Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 11 april 2021

                       Tweede zondag van Pasen.[1]

 

Thomas is eerlijk en daarom zo geloofwaardig. Alleen volstrekte eerlijkheid, zonder laf aanpassingsgedrag of onechte gehoorzaamheid, alleen eerlijkheid kan het geloof redden of weer terugbrengen. Priesters, diakens, predikanten en opvoeders die zelf hun wonden, hun kwetsbaarheid durven te laten zien, maken wellicht een kans.

 

Ooit sprak ik langdurig met een vrouw,  moeder en oma, die mij behalve uitvoering sprak over haar liefde voor haar kinderen, die met grote toewijding omzien naar hun oude moeder en haar omringen met hun zorgen, mij ook uitvoerig haar verdriet en zorg over hen toevertrouwde. Op een enkeling in haar gezin na was geen van haar kinderen meer kerkelijk, praktiserend.

Het is een stil verdriet van veel ouders en grootouders. Meestal overstemmen zij hun verdrietige gevoelens vlug met de terechte opmerking dat hun kinderen heel goede mensen zijn. En daar laten zij het dan bij.

Maar deze krachtige, diepgelovige moeder niet. Zij drukte mij op het hart: ‘wanneer ik ben overleden en u de uitvaart doet, dan moet u als evangelie het verhaal lezen van de ongelovige Thomas. Dat wil ik hun meegeven. Ze mogen wel twijfelen, maar uiteindelijk moeten ze met Thomas door de knieën gaan.’

 

Van haar gedrevenheid en diep doorleefd persoonlijk geloof in de verrijzenis van Jezus was ik onder de indruk. En haar verdriet om haar goede kinderen die geen werk meer maakten, althans kerkelijk gezien, van hun geloof, vond en vind ik heel begrijpelijk en navoelbaar. Zelf worstel ik er ook mee: als broer, als oom.

Zij heeft gelijk. Persoonlijk geloof vraagt om viering, om gemeenschap. “De menigte die het geloof had aangenomen, was één van hart en één van ziel”. Dat is de grote waarde van de kerk in onze geïndividualiseerde tijden: een  gemeenschap vormen.

 

Het loslaten van zeer velen van het kerkelijk praktiseren ligt natuurlijk ook en misschien wel vooral, aan de kerk zelf. Daar is veel misgegaan, veel ongeloofwaardigheid, middelmatigheid, ambtsdragers die het zelf ook niet meer wisten en weten.

Mensen, zeker ook jongeren hebben een scherp gevoel voor wat echt is, authentiek, geloofwaardig. Waar het daaraan schort nemen zij de benen, lichamelijk en geestelijk.

 

Terug naar ons evangelie van deze achtste dag van Pasen, de octaafdag. Om nu het evangelie te gebruiken als een stok om kinderen weer naar de kerk te drijven?

‘Ja, dit paasevangelie kan zeker in een uitvaart’, zei ik die liefdevolle moeder, ‘maar dan lijkt het me goed om me met uw kinderen te verdiepen in de persoon van Thomas en in de reactie van Jezus op Thomas.’

 

Thomas staat dichtbij u en mij. U in de kerk, u online of via de podcast (splinternieuw!) verbonden. Ja, hij staat aan onze kant. Net als wij was hij er niet bij toen Jezus die eerste dag van Pasen bij de bange, in lockdown levende apostelen kwam. Op die paasdag vonden zij het gevaarlijk op straat. Geweld school in alle hoeken. Het grote wonder van Pasen was voor hen dat Jezus op een volstrekt nieuwe manier bij hen kwam. Gesloten deuren hielden Hem niet tegen. De evangelist vertelt ons: het was Jezus, maar in een heel nieuwe dimensie, waarin materiële belemmeringen niet meer spelen. Het grote wonder van Pasen was dat Jezus en zijn nieuwe manier van aanwezigheid hun vrede had gebracht.

“Vrede, eirene, sjaloom voor jullie. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u”.

 

Dat was een wonder: dat er weer vrede was, na alle geweld, na hun slaapzucht, na hun vlucht, na de verloochening nota bene door de belangrijkste apostel, en dat alles juist in het uur waarin Jezus meer dan ooit steun en troost nodig had. Na al deze ongeloofwaardigheid van de eerste kerkgemeenschap, juist dan komt Jezus in hun midden en geeft hun vrede. Wat een vergeving, wat een barmhartigheid. Ja, goddelijke barmhartigheid. Sinds het jaar 2000 heet deze zondag ook wel de Zondag van de goddelijke barmhartigheid.

 

Maar Thomas was er niet bij.

Hij is eerlijk en daarom zo geloofwaardig. Alleen volstrekte eerlijkheid, zonder laf aanpassingsgedrag of onechte gehoorzaamheid, alleen eerlijkheid kan het geloof redden of weer terugbrengen. Priesters, diakens, predikanten en opvoeders die zelf hun wonden, hun kwetsbaarheid durven te laten zien, maken wellicht een kans.

 

‘Ik kan het niet geloven, tenzij.’

Tomas wil de tekenen, de wonden van Jezus betasten. Jezus heeft zwaar geleden, zijn lichaam is doorboord, handen, voeten, zijde. “Hij is het die gekomen is met water én bloed”. Hij is begraven, het dodenrijk ingegaan, 'ter helle’, belijden wij, en op de derde dag opgestaan. Op een heel nieuwe manier is Hij aanwezig, geen lockdown kan Hem buiten sluiten. Maar de wonden blijven voelbaar, zichtbaar, tastbaar, be-tast-baar.

 

Geloven is niet slikken of stikken, niet-nadenken, ja en amen zeggen, punt.

Nee, Jezus komt de twijfelende, vragende, aarzelende Thomas met geduld tegemoet. Hij mag Jezus zelfs lichamelijk aanraken, als enige. Juist de twijfelaar mag er zijn. De mens die niet zomaar alles slikt, omdat de apostelen en de apostolische kerk dat vraagt of eist. Juist hij, Thomas, juist u en ik die er niet bij waren op die dag van Pasen. Jezus prent Thomas noch u en mij een geloofsbelijdenis is. Hij toont ons zijn kwetsbaarheid, zijn pijn, zijn lijden, zijn verlatenheid op het kruis. Hij toont zich niet op de eerste plaats in de glorie, de schittering, de schoonheid van zijn verrezen Lichaam en van ons bestaan, maar in de wonden, die dag na dag aan ons verschijnen. Als wij zijn aanwezigheid willen tasten, voelen, dan laat Hij zich vinden in die kwetsbare kant van het bestaan, in de gewonden, geestelijk of lichamelijk van onze dagen. In ouders en voorgangers die zich niet groot houden en al hun persoonlijke vragen inslikken.

 

Langzamerhand heeft die lieve moeder en oma het weten los te laten. Zij bidt elke dag voor haar kinderen en als zij in de toekomst akkoord gaan zal het evangelie van Thomas worden gelezen. Jezus heeft geduld met Thomas, met u en mij en met die kinderen en kleinkinderen. Zij hoeven niet te slikken of te stikken, maar mogen tasten naar de wonden, naar de handen, de zijde, het Hart van Jezus. Zij en wij allen hebben de overtuiging, de eerlijkheid nodig van het hart en goddelijke barmhartigheid. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-------------------------------------------------------

[1] Handelingen 4, 32 - 35; 1 Johannes 5, 1-6; Johannes 20, 19 - 31


Verkondiging PAASWAKE in De Nieuwe Augustinus, 3 april 2021[1]

 

Er was geen houden aan. Niet alleen de zware steen van voor het graf werd weggerold, maar ook het loden gewicht dat op Petrus en de overige apostelen lag. Het grootste wonder van Pasen is nog wel dat zij op hun bange schreden terugkeerden. Net als die bange, naakte Marcus. Hij trok zijn witte kleed aan en wilde alleen nog maar praten over opstanding, leven voorbij aan het graf, de mummies, de balseming, de dood.

Laten we leven uit onze doop, laten we leven uit de ontroering van de vrouwen.

Alle evangelieverhalen zijn het erover eens: de eerste verkondiging van de verrijzenis van Jezus is gedaan aan vrouwen. Zij waren die morgen, na de sabbat naar het graf gingen. Het fundament van het paasgeloof van de christenen is gelegd door vrouwen. Mannen kwamen pas later, aangespoord door de vrouwen om naar het openstaande graf te komen.

 

In de vroege kerk, in de eerste tientallen jaren en misschien kun je zelfs zeggen: in de eerste eeuwen hadden vrouwen een voorname rol in de kerkgemeenschap. In elk geval een belangrijker rol dan in de seculiere samenleving gebruikelijk was. Later, moeten we vaststellen, werd de kerk op het oog en naar het aanvoelen van velen, zeker van vrouwen, een mannen-zaak. Juist in onze tijd ontstaat daarover discussie. In vele kerkgemeenschappen kunnen vrouwen het kerkelijk ambt op zich nemen. In de oosterse-katholieke en orthodoxe en ook in onze eigen rooms-katholieke kerk nog niet. Onze paus voelt aan dat het moeilijk te handhaven is. Stap voor stap benoemt hij vrouwen in belangrijke functies in de leiding van de wereldkerk. Mijn beste studie-vriendin, echtgenote, moeder van twee dochters, is hoogleraar in het kerkelijk recht en wordt regelmatig door het Vaticaan ingeschakeld voor ingewikkelde kerkelijke kwesties op wereldschaal. Wanneer ik haar verhalen hoor voel ik me heel eenvoudig. Het is beter, gezonder en meer evangelisch als mannen en vrouwen samen in gelijke mate en in gelijke dienstbaarheid het geloof verkondigen en de Kerkgemeenschap van Jezus besturen en dienen.

 

De vrouwen zijn naar het graf gegaan. Hun zorg: wie zal de heel zware steen van het doodsgebied wegrollen… is al overwonnen. De grafkamer staat open. Tot hun ontsteltenis zien zij een jongeman in een wit gewaad, die haar verkondigt: Hij is verrezen. Sommigen denken dat de schrijver van het evangelie, Marcus, zichzelf bedoelt: hijzelf, Marcus, de eerste evangelist, heeft zichzelf geportretteerd als de boodschapper van de opstanding van Jezus, zoals oude schilders ook wel deden: in een hoekje van het schilderij een klein zelfportret schilderen Toen Jezus gevangen genomen werd was het mogelijk ook weer Marcus zelf die naakt wegvluchtte, om zijn blote, vege lijf te redden. Een tweede - nu beschaamd - zelfportret. Zo deerniswekkend eindigde het met Jezus’ eerste geloofsgemeenschap: al die twaalf mannen vluchtten, kenden Jezus niet meer, - verloochening, verraad. Nu zit er een man uit hun entourage in het graf, niet meer in zijn blootje, maar in een wit gewaad, zeg maar zijn doopkleed. Zo zitten wij vanavond in de kerk, geestelijk gezien in ons doopkleed. Dadelijk wordt het nieuwe doopwater gezegend en daalt het over ons neer, nadat wij niet meer zijn weggelopen voor onze geloofsovertuiging, maar die opnieuw hebben beleden. Dat hopen we van dit paasfeest: dat de kerk Jezus niet verloochent en verraadt, dat wij niet angstig, kleinmoedig leven, maar ons geloof verdiepen, versterken, vernieuwen: hernieuwing van onze doopbeloften. Niet meer geestelijk naakt, beschaamd, maar  bekleed met het doopsel, nieuwe mensen, weer opgestaan, hoopvol, liefdevol. Zoals die vrouwen, Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus en Salomé. Hoe liefdevol staan zij op uit hun verdriet en kopen zij de welriekende kruiden. Zij willenJezus’ lichaam balsemen. Zoals de Egyptenaren in het land van de slagerij deden: hun farao’s balsemen, waarmee ze nu plechtig door Caïro rijden. Maar de dodencultus is voorbij. Het volk is weggetrokken uit Egypte, het mag gaan leven, het graf staat leeg.

 

Hoe reageren de vrouwen?

“De vrouwen gingen naar buiten en vluchtten weg van het graf, want vrees en ontsteltenis had hen overweldigd. En uit vrees zegen zij er niemand iets van.”

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat met deze woorden het evangelie van Marcus eindigt. Is dat alles: alleen maar vrees en ontsteltenis?

Eigenwijs als ik kan zijn heb ik de grondtekst nog maar eens opgeslagen. Wij hoorden: “vrees en ontsteltenis”. Er staat: huivering en ekstasis.

Ekstatis, dat kan betekenen: verbijstering en diepe ontroering.

 

Zusters en broeders, ik ben zo vrij het daarop te houden: die vrouwen waren niet bang en ontsteld, welnee. Ze huiverden, zij waren ontroerd. Van hun stuk gebracht. Al hun zorgen voorbij, geen balseming meer, geen mummies, maar een leeg graf.

De kerkgemeenschap moet weg van alle gedenktekens van vroeger en lege gebouwen. Zij mag één al al toekomst zijn.

Jezus is opgewekt, verrezen. Hij gaat Petrus en al zijn angstig weggevluchte mannen (die waren pas bevreesd!) voor naar Galilea. Daar zullen ze Jezus zien, zoals Hij hen gezegd heeft. De vrouwen waren zo ontdaan en ontroerd dat zij er niemand iets van zeiden. Het geloof begint bij ontroering.

 

Maar wij weten hoe het verder ging. Er was geen houden aan. Niet alleen de zware steen van voor het graf werd weggerold, maar ook het loden gewicht dat op Petrus en de overige apostelen lag. Het grootste wonder van Pasen is nog wel dat zij op hun bange schreden terugkeerden. Net als die bange, naakte Marcus. Hij trok zijn witte kleed aan en wilde alleen nog maar praten over opstanding, leven voorbij aan het graf, de mummies, de balseming, de dood.

Laten we leven uit onze doop, laten we leven uit de ontroering van de vrouwen. Amen.

 

Nico van der Peet

 

 

--------------------------------------------------------------------

[1] Genesis 1,1 - 2,2; Exodus 14,15 - 15,1; Romeinenbrief 6, 3-11; Marcus 16, 1-8


Verkondiging Palmzondag, 28 maart 2021[1]

 

“Toen scheurde het voorhangsel van de tempel van boven tot onder in tweeën”.

Jezus blijkt de nieuwe tempel.

Het allerheiligste wordt zichtbaar op het Kruis.

 

Jouw bestemming bereiken, thuis komen, hier hóór ik.

 

Van harte hoop ik dat u, dat jullie dat allemaal in je leven hebt mogen ervaren. Of anders, dat je dit ooit gegeven wordt. In diepste wezen zijn mensen allemaal zoekers. Mensen van de aarde maar ook weer niet helemaal. In ons hart schuilt ook een verlangen naar verder, hoger, over de horizon van een beperkt bestaan. Vossen hebben holen en vogels hun nesten, maar mensen?

Zij hebben een dak nodig boven hun hoofd, een warm gezin en daarna, als je voldoende liefde en zegen hebt ontvangen, jouw eigen weg gaan.

 

Maar waarheen?

We horen het nu over jongeren: dat zij nauwelijks de kans hebben de wereld, de stad van hun studie of werk te verkennen.

In een van de appartementen van mijn flatgalerij wonen sinds een jaar vier studenten in een flat. Een paar keer per dag passeer ik hun tot studentenwoning verkamerde flat. Daar zitten ze dan. Eén van de vier lijkt me een studax. Altijd zit hij achter zijn twee computerschermen. En elke keer groet hij me weer vriendelijk. De andere drie zie ik gevaarlijk vaak voor de teevee hangen. Zij komen geen deur uit, staren naar beelden van ver.

 

Jouw bestemming bereiken, thuis komen, hier hóór ik.

 

Palmzondag viert het thuiskomen van Jezus. Een man van ongeveer 33 jaar. Geen vaste woon- of verblijfplaats meer.

Zoals zoveel pelgrims naar het paasfeest in Jeruzalem, waar spoedig de paaslammeren zouden worden geslacht, en waar elke familie, elke vriendengroep het paasmaal zou gaan eten in kleine privé-kring. Zoals Joden dezer dagen nog doen, ook in Buitenveldert bijvoorbeeld.

Zoals zoveel pelgrims zoekt Jezus een zaal waar Hij met zijn leerlingen die maaltijd kon eten.

Dat was in Jeruzalem elk paasfeest weer een enorme uitdaging, om voor al die pelgrims een plekje ter beschikking te stellen om samen de paasmaaltijd te houden. Niemand mocht buiten eten en slapen. Het was een feest van gastvrijheid. Want we vieren dat wij bevrijd zijn uit slavenhuis, Angstland Egypte en nu eindelijk onze levensbestemming hebben bereikt.

 

Jouw bestemming bereiken, thuis komen, hier hóór ik.

 

Jezus zag zichzelf als de bruidegom, ooit van zijn volk in Kana, nu in zijn bruid, zijn stad Jeruzalem. 'Vrouw, zie daar uw zoon. Zoon, zie daar uw moeder'.

Daar vanaf het kruis begint Jezus een nieuwe gemeenschap.

Hemzelf wordt uiteindelijk een veilig huis ontzegd. Hij wordt de stad uitgezet. Jij bent een bedreiging voor ons omdat jij jezelf een geliefde Zoon van God durft te noemen, dé Zoon.

De hogepriester scheurde zijn kleren. Deze hoogste voorganger in het geloof, kon het niet geloven dat de onzichtbare, eeuwige God zo menselijk nabij zou komen, in een mens, in deze joodse, orthodoxe man uit Nazareth? Kon daar iets goeds vandaan komen?

Hij scheurde zijn kleren, de hogepriester.

De hogepriester die maar eenmaal per jaar, op Grote Verzoendag, het allerheiligste mocht binnengaan, de voorhang opzij schuiven en daar de Heer ontmoeten, die boven de ark, de vleugels van de cherubim woonde en de onuitsprekelijke naam van de onzichtbare God uitspreken. En nu hoorde hij Jezus zeggen dat Hij dé Zoon van de Gezegende, de Zoon van God is.

 

“Toen scheurde het voorhangsel van de tempel van boven tot onder in tweeën”.

Jezus blijkt de nieuwe tempel. Het allerheiligste wordt zichtbaar op het Kruis.

 

De hoogste kringen van het jodendom hielden hun hart vast en hitste het volk op tegen Jezus. Dé joden wilden niet van Jezus af. Integendeel, zij hadden Hem toegezongen, ‘Hosanna, Zoon van David, gezegend HIj die komt in de naam des Heren’.

Zij waren opgejut door de leiders. Die man moet weg. Wij willen rust, wij willen onze hoge positie behouden.

De hoge geestelijken spannen samen met de oppermachtige Romeinen, met Pilatus.

Het politieke dier Pilatus is helemaal niet bang van de titel ‘Zoon van God’, maar wel van een ander predikaat: “koning der Joden”. Dat wilde Jezus helemaal niet zijn. Het volk zag in Hem de ideale koning, niet op het paard van de machtigen maar op de ezel van de dienaar.

Geef die mensen maar eens ongelijk.

 

Jouw bestemming bereiken, thuis komen, hier hóór ik.

 

Met Jezus bereiken wij vandaag de bestemming van ons leven, ons geloof, Jeruzalem, dat betekent Stad van Sjaloom, Vrede. Daar verblijven wij met Hem deze week. Vanaf donderdag komen we dagelijks naar de kerk, waar wij die bestemming van onze aardse reis zoeken. Dit is onze bovenzaal waar wij altijd mogen vieren, ook al is het maar met dertig. Toch achttien meer dan toen. Schrijf u in en als het niet gaat wees online verbonden.

Laten wij op weg gaan naar onze bestemming, thuis komen, waar wij horen, waar wij de boodschap zullen horen en beleven: Hij is niet hier. Hij heeft zijn bestemming bereikt. Hij is verrezen. Dan zullen we leven. Amen.

 

Nico van der Peet

 

------------------------------------

[1] Marcus 11, 1-10; Marcus 14, 1 - 15, 47


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 21 maart 2021

 

                                Vijfde zondag in de Veertigdagentijd,

 

Zusters en broeders,

vandaag is de 5de zondag van de veertigdagentijd. Volgende week zondag gaan we palmzondag vieren, Pasen komt steeds dichterbij. De lezingen van vandaag zijn heel levendig en geven ons in deze crisistijd hoop, energie, bemoediging en leven. Ze bieden ons ook kansen om te komen tot iets nieuws in ons leven, daarvoor moeten we echter wel soms iets loslaten.

De wereld ziet er vanwege de crisis moe uit, de mensen zijn coronamoe. Velen hebben hun baan verloren, sommigen hun familieleden en sommigen zelfs de hoop voor het leven. In deze tijd stellen de lezingen ons gerust met het nieuwe leven of het nieuwe verbond. De eerste lezing van vandaag gaat over het nieuwe verbond. Dit verbond is niet zoals  God dat met de Israëlieten op de berg Sinai had of dat van de Exodus. Dit verbond zou gesloten worden als het volk terug is uit de ballingschap. De lezing begint met een hoopvolle zin, “Er komt een tijd.” Daarna spreekt Jeremia over het nieuwe verbond van God met Israël. God zal zijn wet in hun binnenste leggen. God zal zijn wet in hun hart leggen. God zal hun God zijn en de Israëlieten zullen zijn volk zijn. En God zal hun zonden vergeven. Dit is het verbond dat God met Zijn volk wil sluiten. God’s verbond met de mensen is bedoeld om het volk ten volle leven te geven.

 

Het nieuwe verbond is een uitnodiging van God om het oude verbond los te laten. Als wij bereid zijn om het oude verbond los te laten, ben ik er zeker van dat het nieuwe verbond zelf zal komen. Wij lezen verhalen in de bijbel waarin het oude verbond losgelaten word en het nieuwe verbond ontvangen. Bijvoorbeeld: Zacheüs, hij heeft het oude leven losgelaten. De verloren zoon, ook hij heeft het oude los gelaten. Ze hebben hun leven losgelaten, het leven dat ze heel leuk vonden. In het evangelie zegt Jezus :”wie zijn leven bemint, verliest het, maar wie zijn leven in deze wereld haat zal het ten eeuwigen leven bewaren”.

Wij kunnen ons leven niet helemaal haten of verliezen, maar wij kunnen wel leven in dienstbaarheid voor de ander. Jezus vraagt ons hier om hem te volgen. Hij heeft zijn leven voor anderen geleefd. Het is ongelooflijk hoe Jezus zijn leven voor anderen heeft gegeven.

 

Lang geleden kwamen veel paters uit Nederland naar India of andere landen. Ze hebben hun leven voor de mensen uit India of andere landen gegeven. Nu is het andersom. Wij moeten in India onze familie loslaten en naar Nederland komen. Ik heb in India mijn ouders, mijn broers en familie los moeten laten.

Ik mis de gewoontes, tradities, het lekkere eten en de mensen, vooral mijn ouders en broers. Maar ik heb hier in Nederland gelukkig heel veel mensen leren kenen. Ik heb Nederlands geleerd, voor mij een onbekende, nieuwe taal. Ik heb de kerk van Nederland gekregen als mijn familie. Ik ben door de mensen goed ontvangen. Ik heb veel ervaringen van deze totaal andere cultuur opgedaan en ervan geleerd. Ik heb veel geleerd van de mensen in Nederland. Daarom zegt Jezus ons dat er altijd iets bijzonders is als we bereid zijn om ons oude leven los te laten. In het evangelie zegt hij: “als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft blijft hij alleen; maar als hij sterft brengt hij veel vrucht voor.”

 

De vraag blijft echter; Wat moet ik loslaten? Kan ik echt iets nieuws vinden als ik iets loslaat? Het voorbeeld is Jezus zelf. Hij heeft zijn leven verloren maar hij leeft nog. Hij is verrezen. Hij heeft ons hart gewonnen. Hij heeft ons over zijn leven geleerd. Zijn daden en woorden blijven nog in ons hart. Wij herinneren hem elke dag tijdens de eucharistie.

 

Tijdens deze crisis voelen velen zich eenzaam, gefrustreerd of angstig. We moeten veel vaste gewoonten loslaten. Wij houden afstand van elkaar en wij kunnen elkaar niet knuffelen. Wij kunnen onze opa, oma of vader en moeder niet bezoeken. Veel  dingen moeten we noodgedwongen loslaten. Het is moeilijk en raar. Maar het loslaten bied ons ook nieuwe kansen.  De crisis kent ook een andere kant. Door de crisis hebben we ons ook nieuwe dingen aangeleerd. Wij hebben geleerd om onze verantwoordelijkheid naar elkaar toe te laten zien. Onze zorginstellingen zijn beter geworden. De crisis heeft ons geleerd hoe om te gaan met eenzaamheid en frustratie, de crisis heeft ons geleerd te zoeken naar positieve oplossingen. De moeilijkheden en het lijden dat deze crisis heeft gebracht heeft ons ook versterkt. De crisis heeft sommigen zelfs dichterbij God gebracht. Zo hebben we veel verloren maar ook gewonnen.

Zusters en broeders,

laten we op weg naar Pasen bidden dat ons leven mag zijn als de graankorrel die in de aarde valt en sterft om daarna veel vruchten voort te brengen, vruchten van dienstbaarheid aan onze naaste, aan onze samenleving, ter ere van God. Dat de Heer die ons hierin is voorgegaan ons tot voorbeeld mag zijn.

Amen.

 

Pater Albert Toppo SVD 


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 14 maart 2021

                      Vierde zondag in de Veertigdagentijd, ‘Laetare/Verheugt u’[1]

 

Het kruis in ons leven, het kruis in het leven van Jezus.

“De mensenzoon moet omhoog worden geheven zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn, opdat eenieder die gelooft in Hem eeuwig leven zal hebben”.

De evangelist Johannes gebruikt een wonderlijk woord als het om de kruisiging van Jezus gaat. Die gruwelijke executiemethode noemt Johannes: omhoog heffen.

Afgelopen donderdag in de namiddag mocht ik de preek houden bij de uitvaart van Loes, die ik al kende sinds 1992, toen ik beginnend pastor was in Osdorp. Loes is maar 67 jaar geworden. Maar wie haar heeft gekend beseft dat het een wonder mag heten dat zij deze leeftijd heeft bereikt..

Paulus schrijft: “Gods werk zijn wij, geschapen in Christus Jezus om in ons leven de goede daden te realiseren die God voor ons al bereid heeft”.

Loes, zwaar gehandicapt, spastisch geboren - de dokter voorspelde dat zij maar heel korte tijd te leven had - heeft onvoorstelbare en goede daden gerealiseerd. In Osdorp was zij wereldberoemd, met haar verwrongen lichaampje zich voortbewegend in een rolstoel, op alle uren van de dag en de avond, begeleid door haar stoere hulphond. Een verwrongen, spastisch lijfje, haar gezicht waarop meestal een glimlach straalde.

Wanneer ik haar huis verliet, dat zij bewoonde met de man met wie zij 22 jaar geleden trouwde (het huwelijk mocht ik inzegenen), - wanneer ik haar woning verliet na een bezoek, voelde ik mij nederig en schoof ik beschaamd mijn privé sores en tobberijen - toch minstens voor even - opzij.

Weinig mensen heb ik gekend die zo’n zwaar kruis te dragen hadden als zij.

 

Het kruis in ons leven, het kruis in het leven van Jezus.

“De mensenzoon moet omhoog worden geheven zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn, opdat eenieder die gelooft in Hem eeuwig leven zal hebben”.

De evangelist Johannes gebruikt een wonderlijk woord als het om de kruisiging van Jezus gaat. Die gruwelijke executiemethode noemt Johannes: omhoog heffen.

 

We zien hier naast het altaar het passie-kruis. Met de kerk van Jezus’ vergoten bloed, de dobbelsteen waarmee zij zijn gewaad verlootten, de zweep van de 39 slagen op zijn rug, de spijkers, de kraaiende haan van de verloochening van Petrus, de lans, de spons waarmee zij Hem azijn te drinken gaven en de ladder, die zij nodig hadden om Jezus op te heffen en weer van het kruis af te nemen.

Opheffen.

Het kruis is toch vernedering?

 

Het evangelie verwijst naar de woestijntocht. Een bijzonder verhaal.

Het speelt op een dag dat het volk de pest in had. Ik kan geen ander woord bedenken, excuus.[2] Het wilde niet meer. ‘We zijn het zat. We willen ons leven weer terug. We stemmen onze vrijheid weer terug.’

Ze werden vergiftigd door hun ongeduld, hun boosheid. Giftige slangen.

Dan maakt Mozes op Gods bevel een slang en bevestigt die op een paal en dwingt hij het volk ernaar te kijken: de ellende onder ogen te zien, het lijden niet te ontvluchten. Alleen wanneer je ernaar kijkt, de ellende niet ontvlucht maar doorleeft, op je neemt, - alleen als je gelóóft, zegt Jezus, gaat jouw leven niet verloren in ontevredenheid, giftigheid, zelfbeklag; alleen als je gelooft, vertrouwen hebt zul je eeuwig leven hebben.

 

Begrijpt u mij niet verkeerd, ik ben hier niet bezig met de heiligverklaring van Loes. Zij was een gewoon mens, net als ik in een eenvoudige buurt in Haarlem-Noord geboren en getogen. Er waren ook dagen en uren dat zij hevig leed en huilde en - zij het heel spaarzaam - klaagde. Haar man zat dan machteloos naast haar en allen die haar kenden keken naar haar, probeerden er te zijn. Door haar innerlijke kracht dwong zij ons als het ware haar lijden onder ogen te zien. Af en toe belde zij me, als het niet meer ging. Zij kon haar stem niet goed in bedwang houden en met een uithaal riep zij: ‘Nico’. Dan wist ik dat ik in de auto moest stappen.

 

Zij gaf het noodlot voor ons een nieuw gezicht. Zij was voor allen die haar kenden een levend getuige enerzijds van onze menselijke kwetsbaarheid en sterfelijkheid, die wij allen delen, ook al zijn wij op het oog recht van lijf en leden. Anderzijds was zij voor ons de levende getuige van de overwinning op het lijden: door haar innerlijke vastbeslotenheid om te leven en iedereen in haar omgeving te vragen haar daarbij te helpen. Daardoor werden wij zelf ook meer mens; hielp zij ons uit te stijgen boven onze kleine, kleinburgelijke, beveiligde leventjes, waarin wij gewoonlijk zwakheid, sterfelijkheid wegduwen.

 

Mozes in de woestijn en Jezus in het evangelie raden ons aan op te zien naar de slang om genezing (wij zien die slang niet voor niets op de auto van de dokter en de deur van de apotheek), op te zien naar Jezus, naar zijn kruis. De meeste katholieken hebben ergens in hun woning een kruis hangen, groot of klein. ‘Elk huisje heeft zijn kruisje.’ Jezus raadt ons aan het niet weg te stoppen, ernaar te kijken. 'Wie de waarheid doet gaat naar het licht.’

 

We zijn onderweg, wij zijn halverwege naar het licht van Pasen, het licht van de nieuwe morgen, waarin wij met de gekruisigde en gestorven Jezus, met zijn doorboorde, verwrongen Lichaam, in een nieuw licht zullen staan, aan de dood voorbij. Amen.

 

Nico van der Peet

 

 ----------------------------------------------------------

[1] 2 Kronieken 36, 14-16. 19-23; Efeziërs 2, 4-10; Johannes 3, 14 - 21

[2] Numeri 21, 4 - 9

Afbeelding: Anthony van Dyck, De bronzen slang, 1620


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 7 maart 2021.

                      Derde zondag in de Veertigdagentijd[1]

  

In Irak wordt paus Franciscus als een zuivere mens gezien, niet de vertegenwoordiger van één partij of godsdienst. Dat is toch wel heel wonderlijk en aangrijpend. Op een kleine minderheid van extremisten na die alleen maar dood en verderf willen zaaien omwille van verblinde zucht naar heerschappij, ziet heel het volk de paus als de drager van een nieuwe toekomst. Een 84-jarige geestelijke die een nieuw perspectief opent. Dat niettemin oeroud is.

 

Deze dagen houd ik mijn hart vast over de paus. Dat doe ik wel vaker: paus Bergoglio is oud en ondervindt veel pijn bij het lopen en er is ook het gevaar van corona. De kerk en niet minder de wereld heeft in deze tijd juist deze paus hard nodig. U hebt het ongetwijfeld gehoord: Franciscus is in Irak. Al zijn voorganger Johannes Paulus II had dit veelgeplaagde land willen bezoeken. Maar de toenmalige Irakese regering stond het hem niet toe. De huidige paus had het gemartelde volk beloofd:’ ik kom naar jullie toe’. Het volk. Dus niet alleen de minderheid van christenen, katholieken, maar heel het volk: christenen én moslims. Dit land waar Abraham was geboren en vanwaar hij naar Kanaän, een nieuwe toekomst trok; dit land met zijn oeroude cultuur, Mesopotamië -zeg maar de oorsprong van onze cultuur- is sinds 2003 verscheurd door geweld, de bodem doordrenkt door bloed van onschuldige burgers.

 

In dit land wordt paus Franciscus als een zuivere mens gezien, niet de vertegenwoordiger van één partij of godsdienst. Dat is toch wel heel wonderlijk en aangrijpend. Op een kleine minderheid van extremisten na die alleen maar dood en verderf willen zaaien omwille van verblinde zucht naar heerschappij, ziet heel het volk de paus als de drager van een nieuwe toekomst. Een 84-jarige geestelijke die een nieuw perspectief opent. Dat niettemin oeroud is. Wat dit perspectief inhoudt horen wij vandaag in de schriftlezingen van deze derde zondag van de veertigdagentijd.

 

Met het volk zijn wij in de woestijn. Het is door Gods wil en onder de leiding van Mozes ontkomen aan een intens gewelddadige maatschappij. In Egypte was een mensenleven niets waard. De Israëlieten moesten slavenarbeid verricht om een cultuur van de dood in stand te houden: de enorme grafkamers en piramides van de farao’s. Ik moest even denken aan de meer dan zesduizend arbeiders, bouwlieden in Qatar, die bezweken zijn onder slavenarbeid voor de voetbalstadions. Ook in onze tijd is de cultuur van de dood nooit ver weg.

 

Aan dat land van doodse duisternis waren de Israëlieten ontkomen. Ze moesten in de woestijn afkicken van al die slavernij en verslaving aan vleespotten en mensonwaardige zekerheden. Daar in de leegte werden zij langzamerhand voorbereid op een nieuw perspectief. Bij de berg Sinaï verblijven zij. Daar krijgen zij stap voor stap hun menselijke waardigheid weer terug. “Ik ben de Heer, uw God, die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis”. We horen van Gods kracht en Gods wijsheid. We horen de tien woorden of geboden. Maar het begint met een hartelijke uitnodiging, niet met een zwaar gebod, maar met een relatie, een vriendschap, ja welhaast een huwelijk, dat God met zijn volk aangaat in de woestijn. De leegte van de woestijn blijkt de beste plaats het leven een nieuwe wending te geven. Zoals wij elk jaar proberen in de veertigdagentijd. Zoals wij in dit corona-jaar bijzonder meemaken. Nu niets meer vanzelfsprekend is kunnen we ons afvragen: wat is nu werkelijk van waarde in mijn leven, in ons bestaan als kerk, als parochie, als samenleving?

 

Het volk leert in de woestijn liefde en eerbied voor de onzichtbare God, die anders dan de Egyptische monstergoden geen mensenoffers wil, zelfs niet voor het voetbal, onze nieuwe religie. Wij leren in deze woestijn liefde tot God, liefde voor de tijd besteed aan God, de sabbat, de zondag; liefde voor onze medemensen, die geen radertje zijn in een allesverslindend productieproces, maar beeld van God, een lichaam als een tempel van Gods heilige Geest.

 

“Jezus sprak over de tempel van zijn lichaam.”

Ons evangelieverhaal speelt zich af helemaal aan het begin van Jezus’ openbaar optreden. Vlak hieraan vooraf gaat de bruiloft van Kana. Daarna is  Hij korte tijd dichtbij huis gebleven. Letterlijk: “niet veel dagen”. Jezus houdt het thuis niet langer uit, dichtbij zijn moeder en zijn broeders. Hij móet naar Jeruzalem, ook al is het voor Jezus een gevaarlijke plek. Zoals de paus naar Irak móest, ondanks terrorismedreiging en corona. Hij had het beloofd. Jezus moest naar zijn stad, waar het gebeurde, waar de oorsprong te vinden was, de tempel, de woning van God onder de mensen. Daar moest Hij zijn. Hij had Zich er met hart en ziel op verheugd.

 

Wat treft Hij aan? Een rovershol. De tempel moet gereinigd worden, moet weer teruggeven worden aan de liefde tot God en de naaste, de gemeenschap. De afgod van het geld moet eruit gegooid worden. Het moet gaan over u en ik, over kwetsbare mensen, de tempel van ons lichaam.

 

Niet ver van de tempel zal Jezus’ Lichaam geofferd worden. Na drie dagen zal Hij weer opgebouwd worden.

Dat is toch ongelooflijk: “zult U hem dan in drie dagen doen herrijzen?”

Ja, God zal die enige ware tempel van zijn onzichtbare majesteit, de mens, niet prijsgeven aan de cultuur van de dood, maar op de derde dag doen herrijzen. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

--------------------------------------------------

[1] Exodus 20, 1-17; 1Korintiërs 2, 13-25; Johannes 2, 13-25


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 28 februari 2021,

                      Tweede zondag van de Veertigdagentijd.[1]

 

Tragisch genoeg heeft het Joodse volk zich de eeuwen door vereenzelvigd niet zozeer met Abraham, die het mes heft, als wel met de kwetsbare jongen, als slachtoffer op het hout gebonden. Van de eerste vervolgingen in het Perzische rijk tot in de gaskamers van Auschwitz en Sobibor, of dichterbij in het oude centrum van onze stad, waar in de laatste februariweek van 1941 de eerste 400 joodse mannen werden samengedreven, gebonden, vernederd, gewelddadig afgevoerd. Vreselijk genoeg is de binding van Isaak tot in onze tijd doorgegaan.

 

“Kostbaar is in de ogen van de Heer,

het leven van wie Hem vereert”

 

Wat mooi verwoordt psalm 116 het. De kostbaarheid van een mensenkind.

‘Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens’, luidt de titel van een mooi boekje van een dominee.

 

Die woorden kwamen bij me naar boven toen ik het tragische bericht las over het pasgeboren meisje in een vuilcontainer en de beelden zag van Amsterdamse politiemannen met felle zaklampen turend in de diepte, alvorens zij het arme wichtje konden bevrijden uit die nederdaling ter helle.

Kostbaar kind, ongetwijfeld kwetsbare ouders, net geen pubers meer of nog wel.

 

Kostbaar kind Isaak.

De joodse bijbeluitleg en verkondiging noemen dit verhaal niet het ‘offer van Abraham’, maar de ‘Binding van Isaak’.

Het Joodse volk heeft zich de eeuwen door vereenzelvigd niet zozeer met Abraham, die het mes heft, als wel met de kwetsbare jongen, als slachtoffer op het hout gebonden. Van de eerste vervolgingen in het Perzische rijk tot in de gaskamers van Auschwitz en Sobibor, of dichterbij in het oude centrum van onze stad, waar in de laatste februariweek van 1941 de eerste 400 joodse mannen werden samengedreven, gebonden, vernederd, gewelddadig afgevoerd. Vreselijk genoeg is de binding van Isaak tot in onze tijd doorgegaan. Maar deze Amsterdamse afstammelingen van Abraham en Isaak werden op twee na wél vermoord.

 

Isaak werd gered. De Heer moest niets hebben van deze kindermoord. Abraham moest de jongen losmaken. ‘Kostbaar is in de ogen van de Heer, het leven wie hem vereert.’

Het is een duister verhaal. Heeft Abraham werkelijk gehoord en geloofd dat hij het kostbare enige kind van zijn vrouw moest doden, offeren aan een alles eisende God? Sommigen noemen het de duistere kant van God. Luther schreef: Gods linkerhand.

 

Wat er ook van zij: ons verhaal vertelt dat God het niet wil. Het meisje moet worden gered uit de vuilcontainer, de jongen moet worden bevrijd uit de strikken van de dood. Psalm 116 dicht: O Heer, ik ben uw dienaar, uw knecht, de zoon van uw dienstmaagd, Gij hebt mijn boeien geslaakt.”

 

Wij lezen dit verhaal vier weken voor de Goede Week. Dan horen wij over die andere Zoon van Israël, Jezus van Nazareth, die ook - evenals Isaak - op een berg gebonden werd op het Kruishout en die wel een offerdood stierf.

 

Vandaag is het zover nog niet.

Wel is Jezus op een berg.

Niet om te lijden. Integendeel. Zijn leerlingen zien Jezus samen met Mozes en Elia. Met andere woorden: Jezus is helemaal geworteld in de joodse, bijbelse geschiedenis. Hij verandert van gedaante, Hij staat in licht. Hij praat met de grote leiders en profeten uit het verleden. Zoals wij nog steeds doen. Wij lezen in elke viering de wet van Mozes en de profeten.

 

Waarover spreken zij?

Alleen het evangelie van Lucas vertelt het: zij spraken over zijn exodus, zijn uittocht die Hij in Jeruzalem zal volbrengen. Exodus betekent: een uitweg uit onderdrukking, slavernij, verslaving, angst, onrecht. Daarover moet het gaan, als we Jezus willen volgen.

 

Tussen onze twee verhalen in neemt Paulus het woord. Wat zegt Hij over de aan het hout genagelde Jezus?

“Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard: voor ons allen heeft Hij hem overgeleverd”.

Is dat die duistere, moeilijk te begrijpen kant van God, zijn ‘linkerhand’?

Is het denkbaar dat God dit heeft gewild: de dood van zijn eniggeboren Zoon.

Zo staat het niet te lezen.

Er staat dat de Vader ‘zijn Zoon niet heeft gespaard en dat Hij hem voor ons allen heeft overgeleverd’.

Met andere woorden: God en zijn Zoon zijn niet hoog en droog veilig boven op de berg, in hun ontoegankelijk licht gebleven. ‘Overgeleverd’. Zoals moeder en vader uiteindelijk hun opgegroeide, opgevoede, toegeruste kind loslaten, aan de samenleving, anderen, een ander, de geliefde van hun kind, toevertrouwen, op hoop van zegen. Zo heeft God de Vader het gedaan. Zijn kostbaarste en meest kwetsbare gave, zijn enige Zoon heeft Hij ons gegeven, een goddelijk geschenk.

 

Hij heeft zijn Zoon, die door de mensen verworpen, gemarteld en gedood werd, niet losgelaten. Paulus schrijft: ‘Hij is opgewekt, gezeten aan Gods rechterhand’.

En wat méér is: Hij zit daar niet te genieten van een heerlijk hemels tafereel, nee, Hij bepleit daar onze zaak.

Hij trekt mensen op uit de vuilcontainers van de geschiedenis en vertrouwt ons aan elkaar toe.

Ieder van ons is geroepen een bijzondere pleegouder te zijn.

Ieder van ons is zijn welbeminde dochter, welbeminde zoon, naar wie wij mogen luisteren. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

--------------------------------------------------------------------

[1] Genesis 22, 1-2. 9a. 10-13. 15-18; psalm 116; Rom. 8, 31b-34; Marcus 9, 2-10


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 21 februari 2021

                        Eerste zondag in de Veertigdagentijd[1]

 

Hoe gedraag je je als christen, als kerk, als paus, wanneer de kerk onder vuur ligt, tegenspoed en kwelling ondervindt, ook door haar eigen schuld.

Ga je dan de discussie aan met meningen en ideologieën die rond gaan in de pers, op tv of het internet? Word je boos op je tegenstander en vervolgers en op de kritische pers?

‘Letters of Tribulation’. Zo luidt de titel het dunne boekje dat ik dit jaar heb gekozen als vastenlectuur. Een boekje om veertig dagen over na te denken, te mediteren en mee te bidden. Televisie af en toe maar eens uit en met een boekje in een hoekje.

 

‘Letters of Tribulation’. De titel trok me aan. Tribulation betekent: verdrukking, tegenspoed, kwelling, leed.

De schrijver en redacteur van het boekje is Jorge Mario Bergoglio, die wij sinds 2013 kennen als paus Franciscus.

In dit boekje bespreekt hij de brieven van een 18de eeuwse jezuïetengeneraal, in de tijd dat de Sociëteit van Jezus door de toenmalige paus werd opgeheven, onder druk van de Franse en Spaanse Bourbon-koningen.

En een brief van de 19de eeuwse jezuïetengeneraal Jan Rothaan, een Amsterdammer, toen de heropgerichte orde weer in zwaar weer kwam.

Franciscus voegt er de brieven bij die hij, paus-jezuïet, zelf geschreven heeft naar aanleiding van de misbruikschandalen, aan de Chileense bisschoppen en later aan heel het Volk van God. 

 

De vraag in dit boekje is: hoe gedraag je je als christen, als kerk, als paus, wanneer de kerk onder vuur ligt, tegenspoed en kwelling ondervindt, ook door haar eigen schuld.

Ga je dan de discussie aan met meningen en ideologieën die rond gaan in de pers, op tv of het internet? Word je boos op je tegenstander en vervolgers en op de kritische pers?

 

Franciscus wijst een andere weg. Blijf bij jezelf. Verdraag de tegenspoed, verlies je niet in zelfbeklag en zelfverdediging.

Misschien is deze tegenspoed wel een kans om iets te leren, om betere, nieuwe inzichten te krijgen; meer bescheiden te worden, zachter, menselijker, nederiger.

Ga weer op zoek in je zelf, in je hart, in de toestand waarin jij je nu bevindt, naar jouw roeping, jouw missie, jouw diepste toebehoren aan God, aan zijn Zoon Jezus, aan de Kerkgemeenschap, zijn Lichaam, - hoezeer ook al te menselijk, beschadigd en verwond.

 

Ook Jezus leeft in een grote Tribulation.

Zijn leven in de woestijn, waarheen de Geest Hem meteen na zijn doop door Johannes, heeft gedreven, speelt zich af tussen satan, wilde dieren en engelen.

Hoe leger je bestaan wordt - ook in deze corona-tijd met zijn lange avondklok-avonden zonder bezoek en bijeenkomsten - hoe leger je bestaan, hoe meer drukte in je hart, je hoofd. Oude spoken, teleurstellingen, fouten duiken op uit de krochten van je geheugen. De onrust wordt nog vergroot door de onophoudelijke discussies om ons heen. Maak maar eens een onderscheid tussen leugen en waarheid, tussen nieuws en fake.

 

Op de eerste zondag van de Veertigdagentijd zijn wij met Jezus in de woestijn, in de leegte waarin Hij is gedoopt. Dat sta je dan als gedoopte, besprongen door satan, bedreigd door wilde dieren en gelukkig af en toe getroost en bediend door engelen en engelen van mensen (lieve familieleden en buren, medeparochianen).

 

Jezus werd ernstig verleid. We lezen dat in andere evangelies: om machtig te zijn als God, om rijk en vorstelijk te leven, om alleen met zichzelf bezig te zijn, alleen voor zichzelf op te komen.

Marcus houdt het heel kort.

Zo is het al erg genoeg: die leegte waarin een mens soms moet leven.

Ga niet in discussie met al die verleiders, laat de ideologieën van deze wereld en ook van kerkmensen aan je voorbij gaan.

Blijf bij jezelf, bij jouw roeping, als gehuwde, als levensgezel, als christen, als gedoopt lid van de kerk, als religieus, pastor, diaken, priester.

Ga jouw tegenstanders niet veroordelen, doe niet aan zelfbeklag.

Blijf bij jouw hart, jouw keuze.

Veertig dagen lang tot het Pasen is en daarna.

 

Op de eerste zondag van de Vasten staat de hemel al op een kier, middenin de harde strijd is de overwinning al in zicht. De tweede lezing, Petrus, eindigt ermee: de doop verbindt ons met Jezus, die ten hemel gevaren zetelt aan Gods rechterhand, nadat engelen en machten en krachten aan Hem onderworpen zijn.

 

Zo gaan wij in deze woestijntijd onderweg naar Pasen. De tegenslag voor Jezus was heel groot. Zijn grote voorbeeld, Johannes, was gevangen genomen: een voorteken van Jezus’ eigen lot. Hij laat de woestijn achter zich na veertig dagen. Hij gaat niet in discussie met de vele ideologieën in Jeruzalem. Hij gaat naar een ander gebied: Galilea. Eerst volgt Hij zijn hart, zijn roeping. Er is geen moment te verliezen: “de tijd is vol, het Rijk Gods is nabij. Bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap.”

Niet eerst de anderen moeten veranderen, het begint bij mijzelf. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------------

[1] Genesis 9, 8-15; psalm 25; 1Petrus 3, 18-22; Marcus 1, 12-15


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 14 februari 2021.

                     Zesde zondag door het jaar[1]

De priester Damiaan de Veuster (1840-1889) leefde met en voor de zieken in een melaatsenkolonie op Molokaï. Hij accepteerde het gevaar voor besmetting. Uiteindelijk werd de melaatsheid hem fataal. Hij werd in 2009 heilig verklaard en is de beschermheilige van melaatsen en aidspatiënten.

 

Tijdens de eerste coronagolf in het vorig voorjaar werd ik bij een hoogbejaarde man geroepen, hij was ernstig ziek, stervend. Een verpleegkundige bezwoer mij de zieke niet aan te raken. Ik moest het plechtig beloven. De zieke man had al eens de ziekenzalving ontvangen. We zouden elkaar spreken en hij zou de heilige Communie ontvangen, als voedsel voor onder weg, viaticum, naar de Heer.

De man was geheel geïsoleerd, omringd door ingepakte verpleegkundigen van wie hij de gelaatstrekken slechts kon vermoeden. We hebben gesproken, gebeden om barmhartigheid, innerlijke rust en vrede en toen het onze Vader en de Heilige Communie. Tenslotte sprak ik de zegenbede. Daarna wilde ik rustig weggaan, een laatste groet, de handen samen, buigend, zoals we dat tegenwoordig doen en even, niet al te uitbundig zwaaien. En toen gebeurde het. In een reflex greep hij mijn hand en hield die even vast.

 

Aanraking. Meer dan ooit tevoren ervaren wij hóe belangrijk die is. Zonder handoplegging, zalving zijn de sacramenten terecht niet geldig. Niet zozeer omdat dit in de liturgische boeken staat, maar vooral omdat wij dit ten diepste zo beleven. Hoe kan ik leven, rust en vrede vinden als ik helemaal alleen sta?

 

Wij hoorden over het trieste lot van de melaatse, de lepra-lijders in de tijd van Mozes en van Jezus. Elke aanraking, elke nabijheid kan besmettelijk zijn. Het was geen liefdeloosheid maar machteloosheid die deze mensen in een gruwelijk isolement dreef. ‘Gescheurde kleren, haren los, baard bedekt en over zichzelf roepen: onrein, onrein, apart wonen, buiten het kamp’, dat betekent: buiten de gemeenschap. De samenleving, de geloofsgemeenschap ook (in Mozes’ en Jezus’ tijd vielen die twee samen) willen rein blijven, onbesmet. In bijbelse tijden gaat het dan niet alleen om lichamelijk rein en onbesmet zijn, maar ook geestelijk. Wat wij verlichte mensen nu steeds meer ontdekken, is dat die twee samenhangen: hoe je innerlijk, geestelijk bent en hoe je er lichamelijk aan toe bent. Veel te vaak hebben wij die twee werelden gescheiden gehouden. De medische wereld keek naar je lijf, daar bleef het vaak bij en soms nog.

 

In de pandemie van onze dagen dagen ontdekken we weer dat medische beslissingen over een lichamelijke ziekte ook grote geestelijke, psychische gevolgen hebben. Mensen raken zwaarmoedig, ongelukkig, en zelfs boos en gefrustreerd. En ook die stemmingen kunnen weer nadelige lichamelijke gevolgen hebben.

 

De samenleving, de geloofsgemeenschap ook, willen rein blijven, onbesmet. Sommige mensen worden buiten het kamp, buiten de gemeenschap gezet en gehouden. Als gevolg van hun aanwezigheid, hun al of niet vermeende onreinheid, worden mensen, bestuurders vooral onrustig. De onreine herinnert ons eraan dat we het leven, het samen leven, de gezondheid, lichamelijk en geestelijk, niet helemaal in de hand hebben. Door sommigen buiten te sluiten, buiten het kamp te plaatsen is er weer voor een tijdje rust, tot de volgende epidemie, crisis, consternatie, knuppel in het hoenderhok. Het onderliggend probleem wordt niet opgelost; dat zou misschien te veel van ons vragen, onze krachtig of krampachtig vastgehouden opvattingen te veel bevragen en aanvechten.

 

In het evangelie van vandaag begeeft Jezus Zich op dit gladde ijs van de onderliggende problematiek. Hij doet iets dat alle verpleegkundigen en dokters, wat alle geestelijke leiders, priesters en hogepriesters van zijn dagen onverbiddelijk afkeuren en verbieden: Hij doet iets aan het isolement van de onreine. Sterker nog, Hij raakt hem aan. Of anders gezegd: Hij laat Zich door de onreine mens raken.

En omdat Hij de onreine had aangeraakt moest Jezus nu zelf in quarantaine en buiten op eenzame plaatsen verblijven.

Maar Hij heeft de angst van de mensen weggenomen door Zelf het taboe te doorbreken. “Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe”.

 

Alleen wanneer je de echte, onderliggende problemen van de samenleving, de geloofsgemeenschap durft aan te raken, is er genezing mogelijk.

Bidden wij vandaag dat wij Jezus beter volgen, dat wij in zijn spoor de juridisch, theologisch welomschreven grenzen durven te overschrijden en ons laten raken. Opdat wij allen, de mensen binnen en buiten het kamp, genezen mogen worden. Amen.

 

Nico van der Peet

 

----------------------------------------------------------

[1] Leviticus 13, 1-2. 45-46; 1 Korintiërs 10, 31-11,1; Marcus 1, 40-45


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 6 februari 2018.

                      Vijfde zondag door het jaar[1]

 

Deze preek werd niet uitgesproken: de kerk bleef gesloten in verband met ‘code rood’ winterweer

 

“En dreef de boze geesten uit”.

Zo eindigt ons evangelie waar het vorige week onder andere over ging: de duivel, de onreine geesten, de boze geesten. Uiteraard preek ik vandaag niet over de duivel. Dat heeft diaken René vorige week al gedaan en dat ga ik niet overtreffen.

 

Maar het is wel opmerkelijk dat ook ons aangrijpende evangelie van vandaag zo eindigt en opnieuw aandacht besteedt aan de demonen. Zo worden de onreine, de niet koosjere geesten hier genoemd.

In de Joodse godsdienst is dat van groot belang: het koosjere en het onreine van elkaar te scheiden. Dat doen onze joodse zusters en broeder in de keuken, aan de maaltijd, maar ook innerlijk moet je dit onderscheid maken tussen de goede Geest van God, de Heilige Geest en de onreine geesten, de demonen.

 

Wij moderne mensen zeggen dan: hij of zij is zichzelf niet, hij is bezeten, zij is zichzelf helemaal kwijt. Dat kan je gebeuren onder invloed van alcohol en van pillen, drugs. Op straat of in de nette verborgenheid van je huiskamer. De remmen gaan los, je doet dingen, je spreekt woorden die je beter niet kunt zeggen of doen, waar je de volgende dag een kater van hebt.

Ben ik dat, dat ik zulke dingen doe en zeg?

 

Je leest dat nu in rechtbankverslagen: jonge mensen die zijn gaan rellen op straat, de boel kort en klein en hebben geslagen, stenen gooiden naar verbijsterde politiemensen en hulpverleners.

In het koele, ontnuchterende licht van de rechtszaal zeggen zij: ‘maar eigenlijk ben ik zo niet; of op zijn minst wil ik zo niet zijn.’

Onreine geesten, demonen.

 

Jezus gaat de confrontatie aan met de demonen, met alle mogelijke kwalen. De schoonmoeder van Simon Petrus doet Hij weer opstaan en zij wordt een diaken. Zij is bediend door Jezus en nu gaat zijzelf dienen. Al die mensen aan zijn deur. “Velen die aan allerhande zieken leden, genas Hij en Hij dreef tal van demonen uit”. “Velen, tal van.” Niet allen dus. Het gaat niet vanzelf. Jezus is geen tover-dokter. Het gaat niet buiten de zieken, de bezetenen om.

 

De confrontatie met ziekte en onreine geesten gaat je niet in de kouwe kleren zitten. Je draagt het met je mee. Het gaat in je zitten. We horen dat. “Vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op, ging naar buiten en begaf zij naar een eenzame plaats waar Hij bleef bidden.

Dit is geen stichtelijk intermezzo. Dit is pure noodzaak. Gebed is van levensbelang. Hij legt het neer bij God, zijn Vader. Alleen Hij kan ons genezen, bevrijden. Zonder geloof, overgave, gebed gaat het niet.

 

In mijn vorige leven in Amsterdam-Osdorp kwam elke week een AA-groep bijeen in de parochiezaal, op vrijdagavond, als er geen parochianen kwamen. Deze anonieme alcoholisten wilden graag anoniem blijven. Maar ik mocht een keer per jaar komen. Vrouwen en mannen van alle leeftijden, achtergronden, culturen. Keurige dames en heren, mensen uit de zelfkant, dokters en werkelozen, christenen en niet kerkelijke mensen. De groep nodigde mij uit, ik had toch ambtsgeheim. Een keer per jaar mocht ik mee praten en…meebidden. Dat leerde ik toen. Deze niet kerkelijke groep verzekerde mij dat zonder gebed bevrijding van de verslaving onmogelijk was. Alleen als je je aan een hoge macht, boven jou uit, toevertrouwt, bestaat er een kans.

 

Midden in ons evangelie is Jezus aan het bidden, in die vroege uren, die van de opstanding, de dag na de sabbat, onze zondag. Sinsdien doen de christenen dat op zondagmorgen: bidden, gezamelijk, in het spoor van Simon en Andreas, de schoonmoeder van Simon, Jakobus en Johannes. Onze zondagsplicht is noodzakelijk, zoals het gebed dat voor Jezus was. Wij staan niet boven Hem.

 

Wij weten niet hoe en wat Hij heeft gebeden. Later in het evangelie horen we het wel: ‘Onze Vader, uw wil geschiede, laat komen uw rijk, verlos van van ons verleden, ons kwaad, laat mij niet alleen in de verleidingen van dit leven.’ ‘Waarom hebt U Mij verlaten”. Ja, ook als Job heeft Jezus gebeden. Tenslotte: ‘in uw handen leg ik mijn geest.’

 

De kracht van het gebed. Jezus verricht het ook in eenzaamheid, geheel alleen. Misschien dat deze eenzame corona-tijd ons weer terugvoert naar het bidden. We kunnen oude woorden gebruiken, maar je beidt ook als je al jouw kwalen en demonen eerlijk aan de Vader voorlegt en Hem vraagt verder te kunnen, wat lichter, iets meer bevrijd. Bijzonder de ouderen die veel alleen zijn stel ik het voor en de jongeren die veel minder kunnen dan zij zouden willen. Probeer met Jezus in jouw alleen zijn te bidden, al is het elke dag maar tien minuten. Om de innerlijke demonen tot rust te brengen en de Heilige Geest te vragen jou te helpen en innerlijke vrede te geven.

Dan kunnen en moeten we weer verder: Laten we ergens anders heengaan…daartoe immers ben Ik uitgegaan”. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

-------------------------------------------------

 

[1] Job 7, 1-4. 6-7; 1Kor. 9, 16-19. 22-23; Marcus 1, 29-39