las ik het in de krant) dat de regering meedogenloos heeft gereageerd op de vriendelijke en zachtmoedige brief. Met onmiddellijke ingang heeft de regering alle veertig klinieken gesloten, die de katholieke kerk heeft opgezet in dit land met zeer gebrekkige gezondheidszorg. De kerk die zich inzet voor het volk, wordt teruggejaagd naar sacristie en kerkgebouw. Zij mag zich op geen enkele wijze op weg begeven.

 

“Ik zend u als lammeren onder de wolven”.

Vandaag hoorden wij de zogenoemde zendingsrede van Jezus. Hij is niet bang. Hij is onderweg naar Jeruzalem, zachtmoedig, nederig. Uiteindelijk zal Hij de stad niet binnengaan op het paard van de militairen maar op een ezel, het lastdier van de armen: Hij die Zelf onze lasten op Zich heeft genomen. Hij is zachtmoedig en nederig. Daaraan heeft de samenleving, ook de onze, een schreeuwende behoefte. Zoals de bisschoppen van Eritrea. Zij leggen de mensen geen last op, zij eisen niet. Zij roepen tot hun samenleving, hun gelovigen, tot de regering: ‘Vrede aan dit huis!’ Vrede aan dit huis van onze natie, onze samenleving, onze mensen.

Maar hun vrede keert tot hen terug. Het antwoord is boosheid, onderdrukking, machtsvertoon. Kwetsbare mensen, die bang zijn dat hun macht betwist wordt, gedragen zich als wolven.

 

Jezus ziet zijn volgelingen als lammeren.  Zij kunnen alleen maar overeind blijven als zij bij elkaar blijven, bij de kudde blijven, onder leiding van de herder Christus, het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegdraagt, verdraagt. Zoals nu de vier Eritrese bisschoppen het machtsvertoon van hun regering dragen, verduren. En, zo moeten wij hopen en bidden, door het te verduren wégdragen.

 

Niet veel macht hebben Jezus’ volgelingen in deze wereld. Zo was het in het begin en zo is het nu weer. Toch spreekt Jezus over macht. Hoor maar: “Ik heb u macht gegeven op slangen en schorpioenen te treden, te heersen over heel de kracht van de vijand; en niets zal u kunnen schaden”.

Jezus zag de satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen.

Die macht heeft Hij zijn volgelingen, zijn woordvoerders meegegeven. Een wonderlijk soort macht, die niet kan worden afgedwongen. De grote schreeuwers van deze wereld ziet Jezus al op hun gezicht vallen uit de hoogte waartoe zij zich hebben verheven.

 

Maar we kunnen ons beter maar niet verlustigen in macht en invloed. Jezus gelooft er gewoon niet in. “Toch moet u zich niet verheugen over het feit dat de duivels aan u onderworpen zijn, maar verheugt u omdat uw namen staan opgetekend in de hemel”. Met andere woorden, er is iets in ons leven dat van onvergelijkelijk grotere waarde is dan macht: dat je naam bekend is bij God en bij elkaar. Dat je elkaar leert kennen. Zoals die moedige Eritrese bisschoppen zo geduldig, zachtmoedig, nederig en tegelijk vastberaden doen: het aanbod doen van ontmoeting en van vrede. “In welk huis je ook binnengaat, laat uw eerste woord zijn: vrede aan dit huis!

 

Jezus vraagt van ons niet om ons als watjes, softies te gedragen. Integendeel, de weg naar vrede, naar de stad van vrede vraagt vastberadenheid en moed. Want zowel in de maatschappij, die van Eritrea als ook enigszins in de onze, en niet zelden ook in onze kerk, is er weinig zachtmoedigheid en vastberadenheid.

Eerder lafheid en hardheid, is mijn ervaring.

 

Onze grootste vreugde, onze diepste bron van moed en troost bestaat hierin dat onze naam staat opgetekend in de hemel, bij de Eeuwige bekend is, opgetekend in de palm van zijn hand. Zo zal het zijn. Amen.

 

Nico van der Peet

 

----------------------------------------------------

[1] Jesaja 66, 10-14c; Galaten 6, 14-18; Lucas 10, 1-12. 17-20


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 29/30 juni 2016. Dertiende zondag door het jaar[1]

 

Het moet niet gaan om het tussentijds getob van de kerkgemeenschap, maar om het doel van de reis van de kerk van Christus door de tijd: de stad van vrede.

 

 

Vastberaden aanvaardde Jezus de reis naar Jeruzalem. Hij is niet tegen te houden. Hij weet dat daar zijn levensdoel is. Dat is dan ook het doel van zijn leerlingen, zeg maar van zijn kerk: Jerusalem, dat betekent de stad van vrede. In die naam vind je het woord shaloom, salam terug. Jerusalem.

 

De leerlingen, de kerkgemeenschap heeft de roeping evenals Jezus vastbesloten te zijn. Zij mogen zich niet laten afleiden door allerlei tegenwerking en zij mogen zich vooral niet laten gaan in hun gelijkhebberij, en in hun emoties. Die maken een mens, die maken een kerk liefdeloos. Zij willen vuur van de hemel afroepen tegen allen die hen niet willen ontvangen. Ook toen was het fanatisme nooit ver weg. Jezus moet er niets van hebben. Hij is een innerlijk vrije mens. Hij weet precies wat Hij wil, welke kant het op moet met zijn leven en met dat van zijn kerkgemeenschap. Maar om met de woorden van de apostel Paulus te spreken, Hij wil niet dat wij onze vrijheid misbruiken als een voorwendsel voor de zelfzucht. De vrijheid die Jezus beleeft en ons doorgeeft is juist helemaal gericht op anderen. Opnieuw met de woorden van Paulus: “Dient elkaar in liefde”.

 

Zijn leerlingen hebben een beroerd begrip van vrijheid. Zij gaan hun eigen weg, in alle vrijheid, maar worden vervolgens intolerant tegen alle mensen die niet dezelfde richting opgaan. Zo kan het gaan in een zeer vrije samenleving als de onze. Je kunt zo overtuigd zijn van de volmaaktheid van jouw vrijheid dat jij die aan anderen wilt opleggen en niet verdraagt dat zij anders willen leven en denken. Jezus doet er niet aan mee. Hij wil geen vuur van de hemel. Hij wijst de vurigheid van zijn leerlingen af. “Hij keerde zich om en wees hen op strenge toon terecht”. En meteen daarna: “Daarop vertrokken zij naar een andere dorp.” Wij moeten dat leren: niet machteloos boos of zelfs - zoals de apostelen - agressief te worden door onze mislukkingen en frustraties. Jezus geeft ons een leerschool: wend je steven, en ga naar een andere dorp. Het moet niet gaan om het tussentijds getob van de kerkgemeenschap, maar om het doel van de reis van de kerk van Christus door de tijd: de stad van vrede.

 

“Wie de hand aan de ploeg slaat maar omziet naar wat achter hem ligt, is ongeschikt voor het rijk Gods”. Jezus probeert ons, evenals de profeet Elia zijn opvolger Elisa, te laten delen in zijn ongelooflijke vrijheid, die mij het streven lijkt te zijn van ons, zijn volgelingen. Voor christenen, kerkleden zoals u en ik, voor ons, de kleine minderheid die gebleven zijn, is er veel reden kom terug te zien naar wat achter ons ligt. Ik merk dat wij nogal geneigd zijn om terug te kijken; om elkaar verhalen te vertellen over hoe het vroeger was. Ook ik zelf ben daartoe nogal geneigd. En uit dit verhalen ophalen kan dan nogal eens de stemming ontstaan van machteloosheid, frustratie. Jezus had in zijn dagen alle reden daartoe, maar Hij nodigt ons uit er niet aan mee te doen. Hij vraagt ons open te staan voor de bestemming, het reisdoel dat Hij gekozen heeft: de stad waar de beslissing genomen moet worden.

 

Deze week had ik enkele dagen vrij, die ik doorbracht in Rouen, Normandie, Noord-Frankrijk. Het is een prachtige oude, middeleeuwse stad. Ook al heeft zij veel geleden in de tweede wereldoorlog, voor en na de invasie op 6 juni 1944 (75 jaar geleden).

 

Veel in deze stad herinnert aan een meisje van rond de negentien jaar: de heilige Jeanne d’Arc. In niets voldeed zij aan het beeld van een heilige. Zij was geboren in een boerendorpje en leidde met haar familie een arm, onopvallend bestaan, in een tijd waarin haar vaderland Frankrijk in een verschrikkelijke oorlog was verwikkeld en bovendien innerlijk ernstig verdeeld was. In die jaren hoorde zij stemmen die haar opriepen datgene te doen wat de machtige mannen van haar tijd verzuimden: voorbij te zien aan egoïsme, aan het stellen van eigen voordeel en macht als eerste doel in hun leven.

 

Zij ging een volksbeweging leiden die het onmogelijke mogelijk maakte. Zij ging de troonopvolger die eerst niet durfde, voor naar zijn kroning in Reims. Zij baande voor haar hopeloos verdeeld en egoïstisch volk een weg naar een toekomst van vrede. Zelf werd zij daar het tragische slachtoffer van. Na een schandalig proces, op initiatief van erfvijand Engeland, werd zij 30 mei 1341 als ketter verbrand op de markt van Rouen. Zo volgde zij, nauwelijks 20 jaar, haar Heer Jezus, wiens heilige Naam haar laatste doodskreet was temidden van de vlammen die haar de adem benamen.

 

Zij leefde met een reisdoel. Niet voor zichzelf alleen. Maar als toekomst van vrede. Met grote moed, geloof en vertrouwen zocht zij haar weg, niet ontevreden hoofdschuddend omkijkend, maar met een doel dat haar volk toekomst en vrede bracht. Volgen wij deze jonge heilige en haar Heer op zijn weg van vrede. Amen.

 

Nico van der Peet

 

----------------------------------------------------------

[1] 1 Koningen 19, 16b. 19 - 21; Galaten 5, 1. 13 - 18; Lucas 9, 51 - 62


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus en in

                      de H. Urbanuskerk te Duivendrecht, 22/23 juni 2019[1]

 

Als de kerkgemeenschap in de naam van Jezus de armen van deze wereld niet helpt voeden en sterken en recht doen, dan stelt zij niets meer voor, dan verliest zij haar reden van bestaan.

 

“Wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen…Of we zouden voor al dat volk eten moeten gaan kopen.”

De twaalf leerlingen zien het niet zitten. Wat hebben wij nu helemaal te bieden? Wij hebben alleen maar de vijf boeken van Mozes en de twee testamenten, een verzameling verhalen, gedichten, gebeden, al die teksten van verbondenheid, de liefdesbrieven van God aan de mensen. Wat hebben wij nu in te brengen in deze wereld? Wij kunnen nog geen deuk in een pakje boter slaan, horen wij die twaalf Galilese vissers denken. Wat vangen wij eigenlijk in onze netten? De bedrijfsresultaten lijken niet best.

 

De apostelen denken in termen van geld en economie. Zoals de kerk na de twaalf apostelen, tot op de dag van vandaag, nogal geneigd is te doen. Het voeden van het volk Gods is niet te betalen. Wij hebben niet de middelen. In termen van geld en markt is de kerkgemeenschap van Jezus geen goed verdienmodel.

 

Wat is dan wel het model voor het bestaan en het werk van de kerk?

Jezus wil dat alle mensen gevoed worden, gesterkt, om hun levensreis, hun werk, hun pelgrimage te kunnen voortzetten en volhouden. Dat is de taak van de apostelen, van hun opvolgers, de bisschoppen, en hun helpers, de priesters, en eigenlijk van alle gedoopten. Als de kerkgemeenschap in de naam van Jezus de armen van deze wereld niet helpt voeden en sterken en recht doen, dan stelt zij niets meer voor, dan verliest zij haar reden van bestaan.

 

Jezus wil niet een intiem besloten leven samen met zijn twaalf apostelen. Hij wil geen klerikale kerk.

Dat zouden die apostelen eerlijk gezegd wél willen. Zij willen al die mensen, het getal van de mannen alleen al was vijfduizend, liever wegsturen. Wat moeten wij met heel die menigte, die van buiten onze kring is; hebben wij daar echt een boodschap aan, een boodschap voor? Laat ze liever een ander onderdak zoeken, voor hun hongerige, bloed-armoedige lichaam, hun dorstende ziel. “Stuur de mensen weg; dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omtrek gaan om daar onderdak te vinden…”

 

De kerkgemeenschap, vieren wij vandaag op de tweede zondag na Pinksteren, de kerk moet een sacrament zijn in deze wereld, sacrament van de wereld die komende is, waar brood en vrede is voor alle mensen.

Op deze eenzame plek die de aarde kan zijn, ‘onherbergzaam’ kan het ook betekenen, nauwelijks leefbaar voor velen. En wij met onze manier van leven, consumeren en vervuilen moeten uitkijken dat de wereld niet voorgoed een eenzame, onherbergzame plek wordt.

 

De kerk mag in deze eenzame, onherbergzame wereld een sacrament zijn, een genademiddel. Zoals de koning van Salem dat was, volgens het boek Genesis. Zijn naam is werkelijk onaards mooi: Melchisedek. Dat betekent: koning van gerechtigheid. Kan een koning wel een vorstelijker naam dragen? Als er dan toch een koningschap moet zijn in deze wereld dan alsjeblieft met dat koninklijk programma: gerechtigheid.

’Out of the blue’ is Melchisedek daar opeens en hij treedt Abram tegemoet. Abram moet almaar oorlog voeren, met de ene koning van ongerechtigheid na de andere.

Doodmoe, uitgeput kijkt hij om zich heen op die lege, eenzame, onherbergzame aarde, die, als het goed is, zijn land van belofte zal worden. Hij kan het nauwelijks geloven, deze man die vader heet van alle gelovigen. Nog niets is er op die door onvrede, door oorlog verschroeide aarde van te zien.

 

Maar dan verschijnt Melchisedek en bood Abram brood en wijn aan. De koning van gerechtigheid is de vorst van Salem. U weet: dat is hetzelfde als sjaloom, als salaam: vrede. Later zal een stad van vrede daarnaar worden genoemd: Jerusalem.

Koning van de vrede. Dadelijk, in het lange eucharistisch gebed komen wij Melchisedek weer tegen. Wij zullen dat lange gebed weer eens horen op deze Sacramentsdag, omdat de kerk in deze koning van vrede altijd een voorbode heeft gezien van Jezus, die ook ‘out of the blue’, verschijnt op deze eenzame, onherbergzame aarde en zomaar, uit genade, zonder dat wij het verdienen, brood en wijn aanbiedt, gerechtigheid en vrede…in de nacht waarin Hij werd overgeleverd.

 

De heilige eucharistie, het sacrament van zijn Lichaam en Bloed, heeft Jezus ingesteld in die vreselijke avond voor zijn bitter lijden en sterven. Ongelooflijk bijna: Hij reageert niet met bitterheid, met paniek en wraakzucht, maar met brood en wijn, met de gave van zichzelf: dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed. ‘Geef gij hen maar te eten’. Dat doet Jezus: zijn eigen leven, zijn lichaam wordt als brood en zijn bloed rijkelijk uitgeschonken wijn.

 

Dat sacrament te ontvangen is bijna te groot voor ons, want dit vraagt van ons dat wij als christen, als kerk niet onszelf willen redden, maar onszelf willen geven. Geen kerk die bezorgd is over haar positie, bezit en invloed, maar een kerk die vreugde beleeft aan het zichzelf ter beschikking stellen van de wereld, van de mensen; die gerechtigheid en vrede beleeft en doorgeeft, brood van eeuwig leven, bloed van liefde en verbond. Daartoe moge de viering van de eucharistie ons de inspiratie en de moed geven. Amen.

 

Nico van der Peet

 

----------------------------------------------------

[1] Genesis 14, 18-20; 1 Korintiërs 11, 23-26; Lucas 9, 11b-17


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                      op het Hoogfeest van de Allerheiligste Drie-eenheid

                      15/16 juni 2019 

 

Wij leven wij met de Heilige Drie-eenheid. De ene Vader, onzichtbare God, heeft ons leven, onze liefde, onze passie en onze sterfelijkheid gedeeld in de Zoon en blijft ons leiding geven door zijn heilige Geest.

 

 

GEBED

 

Uw woord van waarheid, Vader, en uw Geest van heiligheid

hebt U de wereld in gezonden

om het geheim van uw God-zijn aan de mens te openbaren.

Geeft dat wij in het oprecht belijden van het geloof

de eenheid erkennen van uw heiige Drievuldigheid

en dat wij U aanbidden, God in overmacht van liefde.

Door onze Heer Jezus Christus uw Zoon

die met U leeft en heerst

in de eenheid van de heilige Geest,

God door alle eeuwen der eeuwen.

 

 

 

VERKONDIGING

 

In de afgelopen week las ik een artikel over een jong volwassen vrouw die in haar zoektocht naar spiritualiteit, bij een  geestelijk leidsman was terecht gekomen (ik weet niet van welke geloofsrichting), die cursussen spiritualiteit gaf in een prachtig natuurgebied.

Zij en haar mede-cursisten waren allen jonge mensen uit West-Europese landen, allen met zeer drukke banen en sommigen met een jong gezin. Wat hen verbond was de ervaring van een innerlijke leegte. Zij hebben alles, een goede opleiding, een drukke baan waarmee zij genoeg geld verdienen om een welvarend leven te leiden. Wat hen ook verbindt is het gevaar van burn-out te geraken. Enorme eisen worden er gesteld aan jonge mensen.

 

Zij voelen zich verbonden door een gemis aan geestelijk leven. Velen van hun ouders hebben of hadden nog een christelijke, katholieke of protestantse opvoeding ontvangen, ‘zijn nog iets van huis uit”, maar deze jonge mensen zijn opgegroeid in de volkomen levensbeschouwelijke vrijheid, los van welke zuil, kerk of gemeenschap ook. In die ervaring van bijna burn-out en van spiritueel zoeken en verlangen hadden zij zich ingeschreven voor deze cursus.

 

De jonge vrouw, die het artikel heeft geschreven, vertelt dat zij na enkele dagen als enige groepslid afscheid had genomen van de geestelijk leidsman en van de groep. Grote angsten hadden haar overvallen bij het vervullen van de opdrachten van de leidsman. Zo moest zij zich geblinddoekt overgeven aan oefeningen en tochten door een nachtelijk bos. Zo moesten zij en haar lotgenoten leren zich toe te vertrouwen, leren vertrouwen, geloven en zich overgeven aan de leiding van de geestelijk leidsman.

Nog meer gedesoriënteerd dan zij voor aanvang al was vertrok zij naar huis. Zij was de enige die de moed had zich te onttrekken aan de groepsdruk en de gehoorzaamheid aan de geestelijk leider.

 

Zo is voor sommige mensen spiritualiteit: alle greep, alle activiteit loslaten en je gewonnen geven aan iets dat groter is dan jezelf. In onze zeer individualistische cultuur is dit verlangen begrijpelijk. Als je altijd in kramp, in ambitie moet leven om bijna onbereikbare targets te halen, dan ontstaat de behoefte om alles los te laten, zelfs de greep op je eigen bestaan en wil.

 

In ons evangelie horen wij Jezus spreken tot zijn leerlingen. Drie jaar hebben zij met Hem, hun geestelijke Meester, geleefd; drie jaar lang hebben zij dagelijks zijn woorden van wijsheid, onderricht in de Schriften, liefde voor de naasten in woord en daad kunnen meemaken en leren navolgen. Nu is aan die tijd aan einde gekomen. “Nog veel heb ik u te zeggen, maar gij kunt het nu nog niet dragen”.

 

Het is vandaag vaderdag. Ook ouders, vaders en moeders, willen hun kind zoveel mogelijk meegeven, leiding geven, beschermen, maar zij mogen hun kinderen niet blinddoeken en op de tast, vertrouwend op hun vader, het bos in sturen. Integendeel, de vader heeft de prachtige en verantwoordelijke opdracht zijn kinderen ziende te maken, zo helder-ziende mogelijk, om te leren onderscheiden wat vreugde, voldoening, toekomst brengt in het leven van zijn kinderen.

 

“Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu nog niet dragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen”.

Na die drie jaar was Jezus niet meer in hun midden, teruggegaan naar de Vader. Naar zijn Vader: dat grote goddelijke Geheim waaruit Jezus was geboren, waaruit Hij had geleefd, waaruit Hij zijn leerlingen leerde te leven, waaruit Hij ons leert te leven.

 

Maar na zijn terugkeer naar de Vader laat Hij ons niet alleen. Nog veel had Hij te zeggen. Je wilt altijd nog meer meegeven aan je kinderen, je leerlingen, je geliefden, maar je moet hen loslaten, nadat je hen geleerd hebt op eigen benen te staan, nadat zij zelf ziende zijn geworden en hebben leren luisteren naar wat zin heeft, wat leven en vreugde geeft.

 

Voortaan mogen we leren leven uit de heilige Geest, uit de spiritualiteit van Jezus. Die Geest spreekt tot ons in de woorden van de Schrift die wij lezen en in elke viering horen en overwegen. Die Geest, die spiritualiteit van Jezus komt tot ons in de sacramenten, in de gaven van het altaar waarin Hij Zichzelf aan ons geeft, zijn Lichaam en Bloed, heel zijn bestaan dat zichzelf uit liefde weg-schenkt.

 

Zo leven wij met de Heilige Drie-eenheid. De ene Vader, onzichtbare God, heeft ons leven, onze liefde, onze passie en onze sterfelijkheid gedeeld in de Zoon en blijft ons leiding geven door zijn heilige Geest. Nog veel heeft Jezus, de Zoon ons te zeggen, de woorden namelijk van de Vader. Hij wil ons niet als slaafse, willoze volgelingen, maar als vrienden, levend uit zijn spiritualiteit, levend uit zijn Geest, die uit de Vader en de Zoon voortkomt. Aan Wie alle eer en glorie is in alle eeuwigheid. Amen.

 

Nico van der Peet


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Pinksteren, 9 juni 2019[1]

 

Open-geblazen deuren

 

Zou het ooit nog lukken elkaar te verstaan? Krijgt de heilige Geest de kans om mijn zorgvuldig opgebouwde ego omver te blazen, mijzelf te leren relativeren? Het zal de Geest niet meevallen. Onze ego’s worden in ons sociale media-tijdperk uitvergroot. Wij leven met onze persoonlijke bucket-list. Ik wil mijn ding doen. Maar wat als al die dingen zijn gedaan?

 

GEBED

 

Almachtige eeuwige God, de kring van vijftig dagen is voltooid waarin het paasmysterie werd ontsloten. Verleen dat de mensen die elk in eigen taal hun eigen wegen gaan, weer tot elkaar komen in het belijden van uw Naam: Jezus Christus onze Heer. Die met U leeft…

 

 

 

VERKONDIGING

 

“Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren allen bijeen op de zelfde plaats”.

Wie zijn die ‘allen’?

Die allen zijn de elf overgebleven apostelen, Maria en de broers van Jezus en de nieuwe apostel, die na de dood van Judas het twaalftal weer vol maakt, Mattias. Daar zitten zij in het huis: de twaalf leerlingen, Maria en overige familieleden. Hoe moet het verder? Na de hemelvaart van Jezus zijn zij aan hun lot overgelaten. Mogelijk herinneren zij zich de belofte van Jezus, gedaan vlak voor zijn hemelvaart, dat zij kracht van boven zullen ontvangen.

Daar zitten zij, min of meer veilig in hun huis, de deur dicht. Zo zag die eerste kerk eruit. Zij lijkt wel een beetje op de onze. Na alles wat is gebeurd, nu wij, zoals die eerste leerlingen, zoveel hebben verloren aan stevige overtuigingen en machtige bezittingen, aan duidelijke theologie waarin alles vast lag, nu blijft de kerk ook liever thuis. Houden wat we nog hebben. De deur zoveel mogelijk op slot. Dat is veiliger. Je weet maar nooit wie er binnen komt.

 

Enkele dagen geleden, de ochtend na de tweede nacht van hevige onweer, regen en wind, liep ik ’s morgens vroeg de kerk in. De sfeer, het gevoel was anders dan normaal. Al gauw zag ik de grote glazen deuren van de kerk openstaan. De avond tevoren had ik het wat weerbarstige slot kennelijk niet goed dichtgedraaid. De wind had zijn kans gegrepen en de zware deuren opengeduwd. Niet veel aan de hand. Het hek was gesloten. Een man, die wel eens bij de staat had gelogeerd, bekende mij laatst dat, hoe mooi hij het hek ook vond, het hem wel aan de gevangenis deed denken. Door de storm bewogen, opengestoten deuren. De aanblik maakte me blij. Die kerk ook met al haar hekken en sloten en geblokkeerde deuren.

 

De heilige Geest laat dat gezelschap in het afgesloten huis geen rust. “Plotseling kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak, een heel het huis waar zij gezeten waren, was er vol van”. Er was vuur, ze werden vol van Geestkracht, vervuld. Ze namen het woord, zij werden verstaanbaar in alle talen van de wereld.

 

Jezus was geboren en getogen in een godsdienst (waaraan Hij tot het einde trouw gebleven is), die bijzonder op de letter was, de letter van de wet en de uitleg van die wet, de tora. Geen kwaad woord daarover. Maar die trouw aan de letter van wet, woord, voorschrift en uitleg kon zo ver gaan dat die wet en dat woord met meer zorg werden bewaakt dan de mensen voor wie deze wet een hulp moest zijn, een weg naar leven in vrede en vreugde, naar redding, verlossing uit gevangenschap en onderdrukking. Een wet, een woord nauwelijks verstaanbaar voor gewone mensen en nog minder voor buitenstaanders.

 

Ook wij zijn opgegroeid in een kerk met de vele prachtige woorden, woorden van de heilige Schrift en van de eerbiedwaardige traditie van vele eeuwen, woorden ook van een canoniek wetboek dat elk hoekje, elke centimeter van het kerkelijk, gelovig leven beschrijft, regelt, en procedures heeft vastgesteld voor als iets menselijk fout gaat, als een mens ontspoort in de complicaties van zijn levensgeschiedenis. Alles is in regels en procedures gevangen. Er zijn mensen die meteen het juiste wetsartikel met nummer en al weten op te noemen, uit het hoofd. Een kerk, zo goed geregeld, zo goed beschermd tegen het toeval, het onverwachte, dat de storm wel heel hevig moet worden om de afgegrendelde deuren te kunnen openwaaien.

 

Wat geldt voor de kerk geldt ook voor mij en misschien ook voor u. Ook wij leven misschien wel figuurlijk gezien in een afgesloten huis. Ook mijn hart is wellicht stevig afgegrendeld. Wij leven in een tijd waarin de tegenstellingen tussen groepen, culturen, politieke partijen, levensbeschouwingen en godsdiensten steeds groter worden. Mijn uitleg, mijn vertaling is de beste en die zal ik laten horen. Zou het ooit nog lukken elkaar te verstaan? Krijgt de heilige Geest de kans om mijn zorgvuldig opgebouwde ego omver te blazen, mijzelf te leren relativeren? Het zal de Geest niet meevallen. Onze ego’s worden in ons sociale media-tijdperk uitvergroot. Wij leven met onze persoonlijke bucket-list. Ik wil mijn ding doen. Maar wat als al die dingen zijn gedaan?

 

Paulus (in de tweede lezing) is optimistisch. De geest die wij ontvangen hebben zal ons bevrijden van alle slaafsheid aan ons eigen ego, onze zelfzucht. We worden pas echt mens als wij van onszelf bevrijd worden; als we naar buiten gaan, zoals Maria en de apostelen deden, moeite doen verstaanbaar te worden, proberen de anderen te verstaan, ons met de ander te verbinden, je zelf te geven, hoeveel moeite dat ook kost.

 

Bidden we vandaag dat wind van Gods heilige Geest onze deuren openwaait en ons eindelijk vrij maakt. Amen.

 

Nico van der Peet

 

--------------------------------------------------------------------------

[1] Handelingen der Apostelen 2, 1-11; Romeinenbrief 8, 8-17; Johannes 14, 15-16. 23b-26


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 2 juni 2019, zevende zondag van Pasen[1]

 

 

Wij zijn zoekende mensen, om wie God zich bekommert. Die golven van liefde die wij voelen, ondervinden, ontvangen en geven, hebben wij niet zelf kunnen bedenken, die gaan ons biologisch primaten-bestaan verre te boven. Zij zetten voor ons de hemel op een kier, zij zijn de weg naar God.

 

GEBED

 

God, wij belijden dat Christus bij U is in heerlijkheid en de Verlosser is van alle mensen.

Luister naar ons bidden:

dat de Heer bij ons blijft tot in de vervulling van de tijden,

zoals Hij ons heeft toegezegd, Jezus onze Heer. Die met U leeft…

 

 

VERKONDIGING

 

“Wat is uw achtergrond?” vroeg mij de eigenaar van de cartridge-winkel, waar je inkt-vullingen kan kopen voor de printer. Ik kom al tien jaar in zijn zaak, zolang hij er is. Een aardige man met een Maastrichts accent, die graag en boeiend kan spreken over zijn vak, de wereld van de computer, die ik wel met vallen en opstaan kan gebruiken, maar bijna niet doorgronden. Hij weet alles en legt geduldig en nauwgezet uit. Na tien jaar vroeg hij me (er waren geen andere klanten in de winkel, misschien durfde hij het daarom te vragen): “wat is uw achtergrond?” Langzaam leidde ik mijn antwoord in. “Ik zit in een heel andere sector, zeg maar de religieuze”. Maar ja, dan moet je er toch mee voor de draad. En ik zei wat ik doe en wie ik ben. Uiteraard is hij, de Maastrichtenaar ook katholiek…van huis uit. “Dat begrijpt u wel”. Heel goed begreep ik het eerste, maar dat laatste “van huis uit” moest ik dan ook maar begrijpen. In drie woorden maakte hij me duidelijk dat hij geen voet meer in een kerk zet. “Maar ja”, zei hij, “de mensen blijven zoeken tegenwoordig, dat is toch wel apart”. Mijn antwoord: “Ik denk dat dit zoeken bij het mens-zijn hoort”. Met een verre blik beaamde hij het.

 

Mijn computer-steun en -toeverlaat heeft het goed gezien: alle mensen zijn zoekers. Juist als wij denken alles gevonden te hebben, ons leven op orde, alle uithoeken van het internet te kennen en alle mogelijke vakantiebestemmingen te hebben gezien, merken we dat wij innerlijk onvoldaan zijn, verder willen reiken. Is dit alles?

 

Een van de meest deprimerende boeken, romans die ik ooit heb gelezen, over een man die na een korte periode van geluk en liefde in grote eenzaamheid terecht komt en de hardheid en het individualisme van onze westerse cultuur ondervindt, eindigt, tot mijn grote verbazing en vertroosting, met de volgende woorden:

 

“In werkelijkheid bekommert God zich om ons, Hij denkt elk moment aan ons en geeft ons aanwijzigingen, soms heel nauwkeurige. Die golven van liefde die in onze borst opwellen en ons de adem benemen, de ingevingen en extases, waar onze biologische natuur, onze eenvoudige primaten-status geen verklaring voor kan bieden, zijn uitzonderlijk heldere tekenen.

En ik begrijp nu het standpunt van Christus, de ergernis die al die ongevoelige harten steeds bij hem wekken: ze hebben alle tekenen, en ze trekken zich er niets van aan.”[2]

 

Wij zijn zoekende mensen, om wie God zich bekommert. Die golven van liefde die wij voelen, ondervinden, ontvangen en geven, hebben wij niet zelf kunnen bedenken, die gaan ons biologisch bestaan verre te boven. Zij zetten voor ons de hemel op een kier, zij zijn de weg naar God.

 

In de eerste lezing horen wij dat Stephanus de hemel open ziet en Jezus, ten hemel opgevaren, staande aan Gods rechterhand. Deze eerste diaken, deze zoeker, man die alles gaf voor de armen, wiens leven zin had gekregen door de persoon van Jezus, ziet door alle teleurstelling heen. Evenals Jezus deed aan het kruis, bidt hij in doodsnood voor zijn vijanden, zijn beulen.

We horen ook Jezus bidden, in zijn laatste gebed, vlak voordat Hij gearresteerd wordt. Hij sloeg zijn ogen ten hemel. Aan de aarde hebben wij niet genoeg, ook al wil onze westerse cultuur ons dat doen geloven. In die vreselijke laatste avond van zijn aardse leven ziet Jezus toekomst. Mogen allen een zijn, zoals U, Vader in Mij en Ik in U”. Ons aardse, lichamelijke bestaan mag dan broos en kwetsbaar zijn, er is een band, een vriendschap, een liefde die daarboven uit gaat, die sterker is dan het geweld van deze wereld, sterker dan de dood.

 

Deze zondag tussen hemelvaart en Pinksteren wordt ook wel de wezenzondag genoemd. Na de hemelvaart van Jezus blijven wij achter in een vaderloze wereld, moederziel alleen. Wij zijn zoekers, zoals mijn computerman, zoals ik zelf. Wij kunnen het internet tot in zijn uithoeken verkennen. wij kunnen reizen naar de meest afgelegen bestemmingen. Laten we de reis naar ons hart niet vergeten. “Die golven van liefde die in onze borst opwellen en ons de adem benemen, de ingevingen en extases, waar onze biologische natuur, onze eenvoudige primaten-status geen verklaring voor kan bieden, zijn uitzonderlijk heldere tekenen” van God. Om het met sint Augustinus te zeggen: ‘Onrustig, overal zoekend, ongedurig is ons hart totdat we rust hebben gevonden in God’. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------------------------

[1] Handelingen 7, 55-60; Apokalyps 22,12-14. 16-17.20; Johannes 17, 20-26

[2] Michel Houellebecq, Serotonine, Amsterdam 2019, pagina 303


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                      26 mei 2019, zesde zondag van Pasen[1]

 

Gelooft u mij, je wordt er soms een beetje moe van: een kerk die almaar bezig is met beleidsstukken, om de toekomst te plannen. Met die stukken worden gemeenschappen de maat genomen. Dat is wel een beetje begrijpelijk, want de kerk moet redelijke besluiten nemen. Maar je kunt ook doorslaan en niet meer openstaan voor het onverwachte, het totaal nieuwe dat je in je stoutste dromen niet had voorzien. Dat heerlijk nieuwe en onverwachte - als een onverdiend geschenk, als pure genade - gebeurde in Antiochië in Syrië.

Nieuwelingen en oude getrouwen

 

De eerste lezing uit het boek Handelingen van de Apostelen verhaalt over een ook voor ons zeer actueel thema: hoe gaan we om met de diversiteit van   de geloofsgemeenschap? Moeten nieuwelingen zich aanpassen aan de oude, geldende regels van de gemeenschap? Moeten zij worden zoals wij of mogen wij allen veranderen? Zoals wij ook hebben gedaan vijf jaar geleden toen alle gemeenschappen in Noord samenkwamen in dit ene huis? Moeten de nieuwelingen zich aanpassen of moet de kerkgemeenschap als geheel, de oude getrouwen en de nieuwelingen samen zich aanpassen?

 

Volgens een groep rechtzinnige gelovigen moesten de mannelijke nieuwelingen, niet-Joden zich laten besnijden. Zo was de leer van Mozes: zonder besnijdenis hoorde je niet bij het volk van het verbond, de vriendschap met God en de medegelovigen. Zo is het nog steeds in het jodendom en ook in de Islam.

 

Maar in de kosmopolitische, grote stad Antiochië in Syrië was iets volkomen onverwachts gebeurd. Ook niet-joden, mensen uit diverse volken en culturen werden lid van de eerste christengemeenschap. Wat moeten we aanvangen met dit onverwachte, wat wij niet hadden voorzien in onze kaski-rapporten en bisschoppelijke beleidsstukken?

Gelooft u mij, je wordt er soms een beetje moe van: een kerk die almaar bezig is met beleidsstukken, om de toekomst te plannen. Met die stukken worden gemeenschappen de maat genomen. Dat is wel een beetje begrijpelijk, want de kerk moet redelijke besluiten nemen. Maar je kunt ook doorslaan en niet meer openstaan voor het onverwachte, het totaal nieuwe dat je in je stoutste dromen niet had voorzien. Dat heerlijk nieuwe en onverwachte - als een onverdiend geschenk, als pure genade - gebeurde in Antiochië in Syrië.

 

De orthodoxen zeiden: ‘Niets mee te maken. We moeten gewoon het oude beleid toepassen. Al die vreemde mannen uit allerlei volken moeten zich aan onze regels houden en zich laten besnijden. Anders horen ze er niet bij. Hoezo de voorzienigheid, het onverwachte ingrijpen van God? Wij, kerkelijke mensen en leiders, bepalen hoe de Geest waait en waar Hij waait.’

 

Barnabas en Paulus, die zelf een letterknecht was geweest en daar heel onuitstaanbaar en ongelukkig van was geworden, wilde deze mentaliteit niet meer en ging de strijd aan. Hij wist een dialoog, een open gesprek mogelijk te maken, ruimte voor de Heilige Geest. Over de strijdvraag gingen zij geduldig in gesprek en bovenal gingen zij naar elkaar luisteren en naar de wil van de Heilige Geest. Dat vraagt tijd, geduld, nederigheid, respect.

 

Hoe ga je met het onverwachte om, in je persoonlijk leven, in de kerk en in de samenleving? Schiet je in verkramping, de letter van de wet of durf je kwetsbaar te worden, je open te stellen voor de Geest?

Toen, aan het begin van de kerkgeschiedenis in Jeruzalem en Antiochië en nu klampen sommigen zich vast aan het staand beleid. Mensen bevriezen tot onbeweeglijkheid en rigorisme. Anderen accepteren de onzekerheid, durven wat hun ooit zekerheid gaf los te laten, gelovig, vertrouwend, bescheiden, nederig.

 

We horen in de eerste lezing het eerste kerkelijke besluit, genomen op het eerste concilie, in Jeruzalem. Let op de prachtige, verrassende woorden die een wereld van vertrouwen en hoop opent: “De heilige Geest en wij hebben namelijk besloten u geen zwaardere last op te leggen dan het strikt noodzakelijke…”

Natuurlijk, er moeten regels zijn. Maar niet méér dan het strikt noodzakelijke. Regels moeten ons met elkaar verbinden en niet mensen uitsluiten. Regels zijn een uitnodiging tot navolging van Jezus en verbondenheid onder elkaar. Geen juk om anderen te kneden naar jouw beeld en ideaal.

 

De tweede lezing, uit de Apokalyps, de openbaring van Johannes, ziet het ideaal verwezenlijkt, er zijn geen muren meer, God verlicht alle mensen, zelfs de tempel is niet meer nodig. En op de zondag voor hemelvaart horen wij de laatste woorden van Jezus, vlak voordat Hij wordt weggenomen, gearresteerd. In dat uur van opperste verwarring en doodsangst spreekt Jezus over…vrede, slalom.

 

De woorden die de priester altijd bidt vlak voor de vredewens, evenals Jezus aan de tafel van zijn maaltijd, waarin Hij zijn levensoffer viert: “Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u”. Niet de vrede die wij bedenken of anderen opleggen. Niet het soort van beleid dat de wapens laat zwijgen maar de onvrede zo lang mogelijk onder tafel houdt. Een slappe vrede waarvan niemand gelukkig wordt. Maar de vrede, de sjalom die Jezus geeft, waarvoor Hij Zichzelf, zijn lichaam en bloed heeft gegeven. Moge die vrede ons vervullen en bevrijden. Amen.

 

-------------------------------------------------------------------

[1] Handelingen 15, 1-2. 22-29; Apokalyps 21, 10-14. 22-23; Johannes 14, 23-29