Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 19 juli 2020

                               Zestiende zondag door het jaar[1]

 

Christenen hoeven niet te vluchten. In deze wereld wil het Rijk van God groeien en christenen hebben de roeping daaraan mee te werken. De kerk moet de wereld niet de les lezen, maar haar zoals Jezus deed, verhalen vertellen, voorhouden en vooral voor-leven. Het goede verhaal van God die geduld heeft, die allen laat opgroeien tot de oogst; die niemand uitrukt en weggooit; die iedere mens de kans geeft om geen ongerechtigheid te doen, maar te leren doen wat recht is, waar waar is, wat liefde doet.

In dit bijzondere jaar 2020, getekend door de coronapandemie, blijven veel mensen in deze zomer wat dichter bij huis dan gewoonlijk. Bijvoorbeeld René Hendriks, onze diaken, is momenteel op vakantie, samen met zijn vrouw en zijn zoon, in eigen land. Ook ikzelf zal niet ver gaan. Eind van deze maand hoop ik een dag of zes naar vrienden in België te gaan. Gelukkig is de grens weer open. Hopelijk blijft dat zo.

In andere jaren reis ik wel graag door Italië of door Frankrijk. Het zal u niet verbazen dat ik naast genieten van de natuur ook graag kerken bezoek en kloosters. Een bijzondere liefde heb ik voor kloosters die gebouwd zijn in de twaalfde en dertiende eeuw door monniken die cisterciënzers worden genoemd. In later eeuwen ontvingen zij de naam trappisten. In de hoge middeleeuwen hebben zij vele kloosters gebouwd: stoere, sobere, verstillende kloostergebouwen en kerken, zonder veel beelden, alleen een kruis en een Mariabeeld. Het gebouw, de architectuur, vonden deze monniken, mogen je niet afleiden van de kern van het geloof. De monniken-architecten waren meesters van het licht, dat door spaarzame vensters binnentreedt in de ruimte.

 

Wat zochten die mannen?

Zij hadden de  wereld achter zich gelaten. Zij hadden een radicale keuze gemaakt. Zij wilden zich niet inlaten met de verleidingen van de wereld. Zij wilden verre blijven van mensen ‘die tot zonde verleiden en ongerechtigheid bedrijven’. Door hun prachtige, eenvoudige kloosters waarmee het land bezaaid was, schiepen zij een parallelle wereld. Overigens was hun leven niet altijd eenvoudig. Want je kunt wel een aparte wereld creëren, maar je neemt jezelf mee. In jouw hart, geest, herinnering leeft heel die wereld buiten. In onze wereld bestaan geen vrijplaatsen, geen stormvrije zones. Goed en kwaad, liefde en haat, zelfgave en egoïsme leven in elk mensenhart, tarwe en onkruid groeien samen op.

 

Daarover spreekt de gelijkenis van Jezus. Jezus citeert psalm 78: “Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen, Ik zal openbaren wat verborgen is geweest vanaf de grondvesting der wereld”. Wat een prachtige zin!

Jezus doet over ons leven geen dogmatische uitspraken, Hij vertelt verhalen, gelijkenissen. Zoals ouders, grootouders, docenten doen. Zij weten dat hun kinderen niet geraakt, gevormd worden door kraakheldere definities, geboden en verboden. Maar wanneer de meester of de juf, de ouders een verhaal vertellen dan spitsen de kinderen hun oren. Zo doet ook Jezus. Heel het dertiende hoofdstuk van het Matteusevangelie bevat gelijkenissen, verhalen.

 

Zóveel mensen zijn komen luisteren dat Hij in een boot moest plaatsnemen om de menigte aan de oever te kunnen toespreken: een preekstoel op het water. Geen hoogverheven kansel, hoog boven het gewone leven van de mensen, maar een bootje op gelijk niveau.

 

Jezus kijkt vanaf het Meer van Gailea naar het land: wat groeit daar allemaal; wie leven daar op het land, op het goede land dat God zijn volk heeft gegeven, het veelbelovende land, waar God een samenleving wilde beginnen van recht en gerechtigheid, waarheid en liefde? De mensen zouden de ruimte en de tijd krijgen om voor het goede te kiezen. De mensen zijn vrij, zij kunnen kiezen. Die vrijheid is een enorm waagstuk. Op dat land groeit van alles: het goede en het kwade, kinderen van het Rijk van God en kinderen van het kwaad. De wereld is ambivalent, dubbelzinnig, nu eens verrukkelijk, dan weer weerzinwekkend. We hebben dat vrijdag weer herdacht, zes jaar precies na de MH17-tragedie, veroorzaakt door kinderen van het kwaad. Sint Augustinus was daar heel duidelijk over. Je hebt de stad van God en de stad van de boze. De mensen, vond hij, konden zich beter maar afkeren van deze wereld. Zoals die middeleeuwse monniken deden.

 

Sinds het tweede Vaticaans Concilie is onze kerk wat voorzichtiger geworden, wat meer genuanceerd. Christenen hoeven niet te vluchten. In deze wereld wil het Rijk van God groeien en christenen hebben de roeping daaraan mee te werken. De kerk moet de wereld niet de les lezen, maar haar zoals Jezus deed, verhalen vertellen, voorhouden en vooral voor-leven. Het goede verhaal van God die geduld heeft, die allen laat opgroeien tot de oogst; die niemand uitrukt en weggooit; die iedere mens de kans geeft om geen ongerechtigheid te doen, maar te leren doen wat recht is, waar waar is, wat liefde doet.

 

Gelovig zijn is liever dus geen vlucht uit de wereld.

Maar nu zijn er in onze tijd mensen die zeggen dat gelovigen wereldvreemd zijn, niet meer passen met hun levensbeschouwing in een moderne, postmoderne tijd, waar je beter uitsluitend op je verstand, je ratio kunt bouwen. Ze hebben gelijk als zij beweren dat het verstand, onze rationele vermogens van groot belang zijn. Ratio, de menselijke rede en het geloof hoeven niet tegenover elkaar staan. De gelovige staat met beide benen in deze wereld. Hij hoeft niet te vluchten. Hij of zij ziet beter niet op de wereld neer, en nestelt zich liever niet behaaglijk in een vrome, klerikale, kerkelijke, stormvrije zone. Jezus is integendeel de wereld ingegaan. Anders dan Johannes de Doper bleef hij niet in de woestijn, maar Hij ging naar de steden en dorpen. Hij ontving de mensen aan de oever van het Meer. Hij openbaarde hen wat verborgen is geweest vanaf de grondvesting der wereld. Hij wil dat allen kunnen opgroeien tot de oogst, totdat alles is volbracht. Laten wij kiezen voor de gerechtigheid, elkaar niet de maat nemen, de wereld liefhebben, niet om ons in haar te verliezen, maar om haar menselijker te maken. Want Jezus heeft zijn leven niet gegeven om ons wereldvreemd te maken, maar om de wereld en ieder van ons te redden. Amen.

 

Nico van der Peet

 

 

------------------------------------------------------------------

Afbeelding: Abdij van Fontenay, kloostergang

[1] Wijsheid 12, 13. 16-19; psalm 86; Romeinenbrief 8, 26-27; Matteüs 13, 24-43


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 12 juli 2020

                        vijftiende zondag door het jaar.[1]

 

Hoe diep is het woord eigenlijk in de aarde van uw en mijn hart gevallen, kunnen we ons afvragen? Onze ouders, grootouders, de kerk heeft het in ons uitgezaaid. Soms vraag ik gelovigen na de drie maanden van kerksluiting in verband met de corona-pandemie: ‘heeft u het gemist, de kerk, het woord, de eucharistie, de communie?’

 

“Op zekere dag verliet Jezus zijn huis en ging aan de oever van het meer zitten.” Jezus was opgegroeid en woonde een groot deel ook van zijn volwassen, openbare leven in Galilea, het noordelijk deel van wat wij het Heilig Land noemen. Het is een verrukkelijk deel van het land. In de heuvels van Galilea is het klimaat heerlijk, soms een beetje te heet en er is dat prachtige Meer, waar het verschrikkelijk kan stormen maar waar ook een sublieme rust kan heersen, met een rimpelloze waterspiegel. Ooit dobberden enkele tientallen parochianen uit ons Amsterdam-Noord op dit Meer.

 

Jezus leefde en woonde dichtbij. Nazareth en Kafarnaum zijn niet ver. Zijn eerste leerlingen, apostelen waren vissers. Wat wisten zij helemaal van zaaien en oogsten in de vaak weerbarstige, rotsachtige bodem van Galilea? Zij waren mannen, die, evenals Jezus, de storm durfden te trotseren in hun vissersboten. Eenmaal heeft Jezus de storm bedaard en over het onzekere water met zijn onpeilbare diepte gelopen. Zoals Hij uiteindelijk over het water van de dood is gegaan en erin is ondergegaan. En tenslotte uit het water omhoog werd getrokken en is opgestaan.

De eerste leerlingen wisten niks van een bestaan op het land, van zaaien en oogsten. Jezus moet het hun leren.

Want zij moeten niet alleen vissers van mensen zijn, maar ook het Woord zaaien en de mensen leren een vruchtbare bodem te worden, waarin het uitgezaaide woord kan ontkiemen en tot groei en bloei kan komen.

 

Eigenlijk zijn wij allemaal zaaiers van woorden. Als het goed is nemen wij het geduld en betonen wij de nederigheid om naar medemensen te luisteren en hun woorden te overwegen en er iets mee te doen, het te laten groeien. En wij spreken zelf. Soms iets te veel. Je moet oppassen met te veel adviezen en lessen te geven. Dan kunnen medemensen genoeg van je krijgen, je afstandelijk en arrogant gaan vinden. Ouders, docenten, hulpverleners, grootouders, predikanten zijn almaar woorden aan het zaaien. ‘Ik heb ze het beste van mezelf meegegeven, verteld, voorgeleefd, maar zij gaan toch helemaal hun eigen gang, hun eigen weg.’ Dat is inderdaad iets heel wonderlijks en soms moeilijks. Ouders en grootouders klagen daar wel eens over. Jezus spreekt er ook over. ‘Ze hebben wel ogen, maar ze zien niet, ze hebben wel oren maar ze horen niet.’  Sommigen willen expres niet horen en zien, zegt Jezus in navolging van de profeet Jesaja, omdat ze anders hun leven zouden moeten veranderen, omgooien, zich zouden moeten bekeren. Zoals u en ik misschien ook wel met onze ouders hebben gedaan. ‘Ik wil niet meer luisteren, ik wil mijn eigen beslissingen nemen.’ ‘En dat moet je dan respecteren’, hoor ik verstandige ouders altijd zeggen. En dat zeg ik tot mijzelf in stilte, als ik mensen zie die toch ooit met aandacht en liefde naar het woord van Jezus luisterden, in de kerk of daarbuiten, en het later leken los te laten en die je nooit meer hoort of ziet. Dat vind ik soms moeilijk en verdrietig. Dat is ook iets van een geheim van die ander. Alle zeilen probeer ik dan bij te zetten om niet te gaan oordelen, maar te wachten, te hopen, te geloven, die ander lief te hebben en voor hem of haar te bidden. En ik probeer mezelf na te gaan: heb ik het woord wel geloofwaardig verkondigd en vooral: voorgeleefd?

 

Hoe diep is het woord eigenlijk in de aarde van uw en mijn hart gevallen, kunnen we ons afvragen? Onze ouders, grootouders, de kerk heeft het in ons uitgezaaid. Soms vraag ik na de drie maanden van kerksluiting in verband met de corona-pandemie: ‘heeft u het gemist, de kerk, het woord, de eucharistie, de communie?’ Sommigen bevestigen: ‘jazeker, ik heb het gemist en ik ben blij weer te gaan.’ Maar er zijn er ook die zeggen: ‘nee, het woord, de communie, nee, die heb ik niet gemist, moet ik eerlijk bekennen.’

Dat hoeft ons ook niet te verbazen. De afgelopen jaren zagen wij de kerken leeglopen, hier bij ons, in heel ons land en in heel West- en Zuid-Europa. Je zou kunnen zeggen dat de maandenlange sluiting door corona ons allemaal nog eens stevig door elkaar heeft geschud en ons voor heftige vragen stelt, teruggeworpen op onszelf als wij waren en veelal nog zijn.

Bijvoorbeeld: wat heeft er nu werkelijk wortel geschoten in ons leven? Waar heb ik echt behoefte aan? Waaruit put ik werkelijk kracht: het contact met de medemensen, de gemeenschap, het Woord, de communie, de sacramenten?

Wat geeft zin aan mijn leven, wat helpt mij de zinloosheid die er ook is aan te kunnen? Paulus schrijft daarover bloedstollend eerlijk: ‘De schepping is onderworpen aan een zinloos bestaan.’ Je moet het maar durven zoiets te zeggen. Maar misschien herkennen wij het wel, op sommige momenten, als je leven in een dal, in de schaduw is terechtgekomen.

 

Jezus zit daar, aan de oever van het Meer. Je ziet het voor je. Hij kijkt naar al die mensen die naar Hem toegekomen zijn. Ze zien Hem als de Messias, ja als hét Woord, dat ooit als een zaad in de aarde begraven zal worden.

Er zijn zoveel mensen dat Hij in een boot moest stappen. Een wonderlijke preekstoel, een dobberend bootje op het Meer. Zo kwetsbaar is de verkondiging. Maar Jezus gaat de uitdaging aan. Hij blijft het proberen: het woord zaaien, en Hij blijft het ons leren.

 

Mogen wij leren van zijn nederigheid, zijn geduld, zijn doorzettingsvermogen. Uiteindelijk hebben zij Hem, hét Woord, tot zwijgen gebracht. Maar het Woord van leven, liefde, geloof en hoop is niet tot zwijgen te brengen.

Laten we weer terugkomen en naar Hem luisteren en er een tegenwicht in vinden voor alle onzin en zinloosheid die er in deze wereld wordt uitgekraamd en er kracht en troost en nieuwe hoop in vinden. Zo moge het zijn. Amen.

 

Nico van der Peet

 

------------------------------------------------------------

[1] Jesaja 55, 10-11; psalm 65; Romeinenbrief 8, 18-23; Matteüs 13, 1-23

Afbeelding: De Zaaier, Vincent van Gogh


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus,  zondag 5 juli 2020

                      Veertiende zondag door het jaar[1]

 

Kwantitief maakte Jezus de godsdienst lichter, geen eindeloos afvinken meer van honderden regels.

Kwalitatief vraagt hij alles van Zichzelf, van u, van jou en mij. Dus niet langer vluchten in de vele details, maar gaan voor heel je leven.

 

“Mijn juk is zacht en mijn last is licht.”

Wie zegt dat het christen-zijn, het volgeling zijn van Jezus iets zwaars is, iets ernstigs, iets dat je neerdrukt, scrupuleus of angstig maakt, die zou het evangelie van vandaag rustig kunnen overwegen.

Voor niet weinige mensen is het religieus zijn, of je nu christen bent, joods of moslim helaas iets zwaars, een enorme opdracht, waaronder zij gebukt gaan. Zo was het ook in Jezus’ tijd. Jezus leefde, verkeerde in kringen van de farizeeën. Zij waren heel nauwgezette, gewetensvolle mensen. Zij maakten werk van hun geloof. Alle voorschriften en geboden van de wet van Mozes namen zij heel serieus. In de eerste vijf boeken van de bijbel, die die wet vormen, staan honderden leefregels, richtingwijzers, verkeersborden als het ware om rechtvaardig, menselijk te kunnen leven. Ook Jezus hield van al die honderden regels. In ons Matteüsevangelie, waaruit wij ook vandaag lezen, vind je ergens deze uitspraak van Jezus: “Denk niet dat ik ben gekomen om de Wet of de Profeten af te breken. Ik ben niet gekomen om af te breken, maar om te vervullen.”[2] Geen lettertje mocht je van Jezus veranderen, geen tittel of iota (dat zijn letters uit het Hebreeuwse alfabet).

 

Inderdaad, aan die wet heeft Jezus niets veranderd. Hij was een rechtgelovige, trouwe joodse gelovige, een echte rechtvaardige. Dat zei de Romeinse soldaat dan ook meteen nadat Jezus was gestorven aan het kruis: “waarlijk, deze man was een rechtvaardige[3], een tzadik, een rechtvaardig mens zoals de traditie van Israël dat zag.

 

Die levenswet die Jezus heeft vervuld, vol gemaakt door zijn rechtvaardigheid, zijn liefde voor de eenvoudigen, de armen, de kinderen van deze wereld, was door sommige farizeeën tot een loden last gemaakt. Zo kún je met godsdienst omgaan. Je kunt de godsdienst gelijkstellen met een heel systeem van voorschriften en geboden, een onbuigzame meetlat waarlangs je je jouw leven en dat van anderen legt. Psalm 130 bidt: “Heer als u onze zonden blijft tellen (onze vele grote en kleine tekortkomingen tegen uw geboden), Heer, wie houdt dan stand?” Maar het gaat gelukkig verder: “Maar bij U vind ik vergeving, daarom zoekt mijn hart naar u”.

Je kunt van de godsdienst een wetboek maken met honderden voorschriften, regels, canones. Gewapend daarmee kun je jezelf beoordelen en anderen. En dat gebeurde in Jezus’ tijd. Zo hebben ze uiteindelijk ook Jezus beoordeeld en veroordeeld, totdat Hij uiteindelijk de ondraaglijke last van het kruis moest dragen. Uiteindelijk, leert ons Jezus’ lot, gaat een mens daaraan te gronde.

Nog steeds komt het voor dat mensen zo beoordeeld worden, hun levenswijze en denken langs de meetlat van de wet gelegd. ‘Wie houdt dan stand?’

 

Jezus wilde geen letter aan de wet veranderen, maar toch werd bij Hem en door Hem alles anders. Vergeleken met zijn tijdgenoten, de farizeeën maakte hij de godsdienst kwantitatief lichter. Door zijn wenkbrauwen keek hij door de veelheid van wetten en regels heen naar het doel van de wet: de beleving van de liefde tot God en de naaste. Hij bevrijdde de mens die meende dat hij of zij pas liefde waard was, als hij of zij zo volmaakt mogelijk leefde en werkte en nooit een fout maakte. Wie zo leeft lijkt heel prijzenswaardig en godsdienstig, maar hij of zij is eigenlijk zichzelf aan het verlossen; zo iemand geeft God helemaal niet de kans om hem of haar liefde te geven en te verlossen. Zo iemand gaat gebukt onder het juk, de last van zijn eigen perfectionisme en voelt zich nooit echt geliefd, gewaardeerd, bevestigd.

 

Kwantitief maakte Jezus de godsdienst lichter, geen eindeloos afvinken meer van honderden regels.

Kwalitatief vraagt hij alles van Zichzelf, van u, van jou en mij. Dus niet langer vluchten in de vele details, maar gaan voor heel je leven. Niet even naar de kerk of even naar de mis kijken, even iets overmaken, een gebedje hier en daar, even het brevier en de rozenkrans en dan ben ik weer van God af. Dan kan ik daarna weer mijn gang, of zelfs mijn goddeloze gang gaan.

Nee, met het badwater van de vele regels moeten wij oppassen niet het kind van het leven, de rechtvaardigheid, de liefde weg te gooien. Zo is het wel gebeurd. Velen hebben met het loslaten van strenge regels van vroeger ook God zelf losgelaten, ongemerkt vergeten.

 

Geen kwantiteit derhalve, maar kwaliteit. Met Jezus de lichte last en het zachte juk dragen van de liefde tot God en onze medemensen, de liefde die die heel ons leven opeist én bevrijdt. De liefde die ons opent voor en geschenk is van de Geest, hoorden wij in de tweede lezing, die ons eindelijk bevrijdt van onze zelfzucht; die onze ogen en ons hart richt Hem die deemoedig is, niet rijdt op het paard van de machtigen, maar op de rug van een lastdier, die ons vrede geeft. Laten wij met Hem de kwaliteit zoeken, de licht last en het zachte juk van medemenselijkheid, rechtvaardigheid, liefde. Amen.

 

Nico van der Peet

 

 

------------------------------------------------------

[1] Zacharia 9, 9-10; Romeinenbrief 8,9.11-13; Matteüs 11, 25-30

[2] Matteüs 5, 17

 

[3] Lucas 23, 47


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 21 juni 2020

                      twaalfde zondag zondag door het jaar[1]

 

 

Het gaat dus om uw en mijn ziel: dat wij die niet verliezen.

Wat is je ziel? Kun je die lokaliseren, in beeld brengen?

Bestaat die wel?

Nee, niet zoals deze microfoon bestaat en dit kazuifel dat ik draag en vroeger werd gedragen en bezit was van pastoor Gerard Griffioen.

Nee, de ziel bestaat niet zoals dit tastbaar apparaat en dit liturgisch gewaad. U en ik hébben geen ziel, wij zijn bezield.

De ziel die heb je niet, die ben je.

Je ziel dat is jouw diepste zelf, dat is de waarheid over jouw leven

 

 

Daar heb je “Ontzetting overal”.

Dat was een bijnaam voor de profeet Jeremia.

De priesters, bestuurders, inwoners van Jeruzalem hadden hun bekomst van deze klagende profeet. ‘Vertel eens iets vrolijks. Val ons toch niet lastig met je ernstige woorden, je waarschuwingen.’

 

Jeremia waarschuwde zijn volk: als jullie zo doorgaan gaan de samenleving, de stad, de tempel, de godsdienst te gronde.

Eerst was er in Jeruzalem een koning die hem serieus nam en de godsdienst hervormde, oprecht maakte, aan de oppervlakkigheid en afgodendienst een einde maken. Maar na zijn dood kwam de klad er in. Jeremia werd een roepende in de woestijn, of liever: op de hoeken van de straten - hij was een stadsmens.

 

Hij had het zelf ook moeilijk. Hij klaagde tegen God: ‘laat mij toch met rust, ik wil een rustig leventje, U met uw roeping die mij maar voortjaagt.’

Ja, je hebt van die mensen, die kunnen hun mond niet houden.

Zij beschouwen het als hun persoonlijke opdracht om de dingen bij de naam te noemen, de schone schijn niet langer op te houden. Over zichzelf noch over de samenleving, de kerk, de godsdienst. Meestal loopt het niet goed af met zulke mensen. Uiteindelijk worden ze meestal buitenspel gezet, ontslagen, verleid om met behoud van inkomen voortaan hun mond te houden.

Sommigen leggen het moede hoofd in de schoot, anderen zijn niet te temmen, met tuchtmaatregelen noch met een afkoopsom. Jeremia was er zo een. Hij kon niet zwijgen.

 

Uiteindelijk krijgen zulke mensen gelijk, zo ook Jeremia. Ondanks zijn waarschuwingen luisterden de burgerlijke en kerkelijke gezagsdragers niet naar hem. En de stad en de tempel werden meedogenloos verwoest, het volk moest in ballingschap. Zoals hij had voorzegd.

 

Jeremia was niet bang. Hoor maar: “Ik heb mijn zaak in uw hand gelegd. Zingt een lied, een lofzang voor de Heer, want Hij heeft het leven van de arme uit de macht van de boosdoeners gered”. Hij had al zijn angsten overwonnen.

 

Eeuwen later bad Jezus ook zo: “Vader, in uw hand leg Ik mijn geest”. Zelfs aan het kruis heeft Hij zo gebeden.

Jezus raadt u, jou en mij aan om niet bang te zijn.

Ik moet u bekennen dat ik het niet gemakkelijk vind. Ik ben geneigd mij soms maar rustig te houden als het al te spannend wordt, te proberen te bemiddelen, te sussen, te verzoenen. Ik zeg het u eerlijk. Soms word ik er doodmoe van.

 

Jezus raadt u, jou, mij aan: Weest niet bang voor de mensen…wees niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel”.

 

Het gaat dus om uw en mijn ziel: dat wij die niet verliezen.

Wat is je ziel? Kun je die lokaliseren, in beeld brengen?

Bestaat die wel?

 

Nee, niet zoals deze microfoon bestaat en dit kazuifel dat ik draag en vroeger werd gedragen en bezit was van pastoor Gerard Griffioen.

Nee, de ziel bestaat niet zoals dit tastbaar apparaat en dit liturgisch gewaad. U en ik hébben geen ziel, wij zijn bezield.

De ziel die heb je niet, die ben je.

Je ziel dat is jouw diepste zelf, dat is de waarheid over jouw leven. Als je die verliest dan ben je alles kwijt. Dan functioneert jouw lichaam nog wel, je hart klopt, het bloed stroomt, maar je bent jezelf kwijt, je hebt jezelf verkocht aan de hoogste bieder, het geld, het laffe compromis, je leven is een leugen geworden. Je vege lijf gered, je ziel verspeeld.

 

Zoals het is met uw en mijn ziel, zo is het met uw en mijn God. Hij wil niet dat ook maar één mus op de grond valt. Dat staat er niet. Hij is geen onbegrijpelijke, willekeurige man met wit haar boven de wolken, die wel even bepaalt wie staande blijft en wie ten val komt. Het staat er anders. Letterlijk staat er: “En toch zal zonder uw Vader niet één mus op de grond vallen”.

Het gebeurt wel dat zo’n arm musje of nog erger een arm mens valt, iets breekt en niet meer kan opstaan, maar dat is niet Gods wil. Wat dan wel? Het gebeurt, zegt Jezus ons, niet zonder God.  Anders gezegd: het gaat Hem ter harte, het breekt zijn hart, Hij is erbij als een mens valt. En niemand valt of hij valt in zijn handen.

 

De woorden van Jezus zijn een stukje uit de zendingsrede. Zo stuurt Hij zijn kerkgemeenschap, u en mij op onderweg, vandaag en alle dagen die komen. ‘Wees niet bang voor de mensen’, verlies je ziel niet, verkoop jezelf niet, blijf trouw aan je roeping, blijf trouw aan wie jouw roeping is, je man, je vrouw, je geliefde, je kinderen, wees trouw aan God, die wij niet hebben, die wij niet kunnen begrijpen en nog minder kunnen grijpen, maar door Wie wij gegrepen, door Wie wij begrepen zijn, zonder Wie wij niet zullen staan of vallen, sterven of leven. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

-------------------------------------------------------

[1] Jeremia 10, 10-13; Romeinenbrief 5, 12-15; Matteüs 10, 26-33

Afbeelding: Michelangelo, de profeet Jeremia (Sixtijnse kapel)


Verkondiging Sacramentsdag in De Nieuwe Augustinus, 14 juni 2020[1]

 

“Terwijl in Nederland de opties voor de zomervakantie het gesprek van de dag zijn, gaat het in andere landen over de afweging tussen besmettingsgevaar en honger”.

Laten wij dankbaar de Heer, het levende Brood dat uit de hemel voor ons neerdaalt, ontvangen, -sacramenteel hier in de kerk, of thuis door geestelijke communie. En laten wij het brood van deze aarde menselijk leren delen. Opdat ieder van ons en heel de kerkgemeenschap sacrament mag worden van Gods overvloedige liefde voor alle mensen.

“Blijf denken aan heel die tocht”, drukt Mozes het volk op het hart. Hij bedoelt de lange tocht door de woestijn. Al het vertrouwde hadden zij achter zich gelaten. Egypte was dan wel een slavenhuis geweest, maar je wist daar wel waar je aan toe was. Het was hard werken, anderen deelden jouw dagen, jouw jaren, jouw leven in, maar er was te eten, er waren vleespotten. Het was een weliswaar onvrij, verslavend bestaan, maar tot de laatste dag van jouw gekooide existentie was je verzekerd van voedsel en een dak boven je hoofd. Wat wil een mens eigenlijk nog meer?

 

Omwille van dit ‘meer’ moesten zij weg uit dat slavenhuis met zijn vleespotten. Mozes zag het als zijn roeping. Het was gelukt. Maar het viel niet mee. Het was een hele tocht. Leven onder tentdoek, brood uit de hemel, een wonderlijke substantie die je in de woestijn kunt vinden, manna genaamd. Af en toe streken er zwermen kwartels neer, een stukje vlees bij het manna. Een lange weg, een crisis waar zij doorheen moesten.

 

“Blijf denken aan heel die tocht”, prent Mozes zijn volk in.

Vandaag vieren wij Sacramentsdag. Het Sacrament van brood en beker, Lichaam en Bloed van Jezus, wordt ook wel het Manna genoemd. Jezus noemt Zichzelf zo: “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald”. Een mens die is als brood dat je dagelijks nodig hebt om te overleven.

 

In onze geloofsbeleving staat dit levende Brood centraal. “Geeft niet het brood dat wij breken, gemeenschap met het Lichaam van Christus?”

In de voorbije drie maanden kon dit levende Brood, de heilige Communie niet worden uitgereikt. Opeens, verbijsterend snel en nagenoeg onverwacht stonden wij half maart met lege handen tegenover een crisis, die diep ingegrepen heeft in ons leven, in de levens van onze gezinnen, de kinderen en jongeren, gekluisterd aan huis, de ouderen aan huis of verzorgings- en verpleeghuis. Heel ons vertrouwde bestaan stond in een ander licht.

 

Zoals bij de Israëlieten in de woestijn was er in de eerste weken even iets van verwondering of zelfs opgewektheid: de ervaring van stilte, een langzaam, ontspannend levensritme, de heldere lucht, de stille stad, de lege wegen. Velen kwamen tot zichzelf en tot elkaar. Het soms wat verdwaasde bestaan, druk, druk, druk, kwam tot stilstand.

 

Zoals toen in de woestijn. Waar leeft een mens eigenijk voor, waar leeft een mens eigelijk van? Ben ik almaar druk, omdat ik de stilte, het gesprek, mezelf en wat er leeft in mijn intiemste binnenste niet durf te zien of te beluisteren, want dan moet ik misschien wel veranderen, tot inkeer, bekering, verheldering, verzoening komen?

Mozes zegt: Hij heeft u vernederd (dat betekent: weer met de voeten op de grond gezet, de heilige grond waarop ons leven zich afspeelt) en Hij heeft u op de proef gesteld om uw gezindheid te leren kennen…Hij heeft u vernederd en u honger laten leiden”.

 

Over honger en brood gaat het vandaag. Velen hebben gehongerd naar het Brood van leven, de heilige Communie. Zij bidden in de binnenkamer van hun eigen huis, nemen deel aan de geestelijke communie, ook vandaag weer velen die hier nog niet kunnen of durven te komen, begrijpelijk. Dat heeft ook iets bijzonders, die geestelijke communie, die wij, die gewoon waren altijd te communiceren, in elke viering, wat verleerd en vergeten waren. Deze tijd heeft ons geleerd weer in onszelf te keren, persoonlijk te bidden of met je partner of hele gezin. Dat is een grote waarde, lijkt mij. “Blijf denken aan heel die tocht”. Dat mogen we vasthouden als een geschenk van deze tijd.

 

Vanaf vandaag is er weer de sacramentele communie, zij het met opmerkelijke beperkingen. We moeten onze handen nog eens reinigen en achter een scherm staan, overigens prachtig ontworpen en vervaardigd door Nando Hendriks. En de priester moet de heilige Hostie niet met zijn handen maar met een pinzetta aanreiken. Ik nodig u uit door al die voorzichtigheid heen te zien, die het RIVM en de bisschoppen van ons vragen. En u te focussen op Jezus, het levende Brood dat uit de hemel is neergedaald. Hij trekt met ons mee. ‘Blijf denken aan heel die tocht. Hij heeft u vernederd en honger laten lijden, maar u ook het manna te eten gegeven. Een mens leeft niet van voedsel alleen’, van alles wat wij kunnen produceren, verhandelen, verdienen. Mozes en Jezus nodigen ons uit een diepere honger te stillen, dat ‘meer’ dat de Israëlieten moesten missen in hun harde verslavende bestaan in de mega-economie van Egypte.

 

Vandaag denken wij ook aan al die gelovigen die ver verwijderd wonen van de eucharistie, al die christenen bijvoorbeeld in het binnenland van Suriname die maar een of tweemaal per jaar de eucharistie kunnen vieren. En wij mogen denken aan de miljoenen mensen op deze aarde die dagelijks honger hebben naar het áárdse brood. Deze week las ik ergens: “Terwijl in Nederland de opties voor de zomervakantie het gesprek van de dag zijn, gaat het in andere landen over de afweging tussen besmettingsgevaar en honger”.

 

Laten wij dankbaar de Heer, het levende Brood dat uit de hemel voor ons neerdaalt, ontvangen, -sacramenteel hier in de kerk, of thuis door geestelijke communie. En laten wij het brood van deze aarde menselijk leren delen. Opdat ieder van ons en heel de kerkgemeenschap sacrament mag worden van Gods overvloedige liefde voor alle mensen. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

 

----------------------------------------------------------------

[1] Deuteronomium 8, 2-3. 14b-16a; 1Korintiërs 10, 16-17; Johannes 6, 51-58

 

Afbeelding: 

De bijzonder zegen Urbi et Orbi (voor Stad en Wereld) met het Allerheiligst Sacrament,

in de Corona-crisis, door paus Franciscus, vrijdag 27 maart jongstleden.


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 7 juni 2020

Hoogfeest Allerheiligste Drieëenheid[1]

met dertig gelovigen en via livestream

 

Vandaag vieren wij het hoogfeest van de Allerheiligste Drieëenheid.

Zo spreken wij over God. Het geheim achter alle geheimen dat God is, is volgens ons geloof geen monolitische grootmacht, die vanuit de hoogte als een boze witte man met zijn heilige Schrift heen en weer zwaait.  Nee, Johannes de evangelist zegt het subliem: God kon niet meer op zichzelf blijven. Hij stroomde zo over van liefde dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft, niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben.

‘De Heer ging hem voorbij’

Mozes kan de Heer niet in het gezicht zien. De Heer is Hem voorbijgegaan. Daarover, over dit voorbijgaan, hebben wij een heel mooi lied.

Onze organist, Victor, zal de melodie dadelijk spelen.

 

Wij mogen nog niet zingen. U weet het: er bestaan vermoedens dat door te zingen het virus gemakkelijk zich een weg kan banen naar onze medemensen.

We vieren dus nog maar even stille Missen, een oud fenomeen dat wij bijna vergeten waren. Maar we kunnen genieten van het orgel.

“Gij zijt voorbijgegaan een steekvlam in de nacht…

een voetspoor in de zee…

een vreemd bekend gezicht…

een vriend, een spoor van licht.”

 

Vandaag, de zondag na Pinksteren, vieren wij het geheim achter alle geheimen: God Zelf. Zijn oudste naam is volgens het oude testament:

‘Ik ben die Ik ben, Ik zal er zijn.’

Maar elke naam om God mee te noemen schiet te kort.

Een van de grootste mystiek begaafde mensen uit de geschiedenis, Meister Eckhart, die leefde in de dertiende eeuw, toen men in de pas opgerichte universiteiten heel geleerd sprak over het mysterie van God, - Meister Eckhart zei ooit in een preek: ‘Van God wil ik zwijgen.’

 

Hoe meer je leest en studeert over God, en dat had deze pater dominicaan gedaan, hoe meer je tot de bevinding komt dat je heel weinig weet; én hoe minder vertrouwen je hebt in mensen, die, al of niet geleerd, vrijzinnig of orthodox, het allemaal denken te weten.

Het is trouwens ook een beetje oneerbiedig, lijkt me, als je met geleerde argumenten iemand jouw stellige meningen over God gaat opleggen. Zo praat je niet over Hem die jij vereert als God.

In sommige gemeenschappen, in sommige landen gebeurt dat. Dan wordt God een leuze, een kreet, een strijdkreet waarmee je de anderen te lijf kan gaan. Dat zien we in alle grote godsdiensten. Je zag het ook in ons geloof, in de tijd van de kruistochten, je ziet in soms in de Islam, en ook in het hindoeïsme en boeddhisme. De onverdraagzaamheid. ‘Ik sta aan de kant van God, ik weet het.’ Een van de grote Nederlandse theologen besloot als jongeman in de eerste jaren van de tweede wereldoorlog theologie te gaan studeren, nadat hij, reizend in de trein, tot zijn ontzetting op de koppelriem van een SS-er de tekst las: ‘Gott mit uns’.

 

Voorzichtig dus maar, zou ik zeggen, met het spreken over God.

Zelfs in de bijbel ontspoort het spreken over God soms. Af en toe worden menselijke ideeën op God geprojecteerd. God wilde de dood van alle eerstgeborenen in Egypte. Een gruwelijke gedachte, zeiden deze week sommige deelnemers aan een zoom-bijbelavond onder leiding van broeder Joachim, onze stagiair. Dat kan toch niet waar zijn, dat God de dood van eerstgeboren jochies wil?

Nee, dan kan niet waar zijn. Dat is al te menselijk. In hun enthousiasme over die onvoorstelbare, heerlijke bevrijding uit Egypte zijn de vertellers van het verhaal een grens over gegaan.

 

De bijbel is dan ook geen massief boek, waar elke letter en zin dezelfde betekenis en zwaarte heeft. Ook in de bijbel zoeken de mensen naar God, naar zijn aanwezigheid. Zoals u en jij en ik een leven lang zoeken naar God, naar zijn aanwezigheid, naar de bestemming van ons leven, het doel, het einddoel.

“Geen stilte spreekt U uit, ondenkbaar is uw dood”.

 

Zelfs Jezus, de Zoon van God, mens geworden zoals wij, heeft aan onze zoektocht deelgenomen. ‘Ondenkbaar is uw dood’, schrijft de dichter. Ook voor Hemzelf: “Laat deze beker aan mij voorbijgaan…maar niet zoals Ik wil maar zoals U wil”.

Uiteindelijk geloofde Hij, zelfs in het uur van de doodsangst, dat God met Hem meetrok, Hem troostte, Hem nabij was; dat Hij bij Hem thuis zou komen.

 

Vandaag vieren wij het hoogfeest van de Allerheiligste Drieëenheid.

Zo spreken wij over God.

Het geheim achter alle geheimen dat God is, is volgens ons geloof geen monolitische grootmacht, die vanuit de hoogte als een boze witte man met zijn heilige Schrift heen en weer zwaait.

 

Nee, Johannes de evangelist zegt het subliem: God kon niet meer op zichzelf blijven. Hij stroomde zo over van liefde dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft, niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben.

Zoals Hij volgens het oude testament, het boek Exodus, niet ver wilde blijven hoog op de berg, maar wilde meetrekken met de mensen, hoe halsstarrig zij ook kunnen zijn. Hij gaf de stenen platen met zijn tien woorden, geboden, waarin ons de liefde tot God, het geheim achter alle geheimen, wordt geleerd, de liefde tot onze naaste medemens, die is zoals jij zelf, even kwetsbaar, sterfelijk en hunkerend naar menselijkheid en liefde.

 

Geen monolithische, onbewogen beweger, maar Vader, Zoon uit liefde gegeven, Geest die ons kille hart verwarmt en ons aanzet tot liefde en menselijkheid. Geen ‘Gott mit uns’, met onze visie op de wereld, met onze politieke of religieuze richting, maar een God die Zich geeft, die geen macht is maar genade van onze Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest.

 

Ik hoop U tegemoet, zolang ik leven mag.

Amen.

 

Nico van der Peet

 

Afbeelding: Massacio, Trinita (in Santa Maria Novella, Florence), 1425-1428

--------------------------------------------------------------------

[1] Schriftlezingen: Exodus 34, 4b-6.9-9; 2 Korintiërs 13, 11-13; Johannes 3, 16-18


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                        Pinksteren

                        zondag 31 mei 2020[1] livestream

 

Deze week stond in het Noordhollands Dagblad, de provinciale krant voor boven het Noordzeekanaal, een interview met onze nieuwe bisschop, Jan Hendriks, die morgen bisschop Jozef Punt zal opvolgen. Het aardige interview opende met de opmerking van de journalist dat de katholieke kerk het moeilijk heeft, dat er kerken moeten sluiten en het kerkbezoek terugloopt. Dat is de beeldvorming in de niet-kerkelijk pers over onze kerk. Daarmee lijkt alles gezegd: terugloop, neergang, gebrek of gemis aan betekenis voor het levensgevoel van de mensen vandaag. Een zieltogend naar binnen gericht groepje dat onderweg is naar het einde.

 

Zo zag ook de allereerste groep leerlingen van Jezus eruit. U hoorde het in het verhaal van de eerste lezing, dat zich afspeelt vijftig dagen na Pasen, Pinksteren, het Wekenfeest van Israël. En in het evangelieverhaal, dat verslag doet van de gebeurtenis op de dag van Pasen. Je zou kunnen zeggen dat volgens het evangelie van Johannes Pasen en Pinksteren zich op één dag afspelen. In de avond van de Paasdag verschijnt Jezus aan zijn leerlingen. Hij toont hun de wonden in zijn handen en zijn doorboorde zijde en Hij ademde zijn Geest over hen. De wonden vormen zijn legitimatie. ‘Ik ben het zelf. Ik ben door het harde, martelende mensenbestaan heengegaan.’ Hij toonde hun zijn handen en zijn zijde.

 

Een zieltogend clubje, die eerste elf leerlingen. Zij hadden zichzelf opgesloten. De buitenwereld vonden zij gevaarlijk. Misschien zouden zij ook wel bespot worden net als Jezus, of nog erger. Je kunt beter maar geen risico nemen. Ze spelen op safe. De deuren van de verblijfplaats van de leerlingen waren gesloten uit vrees voor de joden, dat wil zeggen die landgenoten die samenspanden met de Romeinen, die rust in de tent wilden, geen nieuwe verhalen, geen verhaal over bevrijding uit de dood.

 

Een zieltogend clubje dat verloren heeft. De leider is als een opstandeling veroordeeld, gegeseld, gemarteld, gedood. Daar zullen we niets meer van horen, moeten velen hebben gedacht. Een fait divers in het verwarrende stedelijke leven van alledag. Zoals die zwarte man in Minneapolis wie de levensadem werd ontnomen door een witte politieman. Meestal verdwijnen zulke berichten onder de grote stapel. Of toch niet?

 

In de avond van die eerste dag van de week staat Jezus in hun midden. “Vrede zij u,” zegt Hij. Hij toonde hun zijn handen en zijn zijde. De wonden van Jezus. Daar worden wij op dit Pinksterfeest, de vijftigste dag van Pasen, de dag van de voltooiing van Pasen aan herinnerd. De kerk is niet met een succesverhaal geboren. Integendeel, het is begonnen met een zwaargewonde man wie de levensadem ontnomen werd. Wat achterbleef was een machteloos, zieltogend clubje in een bovenzaal, waar zij in de avond voor zijn lijden maaltijd gehouden hadden. Waar Hij een gebaar had gesteld, ingesteld, van zijn gebroken Lichaam en zijn vergoten Bloed.

 

Nu toont Hij hun zijn gewonde lichaam. Na zijn doorstane lijden en sterven spoort Hij hen aan naar buiten te gaan. “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u”. Het zieltogende clubje ontvangt weer adem: “ontvangt de Heilige Geest”.

In de eerste lezing horen wij hoe zij naar buiten gingen, hun mond durfden open te doen in alle talen onder de hemel, vervuld werden van de Heilige Geest.

 

Ook de kerk moet niet bij haar oude pakken neerzitten, er komt een nieuwe bisschop en hopelijk nieuwe bezieling. We mogen de wonden niet vergeten, die dragen we met ons mee, de wonden van het verleden, van alle fouten en zonden van de kerk; hoe zij mensen soms welhaast de adem had ontnomen, de levensvreugde, de onschuld aan kinderen.

 

Zoals wij, nu wij na de grote corona-crisis weer voorzichtig naar buiten mogen, de wonden die wij als mensen, als wereld hebben opgelopen niet moeten wegstoppen en vergeten, maar eerlijk moeten laten zien en onder ogen zien. Opdat we wérkelijk genezen, niet alleen lichamelijk en met behulp van een vaccin.

 

Opdat wij door de kracht en de genezing van de Heilige Geest een rechtvaardiger wereld worden, menselijker, voorzichtiger, bescheidener, nederiger, een wereld die haar grenzen kent, grenzen aan haar consumptie, verspilling, hebzucht, verwaarlozing of minachting van de ouderen, eenzamen, armen, arbeidsmigranten, mensen met een andere huidskleur of geaardheid.

 

Ons volgens het Noordholland Dagblad zieltogend clubje dat de kerk is geworden, viert vandaag de komst van de Heilige Geest. Jezus heeft zijn Geest aan ons gegeven, Hij heeft over ons geademd, gezucht, toen wij gedoopt werden en gevormd. Wij moeten naar buiten, met ons leven, ons geloof, onze hoop en bovenal met onze liefde. Amen.

 

-------------------------------------------------------------

 

[1] Handelingen 2, 1 - 11; 1 Korintiërs 12, 3b-7.12-13; Johannes 20, 19-23


Verkondiging Hemelvaartsdag, 21 mei 2020, De Nieuwe Augustinus[1]

 

“De elf leerlingen begaven zich naar Galilea, naar de berg die Jezus hun aangewezen had.

Twee dingen vallen op: het getal elf en de berg.”

 

Twaalf leerlingen is de volheid. Jezus had er twaalf gekozen. Zoals er twaalf stammen van Israël zijn, de twaalf zonen van Jakob, zo koos Jezus twaalf leerlingen, Hij riep ze één voor één bij hun naam. Jezus had een prachtig ideaal: een vernieuwde gemeenschap stichten, geworteld in de geloofsgeschiedenis van het volk Israël. Een nieuwe poging. Wie iets nieuws begint maakt zich kwetsbaar. Wie zijn nek uitsteekt kan voor het oog van de mensen mislukken, bespot worden. Jezus heeft het allemaal meegemaakt. Zijn prachtige, nieuwe project leek faliekant mislukt. Er zijn er nog maar elf. Eén heeft Hem overgeleverd, verraden.

 

De elf die over waren zijn bang, ze hebben zich eerst afgezonderd, als het ware in quarantaine, veertig dagen betekent dat.

Vandaag is het de veertigste dag sinds de Paasmorgen. De elf zullen heel voorzichtig, voetje voor voetje weer naar buiten gaan, de bedreigende wereld in. Maar zij moeten weg uit Jeruzalem, de verwarrende grote stad vol drukte en politiek, religieus gekrakeel. Ze moeten naar Galilea gaan. Dat hadden de vrouwen hun in opdracht van de verrezen Jezus gezegd op de morgen van de verrijzenis: daar in Galilea  zullen jullie Hem zien. Gelukkig zijn de apostelen zo nederig dat zij naar de geloofsboodschap van die vrouwen luisteren, die vrouwen die vroeg in de morgen naar het graf waren gegaan.

 

Naar Galiea, naar “de berg die Jezus hun aangewezen had.”

De berg in Galilea, waar Jezus zijn bergrede had gehouden, hun en heel de menigte van mensen had onderwezen in zijn manier van leven. De berg is de plaats van het onderwijs en de plaats waar God zich openbaart. Denk aan de berg Sinaï, waar de tien geboden werden gegeven.

Na alle ellende van het verraad, de verloochening, de vlucht van de leerlingen, begint Jezus weer van voor af aan. Hij ontmoet hen weer op de Berg waar hij zijn eerste onderricht gaf, zijn hoopvolle, nieuwe gemeenschap stichtte. Alles leek mislukt. Maar Jezus begint opnieuw.

 

“Toen zij Hem zagen, wierpen ze zich in aanbidding neer; sommigen echter twijfelden.”

Niet allen konden het geloven dat na de grote mislukking, de vlucht, het verraad er nog een nieuw begin mogelijk was. Niet allen konden het geloven dat de gekruisigde, na gruwelijk lijden gestorven Heer weer leefde. Is dood niet dood? De apostelen zijn geen geloofshelden. Zij zijn mensen van vlees en bloed zoals u en ik, met dagen van geloof en nachten van twijfel.

Het evangelie veegt die twijfel niet onder het tapijt. Wij hoeven niet altijd met blinkende gezichtjes onze menselijke twijfel weg te glimlachen.

 

Tegen deze gewonde, gemankeerde, aanbiddende én twijfelende geloofsgemeenschap zegt Jezus: “Zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld”.

 

Zo neemt Jezus afscheid: “Zie, Ik ben met jullie.”

Zo was het evangelie ook begonnen. Toen Hij nog moest worden geboren werd over het kind in de schoot van zijn moeder gezegd: “Ze zullen Hem de naam Immanuël geven: God met ons”.

 

Vandaag is de dag van het afscheid, de veertigste dag, de quarantaine is voorbij. Ook wij beleven angstige tijden. Hoe zal de wereld gehavend door ziekte, sterfgevallen, besmettingsgevaar, armoede, ongeduld, onzekerheid verder moeten. Hoe zal de kerk verder moeten? Vinden we elkaar weer terug; zullen we weer bij elkaar kunnen zijn, durven zijn?

Zoals die eerste gemeenschap zijn ook wij gehavend, - gelovend en twijfelend tegelijk.

 

Maar voordat sommigen begonnen te twijfelen hadden zij zich allen, alle elf, in aanbidding neergeworpen. Eerst is er de aanbidding, dat wil zeggen het contact, het gesprek, het verlangen naar de ander, naar God, naar Jezus. Dat moeten we het eerst weer oppakken, voordat we ons gaan verliezen in een protocol met regeltjes die ons gaan zeggen hoe het allemaal zal gaan als wij weer naar de kerk komen. Eerst gaat het om de aanbidding, het gesprek, het verlangen van ons hart. Als dat er is komt alles goed.

 

We hebben niets te vrezen, horen wij vandaag. Alles heeft God aan Jezus’ voeten gelegd en Hem heeft God aan ons gegeven als hoofd van zijn kerk. Hij gaat ons voor in onze bange dagen. Hij is met ons tot alles is voltooid. Amen.

 

Nico van der Peet

 

----------------------------------------------------

[1] Handelingen 1, 1 - 11; Efeziërs 1, 17 - 23; Matteüs 28, 16-20


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 17 mei 2020

                      zesde zondag van Pasen - livestream[1]

 

 

Wij leven in een tijd waarin reizen naar het buitenland bijna niet mogelijk is. Een tijd dus om terug te denken aan mooie reizen in het verleden. De reis die mij als de mooiste van mijn leven in mijn herinnering opkomt is die naar Suriname in het jaar 2001. Ik was onder andere te gast bij Pater Toon Tedorsthorst, een Nederlandse priester die zijn hart heeft verpand aan het het volk en de kerk van Suriname. Begin juni is hij 50 jaar priester. Hij zou het feest ook in Nederland vieren met familie en vrienden. Ik zou gaan concelebreren. Maar hij mag niet reizen. Het feest is uitgesteld.

 

In 2001 mocht ik met hem meereizen door het binnenland van Suriname, zijn parochie. Een onmetelijk grote parochie, bestaande uit meerdere kleine dorpen verspreid over het eindeloos uitgestrekte Surinaamse binnenland, dat de Surinaamse stadsbewoners zelf omschrijven als een bloemkolenveld, maar voor een stadsjongen uit de Randstad Holland is het adembenemend mooi. Een enorm gebied is het werkterrein, de parochie van deze pater. Amsterdam-Noord is heel groot, maar verbleekt qua omvang bij zijn werkgebied. Veel dorpen, gelegen midden in het bos of aan een van de prachtige rivieren, waarin je je ’s ochtends moet baden, bij gebrek aan douche en badkamer. Sommige dorpen zijn zo afgelegen dat de priester dit maar één keer per jaar kan bezoeken. Eén of twee eucharistievieringen per jaar. Deze dagen van gesloten kerken en missen voor de camera moet ik vaak aan die dorpsgemeenschappen denken. Wanner je als priester aankomt zijn de dorpelingen blij je te zien. De ontmoeting is belangrijk, met de pater en de parochianen onderling. Zo is het ook bij ons. Wij missen de gezamenlijk gevierde eucharistie in ons kerkgebouw, de ontmoeting met de Heer in het Woord en het Sacrament van de eucharistie en wij missen de ontmoeting met elkaar, ook voor en na de viering.

Wij zijn een beetje verweesd. U van het samenzijn rond het altaar en met elkaar; wij, diaken René en ik van uw aanwezigheid, de organist van het koor en omgekeerd, de koster van de parochianen.

 

De liturgie van vandaag loopt vooruit op de hemelvaart van Jezus, die wij aanstaande donderdag vieren. Jezus zegt: “Ik zal u niet verweesd achterlaten: Ik keer tot u terug”.

Voelen die parochianen, die katholieken in het binnenland van Suriname met die ene of twee eucharistievieringen per jaar zich verweesd? Houdt hun geloof stand, verwatert het niet? Integendeel, hun levend geloof maakte diepe indruk op me. Het was een geloof gevoed door uitgediept verlangen. Hun parochiegemeenschap was een geestelijke communie, een gemeenschap die leefde uit de kracht van de heilige Geest. “Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer; gij echter zult Mij zien, want Ik leef en ook gij zult leven”.

 

Jezus is niet meer lijfelijk aanwezig en ook zijn sacramentele lichaam, de heilige Communie, kunnen de meeste gelovigen deze weken niet ontvangen. Maar ons is de Geest gegeven, de Helper. Wij hebben de Geest ontvangen bij het doopsel en bij het vormsel.

 

Nu moet ik bijzonder denken aan de jongeren van onze parochie die zich voorbereiden op het ontvangen van het sacrament van het Vormsel. Juist in deze moeilijke weken komt het er op aan dat alle gelovigen jullie een goed voorbeeld geven, jullie ouders en wij, jullie mede-gelovigen. Dat we ons geloof, onze hoop en onze liefde vooral trouw blijven, vasthouden. We hoorden het: Jezus heeft bij het laatste avondmaal, in de laatste avond van zijn leven voor ons gebeden, opdat wij het volhouden ook als wij Hem niet meer zien en Hem een tijd niet kunnen ontvangen.

 

Nu de kerk gesloten is, de Heer in de heilige Communie ver weg en niet bereikbaar, mogen we proberen thuis een kleine kerk te zijn, waar je probeert, misschien wat verlegen nog, samen te bidden, al is het maar een Onze Vader en een Wees gegroet.

Of ’s avonds een gebed over de dag die voorbij is. In zo’n gebed, samen aan tafel of de keukentafel, in zo’n gezinsgebed kan elk van de kinderen en kunnen de ouders opnoemen wat er die dag goed gegaan is en God daarvoor bedanken en daarna opnoemen wat er niet goed ging of wat tegenviel. Dan kun je kracht vragen voor de dag van morgen. Zo krijgt de heilige Geest die Jezus ons beloofd heeft, de kans in ons te blijven, in ons gezin, de huiskerk. Dan krijgt de heilige Geest van God en van Jezus de kans ons geloof, onze hoop en onze liefde sterker te maken.

 

Die reis naar Suriname was onvergetelijk. Elke eucharistie die ik daar mocht vieren was een intense ontmoeting met de Heer. “Ik zal u niet verweesd achterlaten: Ik keer tot u terug”.

Laten wij zoals onze medekatholieken op ver afgelegen plekken, leven uit verlangen, uit de kracht van de heilige Geest die ons bij het doopsel en vormsel geschonken is, of, aan onze vormelingen geschonken zal worden. Laten wij onze kerk thuis trouw blijven en sterker maken

en verlangen naar het weerzien in dit huis van God. Amen

 

N. van der Peet

 

---------------------------------------------------------

[1] Handelingen 8, 5-8. 14-17; 1 Petrus 3, 15-18; Johannes14, 15-21