Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 5 september 2021

                      23ste zondag door het jaar.[1]

 

Wij christenen zijn mensen die zijn geopend, bij ons doopsel al, toen de priester of diaken onze zintuigen heeft aangeraakt: ‘effeta, ga open’.

Wij werden door het doopsel genezen van de doofheid van het egoïsme en de stomheid van de geslotenheid en van de zonde.

 

Het kan een mens goed doen een keertje op reis te gaan. De afgelopen anderhalf jaar hebben we niet veel mogelijkheden daartoe gehad. Het kan je verrijken, een beetje ruimer leren zien, leren meer open te staan voor wie anders zijn dan jezelf.

 

Jezus is naar het buitenland geweest. Voor een orthodox levende joodse man was dit geen vanzelfsprekendheid. Men bleef liever in eigen kring van geloofsgenoten die ook volgens de Tora, de wet van Mozes leven, koosjer leven, koken en zich voeden. We weten niet wat Jezus ertoe gebracht heeft, maar Hij is de grens overgegaan, fysiek en geestelijk, godsdienstig. Hij heeft de smeekbede van een Syrische vrouw beantwoord, Zich haar lot aangetrokken en dat van haar bezeten dochtertje. Jezus is open gegaan voor de roep, de roeping van de vreemdelinge.

 

Wij treffen de Heer vandaag bijna terug in het land, het beloofde land, in de streek van Dekapolis, de tien steden. Ook nog niet geheel koosjer gebied. Zoals gezegd: er is iets met Hem gebeurd. De smeekbede van de vreemdelinge heeft Hem veranderd.

 

“Men bracht een doofstomme bij Hem en smeekte Hem dat Hij deze de hand zou opleggen”.

Laten we even stilstaan bij dit verzoek. Ze vragen Jezus niet méér dan de ongelukkige man, die hier helemaal wordt teruggebracht tot zijn handicap, de hand op te leggen.

Teruggebracht tot zijn doofstom zijn.

Hoe ellendig is dat toch, het gevoel te krijgen van de mensen dat je samenvalt met jouw ziekte of doof-zijn, sprakeloos zijn, jouw huidskleur, jouw lengte, geaardheid, achtergrond.

Jouw eigenheid, jouw gedachtenwereld, jouw mogelijkheden worden helemaal voorbijgezien.

Je wordt teruggebracht tot een probleem, een aandoening, een handicap.

 

Dit evangelie van die doofstomme man, in zichzelf opgesloten, heeft het ook over ons.

Soms sluiten we ons op in onszelf, zijn we als ontoegankelijke en ongastvrije eilanden. Soms hebben anderen ons zo gemaakt, soms kiezen we er uit angst of verlegenheid zélf voor.

Soms kan een gezin, een familie gesloten zijn; soms kan een parochie gesloten zijn, alleen met zichzelf bezig, haar eigen ideeën, verlangens, plannen. Soms kan een land gesloten zijn: het wil de stem van de mensen buiten in nood liever niet horen. We hebben genoeg aan onszelf. Eventueel, als het niet anders kan, kopen we ze af met veel of weinig geld.

 

Jezus doet méér dan het opleggen van zijn handen, zoals gevraagd.

Hij neemt de man terzijde, buiten de kring van het volk en raakt Hem intens aan, steekt hem de vingers in de oren en raakt zijn tong met speeksel aan. Een drastische therapie.

Ooit vertelde een vrouw mij dat zij jaren lang niet had gesproken met mensen en zeker niet in groepen. Zij kon het niet. Ja, zij kon wel spreken, over het weer en de hoogte van de prijzen. Maar niet over wat er in haar leefde, haar gevoelens, haar probleem, haar eenzaamheid, wanhoop. Het had jaren van zorgvuldige therapie gekost, individueel en in een groep. Iemand had haar terzijde genomen, had zich de moeite getroost zich in haar te verdiepen, ópen te gaan voor haar, haar niet alleen als een probleem te zien, maar als mens met mogelijkheden voor de toekomst. Haar oren geopend, haar tong losgemaakt.

 

Wij christenen zijn mensen die zijn geopend, bij ons doopsel al, toen de priester of diaken onze zintuigen heeft aangeraakt: ‘effeta, ga open’.

Wij werden door het doopsel genezen van de doofheid van het egoïsme en de stomheid van de geslotenheid en van de zonde. We werden opgenomen in de wereldwijde familie van de kerk. Daar kunnen we zondag na zondag, dag na dag, luisteren naar Jezus’ oproep om open te gaan voor zijn bevrijdend, genezend, verlossend Woord, dat misschien wel in ons begraven ligt onder de doornen van zorgen, vooroordelen, misleidingen van de wereld om ons heen.

 

Geve God dat wij weer open gaan, onze sprakeloosheid loslaten en ons laten bevrijden uit de eenzaamheid, het egoïsme en de geslotenheid van ons bestaan. Zo moge het zijn. Amen.

 

Nico van der Peet 

 

 

-------------------------------------------

[1] Jesaja 35, 4-7a; Jakobus 2, 1-5; Marcus 7, 31-37


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, zondag 29 augustus 2021

                       Patroonsfeest Sint Augustinus[1]

 

Er wás iets met Augustinus. Hij was niet voldaan, er was onrust in zijn hart.

Zo kan het gaan met ons: je hebt veel, je kunt veel, je bent geliefd, maar er is een stem in je die je zegt dat je onder de maat leeft, dat er méér is.

 

“Vaar nu naar het diepe”, vraagt Jezus aan Petrus.

Maar Petrus ziet het niet zitten. Heel de nacht heeft hij gezwoegd zonder iets te vangen.

 

De patroon van onze kerk en parochie, de heilige Augustinus, zag het ook niet zitten om naar het diepe te varen, om de oppervlakte van het bestaan achter zich te laten.

Later schrijft hij, jaren na zijn doop in het jaar 387, jaren nadat hij bisschop was geworden van het Noord-Afrikaanse stadje Hippo, - later schrijft hij dat hij al heel lang een innerlijke stem had gehoord, een ‘drive’ had gevoeld.

Die stem, die drive maakten hem wel onrustig. Maar lange tijd deed hij er niets mee. "Morgen is er weer een dag”. In het Latijn is het woord voor morgen: ‘cras’. Augustinus schrijft: ‘ik leek wel een vogel: ik bleef maar zeggen ‘cras, cras’, morgen zal ik veranderen, luisteren naar die innerlijke stem, iets doen met die onrust in mij, zal ik me bekeren, zal ik eindelijk naar het diepe varen, samen met Jezus, die - zoals bij Petrus - al in zijn boot was gestapt.

 

Dat staat daar mooi: “Jezus stapte in één van de boten, die van Simon (Petrus) en vroeg hem een eindje van wal te steken.

Aan de ene kant ís Jezus er gewoon. Hij vraagt niet of Hij aan boord mag komen, Hij stapt gewoon in.

Maar daarna vraagt Hij beleefd aan Petrus of hij een eindje van wal wil steken, in beweging wil komen, een beetje. Rustig aan, dan breekt het lijntje niet. Zo wordt een mens, zo wordt u en word ik geroepen om mijn veilige oever de verlaten en van wal te steken.

 

Petrus had er een zware nacht op zitten. Met zijn maten had hij de netten uitgeworpen.

Doodmoe, zonder resultaat, zonder vangst, leven aan de oppervlakte, - stoere mannen, maar diep in hun hart een beetje bang, een beetje een leeg bestaan leidend.

Aan de kant blijvend, over alles en iedereen een mening, met een kratje bier bij de hand roepend dat dit alles hier van jou is en dat je alles wilt houden zoals het is.

 

Augustinus van Hippo is de man van de zoekers.

Zoon van een vader die geestelijk ook een beetje aan de kant bleef staan, alle opties open hield en zich pas liet dopen op zijn sterfbed.

Hoe anders was zijn moeder Monica. Wat een vrouw. Zij was op jongere leeftijd al naar het diepe, naar de doop gevaren en had een grote vangst gedaan: een opgewekt, krachtig, vruchtbaar geloof. Met het hele volk zong zij onder leiding van de bisschop, Ambrosius, in de kerk van  haar woonplaats Milaan de liederen, de hymnen. Dat was toen iets nieuws. Heel het volk zong vanuit de diepte van zijn hart.

 

Hoe verlangen we daarna in onze dagen: weer allen samen te mogen zingen: psalmen, hymnen, liederen. We zijn blij met de leden van nota bene het Monicakoor, die het voorlopig op zich nemen. Maar we zien uit naar de dag dat allen mee kunnen zingen. Zoals Monica deed, dag na dag.

 

Monica was een sterke vrouw met een krachtige wil. Ze besteedde veel tijd aan gebed voor haar zoon.

 

Waarvoor bidt een moeder?

Dat haar zoon gelukkig wordt natuurlijk; dat hij leeft uit vertrouwen, geloof; dat hij niet alleen gaat voor geld en carrière; dat hij een mens van liefde wordt, die zichzelf kan geven; dat hij niet (diep in zijn hart) angstig aan de kant blijft staan, zijn leven niet uit de verf komt.

 

Monica was in de buurt van haar zeer talentvolle zoon, die bezig was met een mooie loopbaan als docent, dichtbij het keizerlijke hof. Een goede betrekking, een gezocht geleerde en spreker, een knappe filosoof.

Bovendien had hij een leuke vriendin met wie hij een kind had, Adeodatus, -‘door God geven’ betekent zijn naam.

Maar nergens noemt hij later de naam van die vriendin, de moeder van hun zoon, alsof zij niet méér was voor de oppervlakkige jonge Augustinus, dan een accessoire in zijn mannelijk bestaan.

 

Maar er wás dus iets. Hij was niet voldaan, er was onrust in zijn hart.

Zo kan het gaan met ons: je hebt veel, je kunt veel, je bent geliefd, maar er is een stem in je die je zegt dat je onder de maat leeft, dat er méér is.

Niet méér geld of roem, niet oppervlakkig en denigrerend met je vriendin, met medemensen omgaan, maar een leven van een heel andere orde: een diepte, die je nog niet hebt durven bevaren, doorschouwen, op je laten inwerken.

 

Jezus zit al bij jou in de boot van jouw leven, je hoeft alleen nog maar naar Hem te luisteren, ín te gaan op zijn verzoek om een stukje samen uit te varen.

 

De patroon van onze parochie en van onze kerk past goed bij onze tijd, waarin zo veel mensen zijn die blijven afwachten, toekijken.

Hoe fijn is het dat er mensen zijn die naar Jezus luisteren en naar het diepe durven varen. Wat fijn dat er ook in onze tijd mensen zijn die niet alleen protesteren tegen het onbekende, tegen de onbekende mensen en meningen, maar die bij zichzelf beginnen; die niet preken tegen alles en iedereen, overal een mening over hebben, maar zelf niet bereid zijn te veranderen.

 

Zoals Petrus. “Bij het zien van die grote vangst viel Simon Petrus Jezus te voet en zei: ‘Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens.’”

 

Een zondig mens. Dat kan zoiets betekenen als: ‘ik kan mijzelf niet redden, ik heb barmhartigheid nodig; ik, stoere visser, heb liefde nodig, anders ben ik nergens’.

 

Die vergeving, die liefde, die barmhartigheid kunnen wij niet zelf organiseren. Daarvoor heb je een ander nodig, daarvoor heb je dé Ander nodig, anders blijven we altijd in het pierebad en komen we aan het diepe nooit toe.

 

Vandaag bidden we op voorspraak van de heilige Augustinus: dat u en ik en wij als Augustinus-gemeenschap niet te vlug tevreden zijn; dat wij bevrijd worden van de mislukkingen van lange nachten, en dat wij ons door de Heer laten roepen en durven uitvaren naar het diepe. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-------------------------------------------------------------------

[1] Deuteronomium 4, 1-2. 6-8; Jakobus 1, 17-18, 21b.-22.27; Lucas 5, 1-11

Afbeelding: John Nava, Augustinus van Hippo, Corpus Christikerk, Ohio, USA


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 22 augustus 2021,

                                               21-ste zondag door het jaar[1]

 

Zoals Jezus Zich helemaal heeft gegeven, zelfs zijn leven heeft losgelaten uit liefde, zo moet de verhouding zijn tussen man en vrouw, tussen christenen.

Hij nodigt ons uit onszelf los te maken van al het vertrouwde, ons autonome bestaan, ons egocentrisme, eventueel ons narcisme, onze eigenwaan, onze zelfzucht. “Daarom zal de man vader en moeder verlaten om zich te hechten aan zijn vrouw en die die zullen één vlees zijn”.

Voor vandaag heb ik iets gedaan wat ik nog nooit heb gedaan: ik heb gesneden in de Heilige Schrift.

Een paar regeltjes uit de tweede lezing heb ik u bespaard.

Die lezing begint met, u herinnert het zich nog goed: “Broeders en zusters, weest elkander onderdanig uit ontzag voor Christus”.

 

Die zin is op zich al heftig genoeg voor ons, zelfbewuste, niet al te onderdanige 21ste eeuwse mensen.

Na deze pittige zin zoemt Paulus in op de vrouwen en daarna op de mannen. Ook dat valt velen van ons niet mee.

In de trein worden wij niet meer ‘dames en heren’ genoemd, maar: ‘beste reizigers'.

Sommigen zijn daar boos over, ik niet zo erg.

“Reizigers” spreekt mij, bijbellezer, wel aan.

Ons leven is een reis.

In de trein beleef je dat een beetje méér dan anders.

Wij hebben hier geen blijvende woonplaats.

Wij zijn onderweg naar ons vaderland.

Wij zijn - om met sint Augustinus te spreken - wij zijn nog niet ‘in patria’ maar wij zijn hier ‘in via’, onderweg.

 

Vrouwen en mannen. Paulus drukt zich bepaald niet non-binair uit.

Hoewel, zo begint hij wel. Beide groepen, broeders en zusters, worden uitgenodigd elkaar onderdanig te zijn uit ontzag voor Christus.

 

Daarna komt dan het stukje dat ik er even uitgesneden hebt.

Dat heb ik gedaan, omdat u misschien anders zo geschrokken of geërgerd was dat u niet meer verder had geluisterd.

Er staat - ik onthul het u nu toch maar - :

“Vrouwen, weest onderdanig aan uw man als aan de Heer.

Want de man is het hoofd van de vrouw

zoals Christus het hoofd is van de kerk”.

 

Drie jaar geleden werd deze zin ook gelezen, ook in de Vlaamse TV-mis. Diezelfde dag maakte een Vlaams politicus, die zelden in een kerk is gesignaleerd en nooit ook maar de geringste interesse heeft getoond in het kerkelijk leven, groot misbaar. Die kerk moest haar kop eens houden met al haar achterhaalde teksten.

Onderdanig zijn aan elkaar. De vrouw aan de man, zegt Paulus. Zoals de kerkgemeenschap aan Christus. Paulus vergelijkt de kerk met een bruid en Christus met de Bruidegom. Zoals een lied zingt: “Christus, de Herder, roept de zijnen; de Bruidegom begroet zijn bruid”.

Zo was het in Paulus’ tijd.

En de mannen: die moeten toch ook onderdanig zijn.

Ja, dát krijgt Paulus nu niet zo uitdrukkelijk uit zijn pen. Daarin is hij een kind van zijn tijd. En dat zou ook niet kloppen voor de Bruidegom Christus. Die is niet onderdanig aan zijn bruid, de Kerk.

 

Maar hoe is die verhouding dan wel?

“Hij is de Verlosser van zijn Bruid:

“Mannen, hebt uw vrouw lief zoals Christus de kerkgemeenschap heeft liefgehad: Hij heeft zich voor haar overgeleverd om haar te heiligen, heel te maken, haar reinigend, wassend door het waterbad met het woord.

Is dat niet mooi? Christus als een moderne bruidegom, echtgenoot, die zijn bruid wast, zalft, heelt?

Paulus schrijft hier natuurlijk over de doop. Eigenlijk is Paulus zijn autoritaire, patriarchale tijd hier vooruit.

De Bruidegom, de man is een en al tedere, ja - als ik het zeggen mag - vrouwelijke zorg voor zijn partner, zijn bruid.

 

Zoals Jezus Zich helemaal heeft gegeven, zelfs zijn leven heeft losgelaten uit liefde, zo moet de verhouding zijn tussen man en vrouw, tussen christenen.

Hij nodigt ons uit onszelf los te maken van al het vertrouwde, ons autonome bestaan, ons egocentrisme, eventueel ons narcisme, onze eigenwaan, onze zelfzucht. “Daarom zal de man vader en moeder verlaten om zich te hechten aan zijn vrouw en die die zullen één vlees zijn”.

 

Kom daar nog eens om. Dat zijn grote woorden.

Wie durft dat nog in onze tijd?

Wij, 21ste eeuwers, lijken soms wel bibberende kinderen die aan de rand van het zwembad staan en niet durven te springen.

 

“Deze taal stuit iemand tegen de borst. Wie is nog in staat naar Hem, Jezus, te luisteren?”

 

Jezus had over Zichzelf gesproken als over het Brood dat uit de hemel is neergedaald. ‘Wie dit brood eet, zal leven in eeuwigheid. Mijn woorden zijn geest en leven’.

Jezus geeft Zichzelf als brood, laat Zich breken, eten, zodanig dat wie eten zijn levende lichaam worden, zijn gemeenschap, zijn bruid.

 

Soms zie je het in mensen om je heen. Dat ze pas gelukkig worden als zij zichzelf verliezen, zich geven aan de ander. Dat zij pas zichzelf worden als zij zich verheugen om het geluk van de ander. Mensen worden daar mooier van, stralend, worden om zo te zeggen een ander mens.

Zo heeft Jezus het gedaan. Hij straalde van een nieuw licht, het licht van de een mens die Zichzelf heeft gegeven, zichzelf heeft verloren en als nieuw is opgestaan.

 

Voor heel wat mensen gaat dat veel te ver.

“Tengevolge hiervan trokken velen van zijn leerlingen zich terug en verlieten zijn gezelschap”.

Zij kiezen voor zichzelf. Jezus belet het hen niet. Hij excommuniceert hen niet, veroordeelt niet. Hij laat hun de keuze. Je kunt en mag mensen niets opdringen; er mag geen gewetensdwang of - drang zijn.

 

Zo was het ook in de dagen van Jezus’ naamgenoot Jozua, eeuwen vóór Jozua, Josjua, Jezus van Nazareth.

Wie wil je dienen in jouw leven?

De God die bevrijdt uit verslaving en onderdrukking

of de afgoden die overal om je heen zijn,

die jou zogenaamd verwennen maar jou eigenlijk enorm onvrij houden?

 

Jozua zegt: “Ik en mijn familie, wij dienen de Heer”.

Hij dringt niets op. Hij kiest zelf en probeert zo geloofwaardig mogelijk zijn keuze, mét zijn gezin, trouw te blijven.

Meer kunnen u en ik ook niet. Wel kunnen wij zo goed mogelijk uit liefde onszelf geven.

“Weest elkaar onderdanig uit ontzag voor Christus…zoals Christus zijn gemeenschap heeft liefgehad. Dit geheim van liefde heeft een diepe zin”, zegt Paulus.

“Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.”

 

Laten wij naar Jezus gaan, laten we voor Jezus gaan, laten we voor elkaar gaan (een beetje nieuwe vertaling van: elkaar onderdanig zijn), laten we voor elkaar gaan en laten we geloven en weten dat Hij de Heilige van God, dé Mens om voor te leven. Amen.

 

Nico van der Peet 

 

--------------------------------------------------------

[1] Jozua 24, 1-2a.15-17.18b; Efeziërs 5, 21-32; Johannes 6, 60-69

Afbeelding: Rafaël, de verloving van Maria en Jozef (1504)


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, zondag 15 augustus 2020

                       Hoogfeest Maria Tenhemelopneming.[1]

 

God neemt Maria op, Hij neemt haar en ons aan, aanvaardt ons zoals wij zijn, laat ons niet verloren gaan in het bederf van de dood (…)

Nu is het onze taak even hoopvol te zijn als deze Vrouw: dragers van toekomst van gerechtigheid en vrijheid te zijn. Nu is het onze taak het perspectief op de hemel vast te houden.

 

Een Vrouw.

Bekleed met de zon, de maan onder haar voeten,

en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren.

 

Johannes, in zijn openbaring, zijn apokalyps, onthult ons niet wie zij is.

De katholieke traditie heeft in haar altijd Maria herkend, de moeder van de Messias, Jezus, Zoon van God. De gelovigen gingen Maria de Moeder van God noemen, ook in hun gebeden. “Heilige Maria, Moeder van God, bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood.”

 

In die Vrouw, met haar kroon van twaalf sterren, kun je ook de vertegenwoordigster herkennen van de geloofsgemeenschap van Israël: de twaalf sterren verwijzen naar de twaalf zonen van Jakob, Israël, de twaalf stammen.

In die Vrouw kun je ook de kerkgemeenschap herkennen, ook wel eens ‘het nieuwe Israël’ genoemd, mede-erfgenamen van de eerste geloofsgemeenschap van de Israëlieten.

 

Toen verscheen aan de hemel een ander teken: een grote vuurrode Draak.

De openbaring van Johannes vertelt niet zozeer over de toekomst maar vooral over het heden. We denken dat de draak de grote machthebber voorstelt van de tijd van Johannes en Jezus: het almachtige Romeinse keizerrijk, dat die weerloze vrouw, die op het punt staat te gaan baren, bedreigt en haar kind wil verslinden. Een zeer concreet gebeuren dus, verhuld in visionaire taal. Want het was gevaarlijk kritisch te zijn op die

draak van een machthebber. Je moest geheimtaal gebruiken. Zoals dat in sommige wereldmachten nog steeds moet. Alle kritiek wordt de kop in gedrukt, de kwetsbare, menselijke toekomst van gerechtigheid en vrijheid dreigt te worden verslonden.

 

Maar de Vrouw ontkomt en baart haar Kind…dat ijlings in veiligheid wordt gebracht.

God behoedt het Kind. God behoudt de toekomst. Hij bewaart die veilig voor de mensen, totdat die een kans krijgt.

Sommige mensen werken die toekomst van gerechtigheid en vrijheid tegen. Zij zijn angstig. Zij willen alles in de hand houden, hun positie, hun macht; ze willen met alle macht hun economische en financiële belangen verdedigen. God wacht op een kans. Zijn almacht bestaat er niet in dat Hij met geweld zijn wil oplegt. Dat zou de mensen kleinéren en degraderen tot marionetten in een goddelijk poppenspel. Zijn almacht is die van het geduld, zijn trouw, zijn getrouw wachten tot mensen tot inkeer, tot bekering komen en zijn wachten beantwoorden, hun verantwoordelijkheid nemen.

 

Het hoogfeest van vandaag gaat over de toekomst, over de bestemming van de mens. Maria Tenhemelopneming. Hij laat Maria, deze eerste gelovige van de geloofsgemeenschap van Jezus, niet verloren gaan. Hij neemt haar op. Ons feest heet dan ook niet Maria Hemelvaart, maar Tenhemelopneming. Zij kan het niet zelf, zoals Jezus Zélf opsteeg naar de Vader. God neemt haar op, Hij neemt haar en ons aan, aanvaardt ons zoals wij zijn, laat ons niet verloren gaan in het bederf van de dood.

Het gaat vandaag over de hemel, de toekomst.

Paulus schrijft, in de tweede lezing: “De laatste vijand die vernietigd wordt is de dood”.

Wij leven in de tijd van de secularisatie, de ontkerkelijking. Het religieuze gewaad waarin onze samenleving ooit was gehuld, is grotendeels verdwenen. We staan geestelijk, innerlijk een beetje ontkleed. Soms voelt het koud en guur aan in een puur seculiere wereld. En daarmee is ook het perspectief op de hemel verdwenen. De mensen zijn achtergelaten in een hier-beneden zonder perspectief, op hemel, op toekomst, ook over de dood heen.

Deze afwezigheid van perspectief wekt de behoefte op de leegte, het ontbreken van een toekomst te vullen met consumptie. Maar het is een leegte die nooit gevuld raakt. Wij zien dat: de productie, en de daarmee gepaard gaande uitputting van de aarde gaan maar door, ondanks alle waarschuwingen die het klimaat ons geeft. Wij blijven maar bezig de leegte te vullen.

 

De Vrouw, Maria staat hier tegenover. Zij is de Vrouw van de toekomst. Zij staat aan de drempel van een nieuwe toekomst. Zij draagt het Kind in haar schoot en draagt het Kind, de toekomst van gerechtigheid en vrijheid, de wereld binnen. Evenals haar nicht Elisabeth, die menselijk gesproken te oud is om nog een kind te baren, Maria is er eigenlijk nog niet aan toe. God is vol verrassing. Hij heeft deze vrouwen gevraagd die toekomst de wereld in te dragen.

 

De Vrouw staat daar als vertegenwoordigster van heel de gelovige gemeenschap van Israël en van de Kerk. Nu is het onze taak even hoopvol te zijn als deze Vrouw: dragers van toekomst van gerechtigheid en vrijheid te zijn. Nu is het onze taak het perspectief op de hemel vast te houden. Ons wordt gevraagd ons niet te gedragen als de draak, die onze oude manier van leven koste wat het kost willen behouden, tot elke prijs, ook al betekent dat de vernieling van de aarde, het klimaat, de vrijheid, de gerechtigheid voor de armen en de meest kwetsbare mensen van deze wereld.

 

Maria Tenhemelopneming.

Onze kerk belijdt dat Maria die toekomst definitief is ingegaan. Zij staat daar, haar leven is bekroond. “Wij groeten U, o Koningin”, werd voor ons gezongen. Haar aardse leven kreeg zin, niet door macht, bezit, consumptie, maar door haar geloof, dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer is voorzegd.

Op haar voorspraak vragen wij om meer geloof in de toekomst, in de hemel. Zij zong daarvan: “Heersers, draken ontneemt Hij hun troon, maar Hij verheft de geringen. Die hongeren overlaadt Hij met gaven, maar rijken zendt Hij heen met lege handen.”

Het geloof van Maria in de toekomst moge ons bezielen: het perspectief op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar gerechtigheid zal wonen.

Amen.

 

Nico van der Peet

------------------------------------------------------------

[1] Apokalyps 11, 19a; 12, 1 - 6.10ab; 1 Kor. 15, 20-26; Lucas 1, 39 - 56


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                       8 augustus 2021, Negentiende zondag door het jaar[1]

 

God is geduldig: zijn engel geeft Elia nog eens een por in zijn zijde. “Sta op en eet; anders gaat de reis uw krachten te boven”.

Pas dan staat hij op en hervat zijn reis, zijn gelovig leven…tot hij de berg van God weer bereikte.

Moge het waar worden dat ook wij in deze crisisachtige tijden ons laten aanstoten, opporren, weer opstaan, samen opgaan naar de ontmoeting met de Heer en met elkaar, in eucharistie en communie.

Een medepriester kreeg vorig najaar van zijn dokter de diagnose diabetes. Voor deze veertiger was het een harde klap. Hij was te zwaar en leverde zich over aan veel lichaamsbeweging en aan een draconisch dieet. In minder dan een jaar heeft hij enkele tientallen kilo’s lichaamsgewicht verloren. Een van de aspecten van zijn heftige dieet is het afzien van het eten van brood. Het lijkt mij een beproeving. Wegens het succes van zijn inspanningen mag deze medepriester nu weer af en toe een beetje brood eten.

Hij schreef dat het brood hem na al die maanden smaakt als een delicatesse.

 

In ons dagelijks leven is brood van groot belang. Wie niet zwaar op dieet is eet het enkele keren per dag.

In ons gelovig leven is het brood van groot belang.

Al enkele weken lezen wij over het brood. Jezus voedt de menigte en Hij noemt Zichzelf het brood van het leven.

“Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet zal hij, zal zij leven in eeuwigheid”.

Deze zinnen spreek ik meerdere keren per week uit als ik aan huis gebonden, zieke of stervende mensen de heilige Communie breng.

 

De eucharistie, het breken van het brood, de heilige Communie staan in het middelpunt van ons geloofsleven. De eucharistie, leert het tweede Vaticaans Concilie, is ‘de bron en het hoogtepunt van ons geloofsleven'.

Dat is mooi gezegd en het is waar.

Maar beleven wij dat nog?

Talloze gelovigen, mensen die minstens van huis uit katholiek zijn, bezoeken de eucharistie niet meer. Zoiets als 90 procent. Dat is pijnlijk om te zeggen in de preek, maar het is wel de realiteit. Wat ook een realiteit is dat niet weinig katholieken die zich betrokken voelen bij de kerk, maar zelden de eucharistie fysiek bezoeken en de heilige Communie ontvangen. Niet weinigen zeggen dat zij de Communie niet echt missen.

Geen vrolijke woorden, maar zij benoemen helaas wel de realiteit. Gegevens, geliefde zuster en broeders, waarvan ik af en toe wel eens een beetje somber word.

In deze preek weet ik geen oplossing, maar een begin ervan is de diagnose. Die moet altijd aan de therapie vooraf gaan. Je moet niet te vlug met een behandelplan komen; voordat je het weet begin je aan de verkeerde medicijnen.

Meestal - mag ik niet nalaten u te zeggen - meestal ga ik ’s zondags na de viering opgewekt naar huis. Ik ben blij met de gemeenschap die naar de kerk is gekomen.

 

 

In de eerste lezing van vandaag horen we over Elia, de grootste gelovige van zijn dagen, de voorganger van de geloofsgemeenschap in een tijd waarin alles tegenzat. De koningin van het land, Izebel, kon zijn bloed wel drinken, omdat Elia, de profeet, zich eerlijk had uitgesproken over haar liederlijk gedrag.

Elia wil geen brood meer, geen communie, zeg maar. God voelt voor hem ver weg. Alles waarvoor hij heeft geleefd, de eer van God, het geluk en het heil van de geloofsgemeenschap, glijdt als water weg tussen zijn vingers. Letterlijk en figuurlijk voelt hij zich in de woestijn.

Herkenbaar, zullen vele gelovigen vinden. De samenleving, zoals in de tijd van Elia en koningin Izebel, lijkt verder van het geloof verwijderd dan ooit.

 

Maandelijks breng ik een kort bezoek bij een man van boven de negentig jaar. Vroeger was hij  een van de betere journalisten van ons land. Hij bracht in een groot weekblad het kerkelijke nieuws. (Kom daar nu eens om: een weekblad met intense aandacht voor geestelijk leven.)

Hij is een hartelijke, belezen, gelovige man, die alle grote kerkelijke leiders van zijn actieve jaren heeft geïnterviewd. Nu is hij oud en zeer slechtziend. Hij komt nergens meer. Een kerk per maand breng ik hem het heilig Brood, de Communie. Behalve ons gezamenlijk gebed voeren wij altijd een kort gesprekje.

De heilige Communie sterkt hem, troost hem.

Zijn woorden, zijn persoonlijkheid, zijn broze lichamelijke verschijning, die een heldere, welhaast profetische geest herbergt, sterken mij, troosten mij.

Hij is geheel afhankelijk van de radio. Hij zegt mij: ‘Niets hoor ik over geestelijk leven. Ik leef in een woestijn. God lijkt verder weg dan ooit.’

 

Hij is als de oude Elia, de eens vurige profeet. Niemand praat nog over God en hij weet niet waar hij God nog zoeken moet.

Maar God zoekt hem. “Opeens stiet een engel hem aan, en zei tot hem: ‘Sta op en eet’.

Elia ontving het brood van de engelen.

Maar daarna wil hij toch liever maar weer gaan slapen.

Maar God is geduldig: zijn engel geeft Elia nog eens een por in zijn zijde. “Sta op en eet; anders gaat de reis uw krachten te boven”.

Pas dan staat hij op en hervat zijn reis, zijn gelovig leven…tot hij de berg van God weer bereikte.

 

Moge het waar worden dat ook wij in deze crisisachtige tijden ons laten aanstoten, opporren, weer opstaan, samen opgaan naar de ontmoeting met de Heer en met elkaar, in eucharistie en communie. Amen.

 

Nico van der Peet

 

 

-------------------------------------------------------------

[1] 1 Koningen 19, 4-8; psalm 34; Efeziërs 4, 30-5, 2; Johannes 6, 41-51

Afbeelding: De engel en de profeet Elia, Ferdinand Bol, ca. 1642 


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 1 augustus 2021

                       Achttiende zondag door het jaar[1]

 

 Zelf als brood worden, een mens worden, een nieuwe mens worden, de oude afleggen met zijn bedrieglijke begeerten; durven uit te delen, levend brood, een levend lichaam; je grootste rijkdom en verzadiging vinden in de ontmoeting met elkaar en met Jezus en zijn hemelse Vader.

Het volk had dorst, het volk leed honger.

Het volk was uit zijn doen, ontregeld;

innerlijk, geestelijk was het de weg kwijt.

Het volk wilde terug naar het verleden, terug naar het oude normaal.

 

De Israëlieten waren bevrijd, weg uit de slaven-samenleving van Egypte. Daar was hun leven teruggebracht tot vroeg opstaan, in dichte drommen, in files naar het werk, tot sjouwen, zweten, onderhorig aan de klok en aan leidinggevenden die mensen alleen maar zagen als verdienmodel.

Een samenleving waar efficiency op nummer één stond en de mens, de kwetsbare, sterfelijke mens en de zorg voor die mens op plaats twee, drie of nog lager. De mens was eerder een kostenpost. En zeker de zorg om de mens. Er moest geproduceerd worden, gebouwd, verdiend.

 

God - vertelt het verhaal van het boek Exodus/Uittocht, waaruit wij vandaag een stukje hoorden - God, de onzichtbare Heer, kon dit niet langer aanzien: hoe mensen afgoden hadden gemaakt van geld, welvaart, efficiency, verdienen. Dit moest anders. Met zijn volk wilde Hij naar een nieuwe samenleving, een nieuw normaal. Met de woorden van de tweede lezing: “de oude mens van uw vroegere levenswandel  kunt u beter afleggen, laten varen…geheel uw denken moet zich vernieuwen. Bekleed u met de nieuwe mens.” Dat doet ons denken aan de doop, waarbij we worden bekleed met het doopkleed. Als gedoopte beloof je een nieuwe mens te worden; doe het oude mensbeeld wėg: de mens als verdienmodel en als hij of zij oud en ziek wordt en niet meer winstgevend is, als kostenpost. Zo was het leven in Egypte.

Maar het volk is door het water van de zee, van het doopsel gegaan, op weg naar het nieuwe normaal, op weg naar het beloofde, het veelbelovende land.

 

Vorig jaar, tijdens de eerste lockdown hoorde je niet weinig mensen daarvan dromen. Zouden we hiervan leren? Dat er nog andere waarden in het leven zijn? Dat de zorg voor de mens, voor de leefomgeving van de mens, voor onze kwetsbare, uitgeputte aarde, - ons leven, ons samenleven zou kunnen vernieuwen, ja de aarde, de mens zou kunnen redden?

 

Maar het valt velen niet mee die mentaliteit, die goede gedachten vast te houden. Zoals eertijds het volk in de woestijn. ‘Nu zijn we lang genoeg uit ons gewone doen geweest. We hebben dorst, we hebben honger. We willen terug naar Egypte, het verleden.’

 

Ook in onze kerk zie je zoiets. Een klein gedeelte van de gelovigen en de priesters zijn in de afgelopen decennia teruggekeerd naar de oude liturgie van vóór 1964. Sommigen wilden en willen dat uit oprechte vroomheid, maar niet weinigen gebruiken die terugkeer naar oude vormen als een protest tegen het heden, tegen de huidige paus, tegen deze moderne wereld waartegen zij zich krachtig verzetten. De vorige paus vond het onder voorwaarden goed. Oud en nieuw liet hij naast elkaar bestaan, omwille van de eenheid van de kerk. Maar deze goede bedoeling van paus Benedictus is in haar tegendeel verkeerd: de verdeeldheid is groter geworden, de tegenstellingen en vijandschappen zijn alleen maar scherper en giftiger geworden. Nu heeft paus Franciscus ingegrepen. Er  zal nog maar één liturgie zijn, de vernieuwde liturgie. Hij geeft ons allen de opdracht die zo goed mogelijk, zo toegewijd mogelijk, zo stijlvol mogelijk te vieren. De toekomst van de kerk is niet het verleden, met zijn antieke vormen, hoe mooi ook. Wij zijn geroepen in het heden te leven, met de rijke woorden van de Schrift, de stijlvolle, betekenisvolle gezangen, de liturgie van de altaartafel.

 

“Werk niet voor het voedsel dat vergaat maar voor het voedsel dat blijft ten eeuwigen leven en dat de Mensenzoon u zal geven”, zegt Jezus ons vandaag in zijn grote toespraak over het brood, waaruit wij vandaag en de komende zondagen zullen horen.

Er is nog een ander soort voedsel in ons leven dan de vleespotten, de overvloed waarmee wij onze maag kunnen vullen en onze dorst kunnen lessen.

 

Jezus spreekt in beelden. Hij gebruikt voor zichzelf één van zijn vele namen die in het Nieuwe Testament worden genoemd. “Ik ben het Brood van het leven; wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen”.

Het ware bood en de echt dorst-lessende drank heeft met Hem te maken, met zijn Lichaam, het gebroken Brood dat wij in elke eucharistieviering ontvangen. Het Brood van het leven. Niet alleen het brood, de mens als verdienmodel en kostenpost, maar de ander als geschenk, als genade. Getransubstantiëerd van verdienmodel en kostenpost naar gratis gave, genade.

 

Daaraan, daarvoor moet je werken, zegt Jezus. Anders zit je wel bij de vleespotten van de consumptiemaatschappij, eet je je buikje rond en drink je maar door, maar blijf je eenzaam achter, opgesoupeerd, tot je geen pap meer kan zeggen, als een sinaasappel uitgeperst.

 

Werk voor het voedsel dat blijft, Brood van het leven, Brood van eeuwig leven, het Brood van de ontmoeting, dat je niet gierig naar je toetrekt, maar dat je ontvangt, dat voor jou en door jou gebroken wordt.

Jezus zegt: Ik ben zelf als brood.

Daarin kunnen we Hem volgen. Zelf als brood worden, een mens worden, een nieuwe mens worden, de oude afleggen met zijn bedrieglijke begeerten; durven uit te delen, levend brood, een levend lichaam; je grootste rijkdom en verzadiging vinden in de ontmoeting met elkaar en met Jezus en zijn hemelse Vader.

“Het echte brood uit de hemel wordt u door mijn Vader gegeven.”

Amen.

 

p. N van der Peet

 

--------------------------------------------------------

[1] Exodus 16, 2-4. 12-15; Efeziërs 4, 17. 20-24; Johannes 6, 24-35


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 21/22 juli 2018,

                     zestiende zondag door het jaar[1]

 

Vrede is dus geen sfeer of plek ver van ons vandaan.

Zonder mensen die de twee in hun eigen leven bij elkaar brengen bestaat er geen vrede.

Bidden om vrede is goed, maar zonder uw, jouw en mijn kwetsbaarheid, mijzelf op het spel te zetten komt zij er niet, blijft ze een hooggestemd ideaal, iets voor praattafels, plechtige toespraken of nationale feestdagen. Vrede bestaat niet los van u, jou, mij.

In je eigen gezin, vriendenkring, kerkgemeenschap;

in jouw relatie met je geliefde.

Vrede stichten en vijandschap doden.

Zo vat de brief aan de Efeziërs de missie samen van Jezus, zijn werk, zijn verlossingswerk.

Hoe heeft Hij dit kunnen doen, vrede stichten en vijandschap doden?

“Door in zijn persoon uit de twee, één nieuwe Mens te scheppen”, verzoening door het Kruis.

 

Prachtige woorden die iets zeggen over daden. Jezus heeft niet alleen staan roepen dat de vijandschap gedood moet worden en vrede gesticht. Het is door Hem heen gegaan. Aan het Kruis is het gebeurd.

 

Meer dan anders zijn wij deze week geconfronteerd met het kruis, met vijandschap, met het intense verlangen naar vrede, naar een nieuwe Mens, een nieuwe manier van mens-zijn.

Het Kruis. Wij gedenken de honderden mensen die het leven lieten bij de ramp met het toestel MH17, gisteren zeven jaar geleden. Voor de nabestaanden is dat een kruis, een wonde die misschien een beetje heelt, maar altijd pijnlijk voelbaar blijft.

Wij werden geconfronteerd met het verbijsterende leed van duizenden mensen die have en goed verloren of zelfs hun leven door de overmacht van het water.

Hun kwetsbaarheid houdt ons  een spiegel voor, maakt ons mensen weer klein en nederig en ook dankbaar voor ons behoud. En confronteert ons met ons menselijk onvermogen, onmacht, onwil ook wel, om onze aarde verantwoord te beheren.

De Bijbel leert ons dat wij beheerders zijn van de aarde, zo u wilt rentmeesters, maar geen eigenaren.

“Van God is de aarde en wie haar bewonen, van Hem zijn haar diepten en toekomst,” zingt psalm 24. En gaat verder: “Hij heeft haar gebouwd op het water en duurzaam verankerd”.

Hoe is onze aarde dan verankerd, duurzaam?

Het antwoord van psalm 24 luidt: “Mensen met rechtvaardige handen, mensen met harten onverdeeld, afgekeerden van schijn en leugen, mensen onkreukbaar met licht geladen, die doen het goede dat moet gedaan.”

 

Het ging niet om buiten het kruis, het ging niet buiten Jezus’ eigen lijf en leden om. Hij preekte geen vrede voor de camera, tijdens een persconferentie. Hij was Zelf vrede, ‘onze Vrede, die de twee werelden één heeft gemaakt, en de scheidingsmuur heeft neergehaald.” Hij deed het goede dat moest gedaan.

 

Nog meer tekenen zagen wij deze week van het kruis. De brute moord op Peter R. de Vries en het proces rond Derk Wiersum, weerloze advocaat, echtgenoot, vader van kinderen; doodgeschoten voor zijn eigen, veilig gewaande huis, waar hij dagelijks in het geluk van zijn jonge gezin terugkeerde na de dagelijkse confrontatie met de onbegrijpelijke wrede wereld van de misdaad.

 

Allemaal mensen die niet aan de kant stonden te preken over vrede, in tegenstelling tot al die mensen die wij deze week op de radio en in talkshows eindeloos hun diep gevoelde verontwaardiging hoorden uitspreken.

 

Vrede is dus geen sfeer of plek ver van ons vandaan.

Zonder mensen die de twee in hun eigen leven bij elkaar brengen bestaat er geen vrede.

Bidden om vrede is goed, maar zonder uw, jouw en mijn kwetsbaarheid, mijzelf op het spel te zetten komt zij er niet, blijft ze een hooggestemd ideaal, iets voor praattafels, plechtige toespraken of nationale feestdagen. Vrede bestaat niet los van u, jou, mij.

In je eigen gezin, vriendenkring, kerkgemeenschap;

in jouw relatie met je geliefde.

Alleen wie een stap durft te zetten, zich kwetsbaar maakt, zoals Jezus deed, alleen wie zijn of haar eindeloos herhaalde gelijk durft te herzien, op gevaar af -als Hij- afgewezen te worden, alleen hij of zij kan een nieuwe mens scheppen, een nieuwe manier van omgang.

 

Jezus probeert ons, zijn leerlingen zover te brengen.

Hij neemt hen mee naar een eenzame plaats. Het woord dat daar staat duidt op de wildernis, de leegte, als in de woestijn.

Een soort retraite of vakantie.

Sommigen noemen dat puur genieten. Vooral de kwijnende reisbranche knoopt dat in onze oren.

Maar u weet het: het is niet altijd puur genieten. Je komt als het goed is tot jezelf en alles wat in u leeft en normaal niet de kans krijgt naar boven te komen kan nu op je af komen.

 

De leerlingen hadden zelfs geen tijd en gelegenheid gehad om te eten.

Nu neemt Jezus hen mee. In de wildernis, de leegte, de rust van die retraite kunnen zij alles nieuw leren zien, zich tot een nieuwe mens laten scheppen. Na een geslaagde vakantie kun je dat wel eens zeggen: ‘ik voel me als een nieuwe mens, ik voel me herschapen.’

Heerlijk is dat. U kent dat.

 

O, wat hebben wij daar toch een behoefte aan. Om niet langer over vrede, vernieuwing eindeloos te palaveren, maar ook werkelijk vrede te vinden. Maar het gaat niet buiten u, jou en mij om.

 

We trekken ons vandaag in deze eucharistie weer even terug met Jezus.

Wij gedenken en vieren ook in deze eucharistie dat Hij onze vrede is geworden, dat Hij ons met elkaar verzoent door zijn kruis, waaraan Hij de vijandschap heeft gedood.

Laten we iets nieuws proberen, vrede stichten dichtbij en ver weg, nieuwe mensen. Dat zal een droom zijn. Amen.

 

Nico van der Peet 

 

---------------------------------------------

[1] Jeremia 23, 1-6; Efeziërs 2, 13-18; Marcus 6, 30-34


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 11 juli 2021

                      Vijftiende zondag door het jaar[1]

 

 

De leerlingen van Jezus moeten zo min mogelijk meedragen. Alleen een stok om op te steunen en om zich mee te verdedigen, en sandalen om in beweging te kunnen blijven. Geen voedsel (ik moet even denken aan die flinterdunne zakjes van de wielrenners met een ‘gelletje’, wat dat ook moge wezen), geen voedsel, geen reiszak, geen kopergeld in hun gordel.

In deze weken van juli probeer ik elke dag een stukje te zien van de Tour de France. In de loop der jaren ben ik een liefhebber geworden. Vooral de berg-etappes vind ik fascinerend. Die renners moeten proberen zo licht mogelijk te zijn. Elk onsje gaat door het mondje en moet ook nog eens de berg op. Sommigen van die mannen zijn angstwekkend mager en afgetraind. Blijft er nog wel iets van hen over? Toch moet het zo, anders halen zij de top niet.

 

Als u mij deze vergelijking toestaat, zo is het ook met Jezus’ leerlingen.

Ze moeten zo min mogelijk meedragen. Alleen een stok om op te steunen en om zich mee te verdedigen, en sandalen om in beweging te kunnen blijven. Geen voedsel (ik moet even denken aan die flinterdunne zakjes van de wielrenners met een ‘gelletje’, wat dat ook moge wezen), geen voedsel geen reiszak, geen kopergeld in hun gordel.

 

Jezus stuurt zijn twaalf leerlingen twee aan twee onderweg.

Hij heeft er alle vertrouwen in.

Jezus is geen geestelijke leider die zijn volgelingen klein houdt, die van hen vraagt dat zij ademloos naar Hem luisteren en precies doen wat Hij hun voorschrijft. Integendeel, Hij laat hen los, stuurt hen onderweg. Hij heeft vertrouwen in ons. Hij heeft ons, hoorden wij Paulus zeggen in de tweede lezing, zijn ‘geestelijke zegen’ gegeven.

Het evangelie zegt: Hij gaf hun macht, gezag over de onreine geesten. Het is hun opdracht wat niet koosjer is, onzuiver, onrechtvaardig te benoemen, te bestrijden, te bezweren.

 

De apostelen en hun opvolgers en heel de apostolische kerk moeten dus niet te veel meetorsen op hun weg. Die neiging heeft de kerk wel. Voordat je het weet is zij een instituut geworden dat zich verschanst achter hoge dikke muren (zo kon je deze week het 14de eeuwse pauselijke paleis in Avignon bewonderen, waarlangs de tourrenners razendsnel passeerden).

Voor je het weet willen de leerlingen niet meer onderweg en hebben zij helemaal geen behoefte aan Geestkracht.

Sterker nog, soms zijn zij een beetje bang voor die Geest.

 

De profeet Amos moest het ondervinden. Hij was niet netjes opgevoed in het profeten-gilde, een goedgekeurde opleiding. “Ik ben veehoeder en vijgenkweker. Maar de Heer heeft mij achter de beesten weggehaald”.

Een gewone man van het land, gezegend met een geestelijke zegen. De hoogste priester van zijn tijd, Amasja, de koning en de politiek schrokken zich een hoedje. Zij waren bang voor zijn geestkracht, zijn geestelijke zegen. Laatst hoorde ik een mij dierbare jongere priester zeggen: ‘de paus hoeft het volk Gods niet te raadplegen, hoeft geen synodale weg te beginnen, hoeft niet te luisteren naar wat de Geest zegt tot de gewone mensen. Hij heeft de Geest ontvangen, het leergezag, laat hij maar beslissen.’

 

Dat klinkt mooi en gelovig. Maar Jezus en zijn plaatsbekleder op aarde sturen ons onderweg, om goed te luisteren naar wat de Heilige Geest tot ieder van ons zegt. Tot de profetische veehoeder en vijgenkweker Amos, tot de apostelen, tot iedere gelovige. Want ieder van ons is onderweg gestuurd, om zo licht en beweeglijk mogelijk, zonder ons te laten neerdrukken door te veel bagage, onze roeping te volgen. De actualiteit leert ons: als de kerkgemeenschap te rijk beladen wordt, al te zeer gevestigd, dan gaat het fout. Zie naar de kerk van Canada die zich in het verleden kritiekloos voegde bij het overheidsbeleid van zogenaamde heropvoeding van de oorspronkelijke bevolking.

 

Maar gelukkig is er ook altijd die door de heilige Geest bezielde weg van christenen die in beweging zijn gekomen voor onderdrukte mensen, die aan hun kant gingen staan. Deze week overleed de 84-jarige priester-jezuïet Stan Swamy in de gevangenis aan de gevolgen van het coronavirus. Pater Stan wijdde zijn leven aan de armste en meest achtergestelde mensen in zijn geboorteland India en zat omwille van zijn profetisch getuigenis gevangen. Hij was als zo’n licht-bepakte leerling van Jezus. Hij was trouw aan Jezus door op te komen voor de armste en minst gewaardeerde mensen in zijn land.

 

Laten wij die weg kiezen, licht bepakt, niet verschanst achter hoge muren van steen en onverzettelijk vasthoudend aan onze gewoonten, posities; niet levend vanuit het devies: 'zo is het altijd gegaan’, maar zo goed mogelijk openstaand voor de zegen en de verrassingen van de Geest; de harde, duistere geesten van deze tijd uitdrijvend en bezwerend, de zieken zalvend en helend. Zo moge het zijn. Amen.

 

Nico van der Peet 

 

-------------------------------------------

[1] Amos 7, 12-15; Efeziërs 1, 3-14; Marcus 6, 7-13


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                      Veertiende zondag door het jaar, 4 juli 2021

 

“Kracht wordt juist in zwakheid volkomen.”

Jezus blijft maar onderricht geven.

Alleen de zieken kon Hij bereiken, aanraken, genezen. Alle anderen redden zichzelf…Vooral de kwetsbaren, de zieken beseffen dat zij beter niet wachten zich door Jezus te laten redden.

Hij blijft proberen - zoals toen voor zijn stadgenoten in Nazareth - om ons te bereiken, om ons vrij te maken.

Om welke reden gingen die inwoners van Nazareth naar de synagoge, naar het huis van het Woord en het Gebed?

Omdat hij een religieus ambt vervulde en moest voorgaan?

Omdat hij of zij bestuurder was en er hoorde te zijn?

Omdat hij of zij koorzanger was en daarom ging?

Omdat hij of zij dat nu eenmaal zo gewend was vele jaren lang?

Omdat hij of zij een schuldgevoel kreeg als hij of zij de sabbat niet onderhield, zijn of haar zondagsplicht niet vervulde?

Of omdat hij of zij het woord van God wilde horen, samen met de geloofsgemeenschap wilde bidden, zich open wilde stellen voor God, voor Jezus? Gewoon daar te zijn niet om iets al of niet nuttigs te doen, maar om er te zijn, een mens te zijn met anderen, in Gods aanwezigheid?

 

Het is sabbat in Nazareth, de stad waarin Jezus is opgegroeid. Hij wordt zelfs genoemd naar deze stad: Jezus van Nazareth.

Jezus is even terug in zijn vaderstad en als praktiserend gelovige gaat Hij op sabbat naar de synagoge, om God te eren, te danken, te smeken; om naar het Woord van de Eeuwige te luisteren en naar de preek.

Als volwassen Israëliet mag Hij ook zelf het woord nemen.

Het evangelie van vandaag schetst ons de eerste dienst van het Woord;

Jezus leest voor uit de Wet van Mozes en geeft uitleg.

Hij, het mensgeworden eeuwige Woord, spreekt in deze tijd.

 

U hoorde het: zijn stadgenoten komen naar de synagoge, maar niet omdat zij nu geïnteresseerd zijn in hun bekende stadgenoot, de zoon van de timmerman. Zij hebben geen boodschap aan Hem, ook niet aan de goede, blijde boodschap, zijn evangelie.

Wat heeft Jezus hun nu te zeggen?

Zij komen naar de synagoge,

maar een band, een relatie, een gesprek met Jezus?

Nee.

 

Om welke reden ga ik naar de kerk?

De houding van de inwoners van Nazareth brengt mij en misschien ook u en jou ertoe in de spiegel te kijken.

Zou Amsterdam-Noord uitlopen als bekend werd dat Jezus hier in eigen persoon zou komen? En toch doet Hij dat in elke eucharistieviering. Het mensgeworden eeuwige Woord van de Vader spreekt en Hij maakt ons tot zijn Lichaam en geeft zijn Lichaam. Wij hoeven hier niet zozeer iets te doen, wij mogen hier iemand zijn: zijn levende Lichaam.

Alleen als wij er zijn krijgt zijn Lichaam een kans aanwezig te zijn.

Anders is zijn Lichaam nergens meer. Zoals toen in Nazareth, toen de mensen eerlijk zeiden dat zij geen boodschap aan Hem hadden.

 

Dat was een harde, bezérende ervaring voor Jezus.

We lezen: “Hij kon geen enkel wonder doen…Hij stond verwonderd over hun ongeloof”.

Voor zijn wonderen van liefde, heling, barmhartigheid, bevrijding heeft Jezus mensen nodig, die naar Hem luisteren en met Hem in gesprek gaan.

Het evangelie is eerlijk: Jezus heeft zijn dagen van ontgoocheling beleefd, uren van diepe eenzaamheid.

Het hele kerkelijk bedrijf daar in Nazareth was druk en doende met van alles, maar had geen boodschap aan Hem, haalde zijn schouders op over Hem.

 

Maar Hij zonk niet weg in de mislukking, de afwijzing.

“Hij stond verwonderd over hun ongeloof”.

En meteen daarop: “Jezus ging rond door de dorpen in de omtrek, waar Hij onderricht gaf”.

Vanuit de mislukking, de desinteresse, het ongeloof om Hem heen gaat Jezus verder.

 

Zoiets hoorden wij ook in de tweede lezing, waarin de apostel aan het woord is. De eens trotse, autoritaire, onverdraagzame, hoog te paard gezeten Saulus, is door een diep dal gegaan.

De nare, intolerante Saulus, genoemd naar de eerste koning van Israel, is Paulus gaan heten: dat betekent: ‘kleine man’.

Hij heeft de ervaring dat Jezus hem heeft vrij gemaakt, bevrijd van al zijn drukte en leerstelligheid.

Paulus is tegen zichzelf aangelopen. Neergesmakt in het stof.

“Er is een doren in mijn vlees gestoken, als een bode van satan die mij moet afranselen”.

Hij heeft gebeden en gesmeekt dat hij weer zijn oude kracht terug mocht krijgen. Maar nee, hier moet hij het mee doen, met deze meer menselijke maat.

Hij heeft gehoord: “Jij hebt genoeg aan mijn genade.

Kracht wordt juist in zwakheid volkomen”.

Genade, niet al jouw werken en drukte,

alleen maar genade, gave, liefde, tederheid. Daar heb je genoeg aan.

‘Van al het andere, Paulus, ben je maar overspannen geworden, intolerant, onuitstaanbaar.’

 

Pas wanneer je door Jezus bent vrij gemaakt kun je ontspannen leven en anderen op weg helpen naar een bevrijd en bevrijdend leven.

Daarvoor komen wij naar de kerk: om verlost, bevrijd te worden.

Niet zozeer om van alles en nog wat te doen, maar vrije mensen te zijn, Lichaam van Jezus, de Bevrijder. Anders worden wij als de inwoners van Nazareth: met van alles en nog wat bezig, behalve met die Ene in hun midden.

 

“Kracht wordt juist in zwakheid volkomen.”

Jezus blijft maar onderricht geven.

Alleen de zieken kon Hij bereiken, aanraken, genezen. Alle anderen redden zichzelf…Vooral de kwetsbaren, de zieken beseffen dat zij beter niet wachten zich door Jezus te laten redden.

 

Hij blijft proberen - zoals toen voor zijn stadgenoten in Nazareth - om ons te bereiken, ons open te maken voor Hem en zijn woord,

om ons vrij te maken.

Laten wij hier trouw blijven komen of weer komen,

naar Hem te luisteren,

Hem ontmoeten,

met onze mede-gelovigen zijn levende Lichaam te worden en te ontvangen.

Zijn bevrijdende genade is voor ons genoeg. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 27 juni 2021, dertiende zondag door het jaar[1]

 

Jezus laat Zich aanraken en Hij raakt het kind aan.

Hij wil het kind in u, in jou en in mij aanraken. Hij wil ons te eten geven, ons sterk maken, ons helen, om de toekomst tegemoet te gaan.

Mag je Jezus aanraken, als is het maar zijn kleren?

Ik denk dat het hier gaat om zijn religieuze kleren. Vrome joden droegen en dragen de hele dag het gebedsgewaad, vaak onder hun gewone burgerkloffie. Waarschijnlijk Jezus ook.

 

Die arme, al jaren bloedende vrouw, heeft het gewaagd Jezus aan te raken. En u hoorde het: Jezus líet Zich raken. Er werd geen afstand gehouden, de menigte drong om Hem heen. Maar tussen de tientallen aanrakingen werd Hij die ene gewaar, die trof Hem, die raakte Hem diep, die raakte Hem in zijn identiteit, de reden waarom Hij, Zoon van God, was mens geworden.

Om te genezen.

 

Als de godsdienst mensen niet geneest, innerlijk, naar lichaam en ziel heel maakt, dan is zij verdacht. Vertrouw geen godsdienstigheid die niet heelt, maar die verdeelt, mensen klein houdt, kleineert.

Je hebt van die bewegingen in het christendom, ook in onze kerk. Mensen moeten hun mond houden en gehoorzaam zijn. Er zijn bewegingen waar leiders, priesters de scepter zwaaien, jaren lang, zonder inspraak, zonder echte dialoog. Paus Franciscus heeft nu besloten dat die leiders van lekenbewegingen gewoon netjes moeten worden gekozen, elke vier jaar opnieuw; dat er naar de gewone leden, vrouwen en mannen geluisterd moet worden. Want wie te lange tijd de baas is gaat zijn macht misbruiken, gaat mensen misbruiken, klein maken, vernederen, met zijn hoofd in de wolken lopen, een schijnleven beginnen, zich gedragingen permitteren die hij andere moralistisch verbiedt. Het komt allemaal voor in onze kerk en gelukkig werkt de paus eraan dit klerikale gedrag paal en perk te stellen.

 

Mag je Jezus aanraken?

Momenteel woedt er in de Amerikaanse kerk een verhitte strijd. Wie mag wel en wie mag niet te communie, Jezus aanraken, ontvangen? Er zijn bischoppen die de Amerikaanse president, de tweede die katholiek is in de geschiedenis, de communie willen weigeren vanwege enkele politieke opvattingen van de man die de ethiek raken. Natuurlijk is het noodzakelijk hierover stevig te discussiëren, het gaat immers over zaken van beginnend menselijk leven in de moederschoot. Gelovigen mogen en moeten daar ernstig over nadenken, elkaar op aanspraken, rustig, respectvol, geduldig, luisterend, biddend. Maar er zijn in de Verenigde Staten dus geestelijke leiders die geen dialoog willen, geen geestelijk strijd, maar de president en geestverwanten van het lichaam van Christus, de communie willen weghouden. Je mag Jezus allen maar aanraken en ontvangen als je zonder woord gehoorzaamt. Geen dialoog, geen gezamenlijke zoektocht naar waarheid, maar strakke gehoorzaamheid.

 

Mag je Jezus aanraken?

Volgens de religieuze wetten van Jezus’ tijd was een bloed-vloeiende vrouw onrein. Zelfs haar man mocht haar niet aanraken en zijzelf mocht niemand aanraken, want de ander zou dan ook onrein worden, gemarginaliseerd zoals zij. Deze vrouw stapt evenwel over dit verbod heen. Doelbewust raakt zij Jezus aan, en wel aan zijn gebedskleed. Zij vertrouwt zich toe aan de band van Jezus met de Vader.

Jezus noemt de onreine vrouw ‘dochter’. Hij roept haar niet uit de hoogte toe, Hij gaat naast haar staan in de marge.

 

“Dochter, uw geloof heeft u genezen”

‘Niet Ik heb het alleen gedaan, maar uw geloof brengt genezing.’

Alleen godsdienst die mensen heelt, geneest naar geest en lichaam, mensen niet langer klein houdt, gevangen houdt in hun beperkingen, in hun onreinheid om zo te zeggen, in hun isolement, - alleen zo’n godsdienst moeten we vertrouwen. Alle andere godsdienstigheid is machtspolitiek, kleinerend, vernederend.

 

Ons lange evangelie verenigt twee verhalen. Begin en eind vormen het tragische relaas over de ziekte en de dood van een dochtertje van twaalf jaar. Het evangelie is dus een verhaal over twee dochters.

Het jonge meisje staat op de drempel van de religieuze volwassenheid. Een kind van twaalf in het jodendom zet de stap naar echte deelname, leest voor het eerst voor uit de heilige Schrift. Zo’n kind is de toekomst van de kerkgemeenschap, zoals bij ons de eerste communicanten en vormelingen. Wat een zegen en vreugde als die er zijn. Ook bij ons zijn die er God-zij-geprezen.

 

Over zo’n kind gaat het. Het is ziek en het sterft. Zij is de dochter van de overste van de synagoge, een bestuurder in de geloofsgemeenschap. Zijn hoop, zijn toekomst, zijn dochter glipt hem door de vingers. Bestaat er op aarde wel iets ergers?

 

“Het kind is niet gestorven, het slaapt”.

De toekomst van de vader Jaïrus en van zijn synagoge-gemeenschap slaapt, het is niet gestorven, het moet tot leven worden gewekt. Jezus gaat ernaar toe. “Wees niet bang, blijf geloven”.

Ach, hoevaak hoor ik het wel niet. “Na de eerste communie hoor je niets meer van die kinderen”. Dat is het beeld van velen: de kerk heeft geen toekomst. Dat dacht Jaïrus ook. Maar we weten wel beter.

“Wees niet bang, blijf geloven” en stel je huis open voor Jezus, opdat Hij de kans krijgt het slapende kind van ons geloof tot leven wekken. We moeten ons huis, onze manier van geloven, hopen, liefhebben, liturgie vieren dan wel op orde brengen en aanpassen aan de toekomst.

 

Jezus stuurt ze allemaal naar buiten, heel die groep van omstanders die er niet meer in geloven.

“Meisje, sta op”.

Jezus laat Zich aanraken en Hij raakt het kind aan.

Hij wil het kind in u, in jou en in mij aanraken. Hij wil ons te eten geven, ons sterk maken, ons helen, om de toekomst tegemoet te gaan.

Laten wij Hem ook vandaag weer aanraken als wij de heilige Communie ontvangen.

En geve God dat u, jij en ik zelf innerlijk aangeraakt worden.

“Hem even aan te mogen raken

zijn kleed, alleen maar bij de zoom,

de kracht die mij weer heel kan maken…”

 

pastoor Nico van der Peet

 

 

---------------------------------------------------

[1] Wijsheid 1, 13-15; 2Kor. 8, 7+9+13.+15; Marcus 5, 21-43


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 20 juni 2021

                                  Twaalfde zondag door het jaar[1]

 

Zo is Jezus. Hij blijft niet aan de veilige oever, Hij steekt over naar de mensen aan de overkant. De leerlingen moeten dat leren van Hem, zijn eerste kerk en de kerk ook van vandaag moet durven, niet angstvallig aan veilige oever en oude zekerheid blijven zitten, beschut tegen de storm van deze wereld met al haar onvoorspelbaarheden en aanvechtingen.

 

 “Waar was je toen de zee haar poorten beukte…toen Ik haar kleedde in wolken en hulde in windsels van wolkenslierten?”

 

Afgelopen maandag liep ik tegen de avond langs het strand van Egmond aan Zee. Eigenlijk was ik onderweg naar Egmond-Binnen, de Abdij, waar ik de avondwake ging meevieren van een mij dierbare monnik, op hoge leeftijd gestorven, de vroegere koorleider, die mij heeft leren zingen en een beetje toon houden. Een hartelijke, opgewekte, muzikale man, die hield van de luister van de liturgie, een liefde die hij me heeft bijgebracht.

 

Maar ik was dus vroeg vertrokken om eerst een standwandeling te maken. Het was een warme zomerdag geweest. Ouders klopten het zand uit de kleren van hun lome kinderen om de terugtocht naar huis te aanvaarden.

Het was bijna twee jaar geleden dat ik nog aan zee was.

Ik genoot weer van de enorme ruimte, de schittering van de zon op het water, het late licht, de zachte wind die opstak.

 

‘Waar was jij, waar ben jij in dit licht, dit vergezicht?

Dat realiseert zich Job, dat hoort hij in zijn oren en in zijn hart?

‘Wat is dan de mens helemaal, waar ben ik dan, Job, die zo aan het tobben ben?’

Job, vroeger rijk en gelukkig, nu bedroefd en arm, ervaart zijn kleinheid, zijn kwetsbaarheid, die mij weer aanvloog toen ik een uur later bij het gestorven lichaam stond van die geliefde monnik.

 

Maar de woorden uit het boek Job eindigen heel troostrijk: Waar was je, bange, kwetsbare mens, toen Ik de onstuimige zee paal en perk stelde, de poort vergrendelde en zei: Tot hier en niet verder?

 

Tot hier en niet verder.

“Laten wij oversteken”, heeft Jezus gezegd tot zijn leerlingen. Zij gingen het water op in de boot.

Wij, levend in de lage landen, omgeven door het water aan alle kanten, gaan graag de zee, de rivieren, de plassen en meren op, voor ons is het een plezier, vrijteijdsbesteding, vakantie. In Jezus’ cultuur was het water een vijand. Het Meer is gevaarlijk. Alleen door Gods hand was het mogelijk geweest door de zee heen te komen, uit Angstland Egypte naar het Beloofde Land. Je moest de voeten vooral droog houden en veilig met beide benen op het veelbelovende land blijven. Het grote Meer, vaak onstuimig en stormachtig, ging je alleen maar op om de noodzakelijke vis te vangen.

 

Jezus’ apostelen, van oorsprong vissers, hadden het lef om het onzekere water op te gaan. Maar Jezus wil niet vissen. Hij wil oversteken, naar het buitenland, het land van de Gerasenen, mensen in duisternis, bezetenheid, ellende. Zo is Jezus. Hij blijft niet aan de veilige oever, Hij steekt over naar de mensen aan de overkant. De leerlingen moeten dat leren van Hem, zijn eerste kerk en de kerk ook van vandaag moet durven, niet angstvallig aan veilige oever en oude zekerheid blijven zitten, beschut tegen de storm van deze wereld met al haar onvoorspelbaarheden en aanvechtingen.

 

“Er stak een hevige storm op…de boot liep vol water…intussen lag Hij aan de achtersteven op het kussen te slapen.”

 

Tja, Jezus mag zijn kerk dan wel laten oversteken, maar dan moet de Heer wel bij haar blijven. Hij sluimert niet en Hij slaapt toch niet die over zijn volk waakt?[1]

Maar zo is dus de ervaring van de kerk van Jezus. Het lijkt wel alsof de Heer slaapt, alsof Hij nooit meer opstaat om ons te redden, ons door de storm te leiden, ons aan de overkant te brengen. Hoe vaak horen wij het wel niet: ‘Waar is Hij, nu ik in nood ben, ernstig ziek ben, de dood nabij?’

 

Wat is dan het antwoord, mijn antwoord?

In ons evangelieverhaal maken zij, de bange apostelen, Jezus wakker, en zeiden: “Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?”

Wat is Jezus’ antwoord op het angstig roepen, wekken, bidden van zijn leerlingen?

“Hij stond op…”

Hier lezen wij hetzelfde woord als zal worden gebruikt bij de opstanding van Jezus uit de dood.

De jongeman in het wit, zittend in zijn graf zal zeggen, nu niet tegen de bange apostelen, maar tegen de geschrokken en tegelijk opgetogen vrouwen: “Schrik niet. U zoekt Jezus van Nazaret, die gekruisigd is. Hij is tot leven gewekt.” Hij is opgestaan.

 

Jezus is in het schip opgestaan, dit schip van ons kwetsbare bestaan, waarin wij allen zitten, rijk en arm, gelovig, niet gelovig of anders gelovig. Wij zitten allen in hetzelfde bootje en we hopen allemaal vurig dat wij de oversteek veilig kunnen maken; dat wij allen voet kunnen zetten op het land van de toekomst waarheen de Heer ons roept en uitnodigt. Wij hoeven niet te vrezen, Hij zal de wind en het water tot rust brengen.

 

Tenslotte is er dan die vraag van Jezus: “Waarom ben je zo bang? Hoe is het mogelijk dat je nog geen geloof bezit?”

Op deze zondag, de dag van de opwekking uit de slaap van de dood, worden wij opgewekt te vertrouwen, ons geloof te voeden en te versterken. Wij zijn niet alleen in dit onvast bestaan, het soms gammele bootje van ons leven. Met Hem aan boord mogen wij in het avondlicht van ons bestaan de andere oever veilig bereiken. Zo moge het zijn.

 

Nico van der Peet

 

 

------------------------------------------------

[1] psalm 121, 4

[1] Job 38, 1. 8-11; 2 Korintiërs 5, 14-17; Marcus 4, 35-41


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 13 juni 2021

                       Elfde zondag door het jaar[1]

 

De kerk is geen reusachtige volière, geen kooi, die ons krampachtig wil vasthouden, maar een boom, waar we schaduw, geborgenheid, beschutting kunnen vinden en op krachten kunnen komen om onze vlucht, onze weg, ons dienstwerk aan God, onze naasten, de samenleving, de aarde te kunnen voortzetten.

“Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort.”

De aarde: in de heilige Schrift betekent dat meestal: het land, het goede, veelbelovende land. U hoorde de profeet Ezechiël jubelen. Het ongelooflijke gebeurt: de kleine, gedecimeerde geloofsgemeenschap ontvangt een nieuwe toekomst, zoals een twijgje, afgebroken van een hoge ceder, dat in de aarde wordt geplant: het zal takken dragen, vrucht vormen. Wij mensen kunnen dat niet op eigen kracht. Wij kunnen alleen maar vertrouwend hopen op Gods initiatief. Hij neemt het twijgje en plant het.

 

Het gaat over het land, de grond die God ons geeft, niet om die zoveel mogelijk voor onze persoonlijk gewin te gebruiken, te misbruiken, uit te putten, zoals wij zien gebeuren in onze vervuilde, verstik-stofte leefomgeving. Nee, de aarde die ons gegeven is als kans, als toneel van verbond, van vriendschap met de Schepper God, met de mensen, en met alles wat adem heeft op aarde.

 

Jezus moet het leven op het land goed hebben aanschouwd, overwogen, liefgehad. Zijn vader Jozef was een timmerman. Het heilig Huisgezin woonde in een kleine stad in Galilea. Dichtbij waren de sierlijke heuvels, de oevers van het Meer van Galilea.

In Jezus’ tijd woonden betrekkelijk weinig mensen in de steden en de meesten op het land.

 

“Het gaat met het rijk van God als met een man die zijn land bezaait; hij slaapt en staat op, ’s nachts en overdag, en onderwijl kiemt het zaad, en schiet op, maar hij weet niet hoe”.

Onvermijdelijk doen deze woorden mij denken aan mijn vader, met zijn gezin wonend aan de rand van de stad, werkend als gasfitter, maar in zijn hart door en door de zoon van een akkerbouwer. Elk vrij moment in zijn leven boog hij zich over de aarde, de twee moestuinen die hij bewerkte. Zonder veel woorden. Hij sliep en stond op, ’s nachts en overdag, en onderwijl kiemt het zaad.

Zonder veel woorden leefde hij heel geduldig, toegewijd.

 

Zo krijgt het koninkrijk een kans in deze wereld. In mensen, in een kerkgemeenschap die zich niet al te veel zorgen maakt en vooral niet al te bezorgd is om zichzelf, haar succes, haar toekomst. Of zij wel maatschappelijk aanzien heeft, de statistieken op orde, de bankrekening royaal. Vorig jaar begon ik mij ernstig zorgen te maken over de kerk, over onze parochie. Komt dit nog wel goed? Gaan de mensen wel weer komen of blijven zij voorgoed thuis? Gaan we financieel niet ten onder in de golven van de corona-storm. Totdat ik stap voor stap, vooral geholpen door het realistische en spirituele onderricht van de paus, ontdekte dat de kerk, de parochie niet bestaan om zichzelf en haar toekomst koste wat het kost veilig te stellen. De kerk is er - in navolging van Jezus - uit bekommernis met de mensen, de aarde, hun toekomst, hun redding. ‘Al het overige zal u erbij worden gegeven.’

 

En inderdaad, zo blijkt het te zijn. Het wordt ons rijkelijk gegeven. Slapen en opgestaan, ’s nachts en overdag en onderwijl kiemt het zaad, en schiet op en wij weten niet hoe.

De mensen komen weer, spannen zich in voor hun kerk en parochie, de bankrekking is maar een beetje geslonken.

 

De kerk moet doen wat zij kan, ’s nachts en overdag, het zaad geduldig, op het goede moment, doelgericht, op de juiste plaats en op de gunstige tijd, uitstrooiend. Het gewas kun je niet uit grond trekken. Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort.

 

Nog een gelijkenis voor het koninkrijk van God legt Jezus ons voor. Dit rijk lijkt op een mosterdzaadje. Dat is bijna niet te zien. De wind blaast het weg. maar het is heel sterk, het kan lange tijd verborgen, onzichtbaar blijven, maar toch overleven. Mensen kijken erop neer, besteden er geen aandacht aan. Maar het zaad, waarin een hele toekomst verborgen ligt, is er. Het wordt tot “de grootste van alle tuingewassen, het krijgt grote takken zodat de vogels in zijn schaduw kunnen nestelen.”

 

De kerk, schreef paus Benedictus ooit, “is een grote drager van spirituele ervaring. Zij is als een boom, waarin vogels kunnen nestelen, ook als ze dan opnieuw willen wegvliegen - maar toch een plaats, waar men zich voor een tijdje kan vestigen”.

Mooi gezegd, de kerk is geen reusachtige volière, geen kooi, die ons krampachtig wil vasthouden, maar een boom, waar we schaduw, geborgenheid, beschutting kunnen vinden en op krachten kunnen komen om onze vlucht, onze weg, ons dienstwerk aan God, onze naasten, de samenleving, de aarde te kunnen voortzetten.

 

Met Paulus mogen we zeggen: we houden goede moed, wij zijn onderweg, wij leven in geloof, wij zien Hem niet. Maar wij houden moed, totdat we voor Jezus mogen verschijnen en ons loon mogen ontvangen. Amen.

 

Nico van der Peet 

 

---------------------------------------------

[1] Ezechiël 17, 22-24; 2 Kor. 5, 6-10; Marcus 4, 26-34