Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 3/4 augustus 2019

                      Achttiende zondag door het jaar[1]

 

Eén van de bijzondere momenten bij elke doopviering is de drapering van het doopkleed over de pasgedoopte. Het hoofdje van het kind is als het ware gewassen met het gezegende doopwater, afgedroogd en zoals dat gaat na het bad en het afdrogen, aangekleed. Daarbij zegt de bedienaar van het doopsel: “je bent bekleed met de nieuwe mens”.

 

 

Afbeelding: Piero della Francesca, De doop van Christus, 1448-1450 National Gallery, Londen

 

 

 

 

 

 

Een citaat dus uit de tweede lezing van vandaag. Door het doopsel zijn wij allemaal nieuwe mensen, bekleed met het ene doopkleed, met Christus. Paulus zegt: alle oude onderscheidingen, die de mensheid verdelen in allerlei culturen, volken en identiteiten worden overstegen. Niet uitgewist, opgeheven, maar overstegen. “Dan is er geen sprake meer van Griek of Jood, besnedene of onbesneden, barbaar of Scyth, van slaaf of vrije mensen. Daar is alleen Christus, alles in allen”.

Wij leven in een tijdsgewricht waarin juist weer sterk de nadruk wordt gelegd op de eigen identiteit, het eigen volk, de eigen natie. ‘America First’. Het lijkt erop dat mensen meer terugvallen op hun eigen afkomst en identiteit naarmate de bevolking meer divers wordt.

Paulus die die mooie woorden schrijft over onze eenheid in Christus alles in allen, was in zijn jonge jaren een zeer onverdraagzame man, die zijn eigen identiteit als orthodoxe Israëliet zeer benadrukte. Hij vervolgde mensen die afweken van de zuivere rechtzinnigheid, zoals hij die zag. Een intolerante, nare, zelfs gewelddadige man. Maar dan ontmoet Hij Jezus, die hem bevrijdt van zijn arrogantie, van zijn complexen en van zijn innerlijke onvrijheid.

Dat is een heel proces, om vrede te vinden in jezelf. Pas wie die vindt, gunt een ander ook haar of zijn eigenheid, cultuur, godsdienstige beleving, ook als je die vreemd vindt of een beetje eng.

 

Paulus schrijft; “zint op het hemelse, niet op het aardse”. Die woorden verwijzen mooi naar de eerste lezing uit het boek Prediker. Wel een poëtisch en behartenswaardig boek, maar je wordt er niet direct vrolijk van. ‘Alles is ijdelheid'. Dat betekent zoiets als: lucht en leegte. ‘Wat heb je aan al je geploeter en al je zorgen en al je getob in slapeloze nachten?’

Ook die man uit het evangelie is erg met zichzelf bezig en met zijn getob om al zijn aardse zaken. We horen hem overleggen met zichzelf. Hij heeft een luxe-probleem. Zijn productie is zodanig opgelopen dat zijn schuren te klein worden. Hij wil zijn bezit opslaan in grotere schuren en uitgebreid gaan genieten van zijn welvaart. Maar dan loopt hij al vlug tegen zijn grenzen aan, zijn sterfelijkheid. Het is voor ons allemaal - denk ik - heen herkenbaar.

 

Jezus vertelt dit verhaal om ons te waarschuwen tegen alle vormen van hebzucht. Wat is het probleem van die man, die toch zo hard heeft gewerkt en daarom succesvol is? Zijn probleem is dat hij alleen maar met zichzelf bezig is. Hij overlegt niet met anderen en ook niet met God, maar alleen bij zichzelf. We horen hem met zichzelf praten: ‘dit ga ik doen…dan zal ik tot mijzelf zeggen: man, je hebt een grote rijkdom liggen…’

Een man dus die schatten vergaart voor zichzelf, maar niet rijk is bij God.

Alles goed voor elkaar, maar één ding ontbreekt hem: de band met God en zijn naasten. Zo druk, druk, druk met zijn zaak en carrière dat hij eigenlijk alleen staat, alleen maar in zichzelf praat en nadenkt en plannen maakt. Hij leeft wel tussen de mensen, maar heeft eigenlijk geen tijd voor de ander en voor de Ander met een hoofdletter.

Jezus houdt ons vandaag een spiegel voor. Laten we niet alleen naar de superrijken van deze wereld kijken met hun enorme voorraadschuren, hun grote villa’s en boten.

 

Op 4 augustus gedenkt de kerk de heilige Jean Marie Vianney, beter bekend als de pastoor van Ars. Hij was pastoor van dit onooglijk dorp in Frankrijk, in de buurt van Lyon. Hij is de patroonheilige van de pastoors. Een man die het woord van Paulus heeft waargemaakt: zijn hele leven zinde hij op het hemelse, niet op het aardse. Er gebeurde iets vreemd met deze man. De kerk in Frankrijk liep terug. De priesters waren vaak voorla bezig met hun persoonlijk overleven en welstand. Maar bij Jean Marie Vianney gebeurde iets wonderlijks. Hoe meer hij met God bezig was, hoe meer mensen naar hem toekwamen. Het 19-de eeuwse Frankrijk was bezig met industrie, nijverheid. De bemiddelde burgerij was in opkomst, evenals de steden. Iedereen was bezig met de eigen welvaart en ontwikkeling. Maar de mensen werden en niet gelukkiger op. Zij verloren hun onderling verband en hun band met God. Duizenden mensen bezochten de eenvoudige Vianney in zijn kleine dorpje. Zijn bisschop vond hem ongeschikt voor een grotere parochie, die meer in aanzien stond.

De mensen raakten gefascineerd door zijn geheim, zijn gebed, zijn eindeloos geduld waarmee hij in zijn benauwde biechtstoel naar die ontelbare mensen luisterde en hen bevrijdde van hun egoïsme, hun complexen en onverdraagzaamheid; hen herinnerde aan Jezus, die hen bij hun doopsel had bekleed met de nieuwe mens, die zich vernieuwt naar het beeld van zijn schepper. Mogen ook wij weer worden als pasgedoopten, bekleed met Christus, uitgestegen boven alle verschil en egoïsme: Christus, alles in allen. Amen.

 

Nico van der Peet

 

----------------------------------------------------

[1] Prediker 1,2; 2, 21-23; Kol. 3, 1-15. 9-11; Lucas 12, 13 - 21


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                       20/21 juli 2019, zestiende zondag door het jaar.[1] 

 

 

Van een ziekmakend diensthuis, waar op zolders en in kelders zaken gebeurden die het daglicht niet kunnen velen, moet de kerk weer een gastvrij huis worden, waar de wind, de verfrissende Geest doorheen kan waaien, waar iedere mens aan het licht kan komen, waar de gasten welkom zijn, waar Christus Zelf als Gast ontvangen kan worden.

 

 

 

 

 

VERKONDIGING

 

“Ik verheug mij dat ik voor u mag lijden”.

Hier is een van de meest gepassioneerde mensen ooit aan het woord. Hij gelooft in de zin van zijn lijden, dat wil zeggen van alle moeite die hij doet om de kerkgemeenschap van zijn dagen op te bouwen en bij elkaar te houden.

Paulus wil aanvullen wat nog aan de beproevingen van de Christus ontbreekt.

Heeft Jezus dan niet genoeg geleden om ons te verlossen. Moeten wij er nog iets aan toe voegen?

Waarschijnlijk doelt Paulus op iets anders. Hij ziet zijn moeite, alle tegenslagen als een deel hebben aan het lijden van Jezus. Zoals het lijden van Jezus bevrijding, verlossing heeft gebracht, zo kan ook mijn passie, mijn lijden zin hebben, bijdragen aan de kerk, het lichaam dat de kerk is.

 

“Ik verheug mij dat ik voor u mag lijden”.

We hoeven het lijden niet te zoeken en ook niet te verheerlijken. Vroeger is dat wel eens gebeurd, om mensen stil te houden of ook wel om ze klein te houden. Paulus doelt op iets anders. Het verdeelde lichaam van de kerk, de geloofsgemeenschap met al zijn verschillende meningen en achtergronden, heeft mensen nodig die niet weglopen voor de problemen. De kerk is niet zomaar een club of een vereniging, de kerk, zegt Paulus, is een lichaam, het is het op aarde levende lichaam van Christus en wij zijn de ledematen. Elk lichaam kan groeien en bloeien en bijzonder mooi zijn, maar het kan ook verouderen of zelfs ziek worden en in een zware crisis terecht komen. Zo was het kennelijk ook in de tijd van Paulus. Zo is het ook nu. Velen keren de kerk de rug toe, omdat zij oud en ziek is. Dat is soms zeker het geval, zij hebben gelijk. Maar is het antwoord op ouderdom en ziekte om weg te lopen?

 

Paulus vindt van niet. We moeten het uithouden, er moet geleden worden, de koorts moet overwonnen worden, dat vraagt zoals bij elke serieuze ziekte tijd en moeite. Maar het is die moeite waard, zegt Paulus, want het is niet zomaar een clubje, het is niet een sportvereniging die je, wanneer er crisis ontstaat, verruilt voor een ander, nee het is het lichaam van Jezus. Genezing kost tijd, een tijd van uitzieken en lijden.

 

In die tijd leefde de apostel Paulus, in die tijd leven wij. Van een ziekmakend diensthuis, waar op zolders en in kelders zaken gebeurden die het daglicht niet kunnen velen, moet de kerk weer een gastvrij huis worden, waar de wind, de verfrissende Geest doorheen kan waaien, waar iedere mens aan het licht kan komen, waar de gasten welkom zijn, waar Christus Zelf als Gast ontvangen kan worden. De Gastheer van het leven is zo nederig, zo menselijk dat Hij, de Eeuwige, bij ons, sterfelijke mensen onderweg, te gast wil zijn.

 

Twee verhalen vandaag over gastvrijheid.

Abraham en zijn vrouw Sara zijn al oud. Menselijk gesproken hebben zij niets meer te verwachten. Zij hebben in hun lange leven samen niet eens een huis kunnen bouwen, zij zijn vreemdelingen gebleven in het land van belofte. Zij hebben niets meer dan een belofte. Kan een mens dat volhouden of wordt hij ongeduldig, wordt zij lacherig om een god die zijn belofte niet nakomt. In die toestand van bijna ongeloof, kerkverlating zeg maar, krijgen zij bezoek. Zij stellen hun tent royaal open. “Terwijl zij aten, bleef Abraham bij hen staan.” Hij is een en al aandacht voor zijn gasten. Zij worden op hun wenken bediend en zij ontvangen alle interesse en rustige aandacht waarnaar een mens soms zo intens kan verlangen. In die stilte klinkt de belofte van toekomst: “Over een jaar kom ik weer bij u terug; dan zal Sara, uw vrouw, een zoon hebben.”

 

“Op hun reis ging Jezus een dorp in”.

Jezus is nergens gevestigd, Hij is onderweg naar Jeruzalem, Hij is afhankelijk van de gastvrijheid van anderen. Marta ontvangt hem in haar woning.

Anders dan Abraham kwam zij maar ‘een ogenblik’ bij haar gast staan. Zij is druk met diaconie, staat er, druk druk met haar bedienen, haar dienstwerk. Marta is een geweldige vrouw. Eigenlijk heeft zij alles. Zij stelt haar huis open voor de reiziger, de pelgrim Jezus. Zij is één en al dienstbaarheid. Wat wil je nu nog méér? Dat éne: dat zomaar bij de ander staan, belangeloos, zonder stress, luisterend, aandachtig. Daarnaar is Jezus op zoek. Misschien zijn wij daarnaar allen stiekem wel op zoek. Zeker, het is op zijn tijd heerlijk om een gastvrij huis binnen te gaan, deel te hebben aan een welvoorziene, zorgvuldig bereide tafel. Maar zal er ook rust en tijd zijn voor de gast, zal zijn woord, zijn verhaal verteld kunnen worden?

 

Mogen wij de rust en het avontuur aangaan van de stilte, de aandacht voor de ander; moge Jezus de kans krijgen tot ons te spreken, in zijn huis, in het huis van de kerk, in de woning van ons hart. Je zou het de mensen en elkaar zo gunnen, dat alle drukte, hoe goed bedoeld ook en hoe nodig soms ook, eens mag zwijgen voor de ander, de mens naast me en voor dé Ander die naar ons hart op zoek is. Zo moge het zijn. Amen.

 

GEBED

God van belofte,

voer ons binnen in de stilte van uw huis

en doe ons uw woorden verstaan.

Maak ons blij in het besef

dat ons dienstwerk,

ons leven en geluk

U ter harte gaan.

Door Jezus, uw Zoon en onze Heer…

 

 

------------------------------------------------------

[1] Genesis 18, 1 – 10a; Kolossenzen 1, 24 – 28; Lucas 10, 38 – 42


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus,

                       13/14 juli 2016

                       Vijftiende zondag door het jaar.[1]

 

 

Zes jaar geleden stond de paus op Lampedusa en afgelopen maandagmorgen in alle vroegte alweer in de Sint Pieter, in het broeierige Rome, om de kerk, de kardinalen, bisschoppen, priesters en diakens voorop, uit hun bubbel te halen, uit hun smetteloos, fraai ogende wereldje, uit hun blind op weg zijn naar de tempel en uit hun negéren van die talloze mensen die langs de kant van de weg liggen: gewond, naar lichaam en ziel, niet zuiver, niet rein, niet geheel beantwoordend aan de hoge idealen.

 

 

 

 

Afgelopen maandag was de paus vroeg in morgen alweer in de Sint Pieter te vinden. Anders dan zijn voorgangers brengt hij de snikhete Romeinse zomer niet door in een pauselijk paleis hoog en droog en koel in de Albaanse bergen, maar gewoon in het Vaticaan, in zijn hotelkamer, waar hij woont sinds zijn verkiezing in 2013. In de zomer van 2013, een paar maanden na die opmerkelijke pauskeuze, bracht hij een eerste pastoraal bezoek buiten het Vaticaan. Afgelopen maandag herdacht hij dit bezoek, dat hij bracht niet aan een hoofdstad, een president en een plaatselijke kardinaal, maar aan Lampedusa. Dat eiland voor de Italiaanse kust, het eerste dat je bereikt als je per boot, motorboot of rubberen vlot vanuit Noord-Afrika komt, is voor vele vluchtelingen de toegangspoort naar ons continent. Als ze dit tenminste levend bereiken. Daar op Lampedusa vierde hij 8 juli 2013 de eucharistie, op een tot altaar omgebouwd vluchtbootje. Hij bad voor- en bewees eer aan de talrijke verdronken mensen die Europa hadden proberen te bereiken en deed een dringend beroep aan de Europeanen, ons als naasten te gedragen van die mensen die een leefbaar bestaan zochten. Afgelopen maandagmorgen vierde hij de eucharistie met mensen van allerlei afkomst: Afrika, het Midden-Oosten, Azië. Hij betoont zich een naaste voor deze mensen, in weerwil van de huidige Italiaanse regering, die de poort hermetisch wil sluiten. Begrijpelijk, want het land heeft enorm veel mensen opgevangen en andere Europese landen kijken niet zelden de andere kant op. Onverbiddelijk voert de regeling in Rome een hard beleid. Aan de andere kant van de Tiber betoont de paus zich even onverbiddelijk een naaste voor deze mensen.

 

“Wie is mijn naaste?”

Zo luidt de vraagt van de wetgeleerde aan Jezus, die de vrome man meteen doorverwijst naar de Tora, de heilige Schrift, de Wet van God. Wat lees je daar? De wetgeleerde geeft een voortreffelijk antwoord. Je zult de Heer je God met alles wat in je is liefhebben en je naaste als jezelf.

Twee bijbelse geboden, die in de Schrift los van elkaar worden vermeld, plakt hij terecht aan elkaar. Liefde tot God en tot de naaste mag je niet van elkaar losmaken. Anders wordt de godsdienst leeg en vals en kan de dienst aan de medemens oppervlakkig en vluchtig worden.

Het antwoord was heel mooi, maar hoe zit het met de vraag die hij daarna aan Jezus stelt, die vraag waarmee hij zijn eerdere vraag wilde verantwoorden. Die eerder vraag luidde: “wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?” en de tweede: “wie is mijn naaste?”.

 

De man plaatst zichzelf in het centrum van zijn leven. Hij wil eeuwig leven. De vraag komt op: is hij alleen maar vroom en gelovig en tempelganger, omdat hij eeuwig wil leven, in de hemel wil komen? Is hij alleen maar met zichzelf bezig? Hij lijkt wel een beetje op die priester en diaken/leviet uit de gelijkenis, het verhaal van Jezus. Zij zijn onderweg van Jericho naar Jeruzalem.

Met andere woorden: deze vrome bedienaren van het altaar zijn onderweg naar de tempel. Heel hun leven, hun blik, hun perspectief is op God gericht en op zijn tempel, waar zij de eredienst verrichten.  Zij zijn zo met heel hun hart en ziel op God gericht dat de mens op hun weg naar de tempel een obstakel is geworden. Met een boog liepen zij om hem heen. Godsdienstige mensen kunnen gevangen zitten in hun eigen bubbel: hun handen willen zij schoon houden voor een volmaakte eredienst; zij hebben smetvrees voor deze harde, rauwe wereld.

 

Paus Franciscus stond toen op Lampedusa en afgelopen maandagmorgen in alle vroegte alweer in de Sint Pieter, in het broeierige Rome, om de kerk, de kardinalen, bisschoppen, priesters en diakens voorop, uit hun bubbel te halen, uit hun smetteloos, fraai ogende wereldje, uit hun blind op weg zijn naar de tempel en uit hun negéren van die talloze mensen die langs de kant van de weg liggen: gewond, naar lichaam en ziel, niet zuiver, niet rein, niet geheel beantwoordend aan de hoge idealen. De kerk, zegt hij, moet zijn als een veldhospitaal, waar geestelijk en lichamelijk gewonde mensen worden  ontvangen en verbonden, wie zij ook zijn en waar zij ook vandaag komen.

 

Met zachte hand helpt Jezus de wetgeleerde anders te gaan kijken. Stelde hij de vraag aan Jezus: “wie is mijn naaste”, en plaatste hij daarmee zichzelf in het centrum van zijn leven, Jezus nodigt hem uit de ander, zijn medemens in het middelpunt te plaatsen: “wie van de drie lijkt u de naaste te zijn van de man die in handen van de rovers gevallen is?”

Het antwoord van de wetgeleerde is opnieuw heel goed, hoewel aarzelend in zijn formulering: “Die hem barmhartigheid betoond heeft”. Het woord ‘Samaritaan’ krijgt hij niet over zijn lippen. Een Samaritaan was een buitenlander, een halve heiden, -van een ander, niet rechtzinnig geloof.

Die Samaritaan was een man die niet krampachtig op Jeruzalem, de tempel was gefocust, op zijn godsbeeld, op God die hij niet kon zien, maar wel op die gewonde mens langs de kant van de weg, die hij wel kan zien. In die mens, in al die mensen die zoals hij slachtoffer zijn geworden, openbaart God zich aan ons. Barmhartigheid is de weg naar eeuwig leven. Amen.

 

Nico van der Peet

 

----------------------------------------------------------------

[1] Deuteronomium 30, 10 - 14; Kolossenzenbrief 1, 15 - 20; Lucas 10, 25 - 37


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, veertiende zondag door het jaar, 6/7 juli 2019[1]

 

Jezus vraagt van ons niet om ons als watjes, softies te gedragen. Integendeel, de weg naar vrede, naar de stad van vrede vraagt vastberadenheid en moed.

 

Verkondiging

 

Gisteren mocht ik met de Eritrese katholieken die ook kerken in onze Nieuwe Augustinus, het titelfeest vieren van hun gemeenschap: de allerheiligste Drieëenheid. Uit het hele land waren Eritrese katholieken, vooral jongere mensen, toegestroomd. De kerk was overvol.

 

In Eritrea vormt de katholieke gemeenschap een kleine minderheid, maar wel met een grote uitstraling. Gesteund door de wereldkerk bouwt zij niet alleen kerkgebouwen, maar opent zij ook scholen en ziekenhuizen en houdt die in stand. Het volk zucht onder een militair regime. Jongeren worden vele jaren gedwongen tot militaire dienst. Velen ontvluchten, vaak over levensgevaarlijke en ongastvrije wegen, hun steeds minder leefbare vaderland.

 

De vier katholieke bisschoppen doen voorzichtige pogingen het regime te bewegen tot dialoog, een eerlijk gesprek over de verlammende situatie. Op Pasen schreven zij een werkelijk prachtige brief aan hun gelovigen en aan alle mensen van goede wil. Zij laten daarin voelen hoezeer zij met lede ogen en gepijnigde harten de leegloop aanzien van hun land, hun kerkgemeenschap; hoezeer de achterblijvers lijden onder armoede, verwaarlozing, sociale en economische neergang. De aangrijpende brief is een voorzichtige, vriendelijke uitnodiging tot gesprek tussen regering en volk. Niet meer en niet minder.

 

De Eritrese priester die hier pastor is, vader Tesfa Yohannes, gaf mij de Engelse vertaling. Twee weken geleden vertelde hij mij (en deze week las ik het in de krant) dat de regering meedogenloos heeft gereageerd op de vriendelijke en zachtmoedige brief. Met onmiddellijke ingang heeft de regering alle veertig klinieken gesloten, die de katholieke kerk heeft opgezet in dit land met zeer gebrekkige gezondheidszorg. De kerk die zich inzet voor het volk, wordt teruggejaagd naar sacristie en kerkgebouw. Zij mag zich op geen enkele wijze op weg begeven.

 

“Ik zend u als lammeren onder de wolven”.

Vandaag hoorden wij de zogenoemde zendingsrede van Jezus. Hij is niet bang. Hij is onderweg naar Jeruzalem, zachtmoedig, nederig. Uiteindelijk zal Hij de stad niet binnengaan op het paard van de militairen maar op een ezel, het lastdier van de armen: Hij die Zelf onze lasten op Zich heeft genomen. Hij is zachtmoedig en nederig. Daaraan heeft de samenleving, ook de onze, een schreeuwende behoefte. Zoals de bisschoppen van Eritrea. Zij leggen de mensen geen last op, zij eisen niet. Zij roepen tot hun samenleving, hun gelovigen, tot de regering: ‘Vrede aan dit huis!’ Vrede aan dit huis van onze natie, onze samenleving, onze mensen.

Maar hun vrede keert tot hen terug. Het antwoord is boosheid, onderdrukking, machtsvertoon. Kwetsbare mensen, die bang zijn dat hun macht betwist wordt, gedragen zich als wolven.

 

Jezus ziet zijn volgelingen als lammeren.  Zij kunnen alleen maar overeind blijven als zij bij elkaar blijven, bij de kudde blijven, onder leiding van de herder Christus, het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegdraagt, verdraagt. Zoals nu de vier Eritrese bisschoppen het machtsvertoon van hun regering dragen, verduren. En, zo moeten wij hopen en bidden, door het te verduren wégdragen.

 

Niet veel macht hebben Jezus’ volgelingen in deze wereld. Zo was het in het begin en zo is het nu weer. Toch spreekt Jezus over macht. Hoor maar: “Ik heb u macht gegeven op slangen en schorpioenen te treden, te heersen over heel de kracht van de vijand; en niets zal u kunnen schaden”.

Jezus zag de satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen.

Die macht heeft Hij zijn volgelingen, zijn woordvoerders meegegeven. Een wonderlijk soort macht, die niet kan worden afgedwongen. De grote schreeuwers van deze wereld ziet Jezus al op hun gezicht vallen uit de hoogte waartoe zij zich hebben verheven.

 

Maar we kunnen ons beter maar niet verlustigen in macht en invloed. Jezus gelooft er gewoon niet in. “Toch moet u zich niet verheugen over het feit dat de duivels aan u onderworpen zijn, maar verheugt u omdat uw namen staan opgetekend in de hemel”. Met andere woorden, er is iets in ons leven dat van onvergelijkelijk grotere waarde is dan macht: dat je naam bekend is bij God en bij elkaar. Dat je elkaar leert kennen. Zoals die moedige Eritrese bisschoppen zo geduldig, zachtmoedig, nederig en tegelijk vastberaden doen: het aanbod doen van ontmoeting en van vrede. “In welk huis je ook binnengaat, laat uw eerste woord zijn: vrede aan dit huis!

 

Jezus vraagt van ons niet om ons als watjes, softies te gedragen. Integendeel, de weg naar vrede, naar de stad van vrede vraagt vastberadenheid en moed. Want zowel in de maatschappij, die van Eritrea als ook enigszins in de onze, en niet zelden ook in onze kerk, is er weinig zachtmoedigheid en vastberadenheid.

Eerder lafheid en hardheid, is mijn ervaring.

 

Onze grootste vreugde, onze diepste bron van moed en troost bestaat hierin dat onze naam staat opgetekend in de hemel, bij de Eeuwige bekend is, opgetekend in de palm van zijn hand. Zo zal het zijn. Amen.

 

Nico van der Peet

 

----------------------------------------------------

[1] Jesaja 66, 10-14c; Galaten 6, 14-18; Lucas 10, 1-12. 17-20


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 29/30 juni 2016. Dertiende zondag door het jaar[1]

 

Het moet niet gaan om het tussentijds getob van de kerkgemeenschap, maar om het doel van de reis van de kerk van Christus door de tijd: de stad van vrede.

 

 

Vastberaden aanvaardde Jezus de reis naar Jeruzalem. Hij is niet tegen te houden. Hij weet dat daar zijn levensdoel is. Dat is dan ook het doel van zijn leerlingen, zeg maar van zijn kerk: Jerusalem, dat betekent de stad van vrede. In die naam vind je het woord shaloom, salam terug. Jerusalem.

 

De leerlingen, de kerkgemeenschap heeft de roeping evenals Jezus vastbesloten te zijn. Zij mogen zich niet laten afleiden door allerlei tegenwerking en zij mogen zich vooral niet laten gaan in hun gelijkhebberij, en in hun emoties. Die maken een mens, die maken een kerk liefdeloos. Zij willen vuur van de hemel afroepen tegen allen die hen niet willen ontvangen. Ook toen was het fanatisme nooit ver weg. Jezus moet er niets van hebben. Hij is een innerlijk vrije mens. Hij weet precies wat Hij wil, welke kant het op moet met zijn leven en met dat van zijn kerkgemeenschap. Maar om met de woorden van de apostel Paulus te spreken, Hij wil niet dat wij onze vrijheid misbruiken als een voorwendsel voor de zelfzucht. De vrijheid die Jezus beleeft en ons doorgeeft is juist helemaal gericht op anderen. Opnieuw met de woorden van Paulus: “Dient elkaar in liefde”.

 

Zijn leerlingen hebben een beroerd begrip van vrijheid. Zij gaan hun eigen weg, in alle vrijheid, maar worden vervolgens intolerant tegen alle mensen die niet dezelfde richting opgaan. Zo kan het gaan in een zeer vrije samenleving als de onze. Je kunt zo overtuigd zijn van de volmaaktheid van jouw vrijheid dat jij die aan anderen wilt opleggen en niet verdraagt dat zij anders willen leven en denken. Jezus doet er niet aan mee. Hij wil geen vuur van de hemel. Hij wijst de vurigheid van zijn leerlingen af. “Hij keerde zich om en wees hen op strenge toon terecht”. En meteen daarna: “Daarop vertrokken zij naar een andere dorp.” Wij moeten dat leren: niet machteloos boos of zelfs - zoals de apostelen - agressief te worden door onze mislukkingen en frustraties. Jezus geeft ons een leerschool: wend je steven, en ga naar een andere dorp. Het moet niet gaan om het tussentijds getob van de kerkgemeenschap, maar om het doel van de reis van de kerk van Christus door de tijd: de stad van vrede.

 

“Wie de hand aan de ploeg slaat maar omziet naar wat achter hem ligt, is ongeschikt voor het rijk Gods”. Jezus probeert ons, evenals de profeet Elia zijn opvolger Elisa, te laten delen in zijn ongelooflijke vrijheid, die mij het streven lijkt te zijn van ons, zijn volgelingen. Voor christenen, kerkleden zoals u en ik, voor ons, de kleine minderheid die gebleven zijn, is er veel reden kom terug te zien naar wat achter ons ligt. Ik merk dat wij nogal geneigd zijn om terug te kijken; om elkaar verhalen te vertellen over hoe het vroeger was. Ook ik zelf ben daartoe nogal geneigd. En uit dit verhalen ophalen kan dan nogal eens de stemming ontstaan van machteloosheid, frustratie. Jezus had in zijn dagen alle reden daartoe, maar Hij nodigt ons uit er niet aan mee te doen. Hij vraagt ons open te staan voor de bestemming, het reisdoel dat Hij gekozen heeft: de stad waar de beslissing genomen moet worden.

 

Deze week had ik enkele dagen vrij, die ik doorbracht in Rouen, Normandie, Noord-Frankrijk. Het is een prachtige oude, middeleeuwse stad. Ook al heeft zij veel geleden in de tweede wereldoorlog, voor en na de invasie op 6 juni 1944 (75 jaar geleden).

 

Veel in deze stad herinnert aan een meisje van rond de negentien jaar: de heilige Jeanne d’Arc. In niets voldeed zij aan het beeld van een heilige. Zij was geboren in een boerendorpje en leidde met haar familie een arm, onopvallend bestaan, in een tijd waarin haar vaderland Frankrijk in een verschrikkelijke oorlog was verwikkeld en bovendien innerlijk ernstig verdeeld was. In die jaren hoorde zij stemmen die haar opriepen datgene te doen wat de machtige mannen van haar tijd verzuimden: voorbij te zien aan egoïsme, aan het stellen van eigen voordeel en macht als eerste doel in hun leven.

 

Zij ging een volksbeweging leiden die het onmogelijke mogelijk maakte. Zij ging de troonopvolger die eerst niet durfde, voor naar zijn kroning in Reims. Zij baande voor haar hopeloos verdeeld en egoïstisch volk een weg naar een toekomst van vrede. Zelf werd zij daar het tragische slachtoffer van. Na een schandalig proces, op initiatief van erfvijand Engeland, werd zij 30 mei 1341 als ketter verbrand op de markt van Rouen. Zo volgde zij, nauwelijks 20 jaar, haar Heer Jezus, wiens heilige Naam haar laatste doodskreet was temidden van de vlammen die haar de adem benamen.

 

Zij leefde met een reisdoel. Niet voor zichzelf alleen. Maar als toekomst van vrede. Met grote moed, geloof en vertrouwen zocht zij haar weg, niet ontevreden hoofdschuddend omkijkend, maar met een doel dat haar volk toekomst en vrede bracht. Volgen wij deze jonge heilige en haar Heer op zijn weg van vrede. Amen.

 

Nico van der Peet

 

----------------------------------------------------------

[1] 1 Koningen 19, 16b. 19 - 21; Galaten 5, 1. 13 - 18; Lucas 9, 51 - 62


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus en in

                      de H. Urbanuskerk te Duivendrecht, 22/23 juni 2019[1]

 

Als de kerkgemeenschap in de naam van Jezus de armen van deze wereld niet helpt voeden en sterken en recht doen, dan stelt zij niets meer voor, dan verliest zij haar reden van bestaan.

 

“Wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen…Of we zouden voor al dat volk eten moeten gaan kopen.”

De twaalf leerlingen zien het niet zitten. Wat hebben wij nu helemaal te bieden? Wij hebben alleen maar de vijf boeken van Mozes en de twee testamenten, een verzameling verhalen, gedichten, gebeden, al die teksten van verbondenheid, de liefdesbrieven van God aan de mensen. Wat hebben wij nu in te brengen in deze wereld? Wij kunnen nog geen deuk in een pakje boter slaan, horen wij die twaalf Galilese vissers denken. Wat vangen wij eigenlijk in onze netten? De bedrijfsresultaten lijken niet best.

 

De apostelen denken in termen van geld en economie. Zoals de kerk na de twaalf apostelen, tot op de dag van vandaag, nogal geneigd is te doen. Het voeden van het volk Gods is niet te betalen. Wij hebben niet de middelen. In termen van geld en markt is de kerkgemeenschap van Jezus geen goed verdienmodel.

 

Wat is dan wel het model voor het bestaan en het werk van de kerk?

Jezus wil dat alle mensen gevoed worden, gesterkt, om hun levensreis, hun werk, hun pelgrimage te kunnen voortzetten en volhouden. Dat is de taak van de apostelen, van hun opvolgers, de bisschoppen, en hun helpers, de priesters, en eigenlijk van alle gedoopten. Als de kerkgemeenschap in de naam van Jezus de armen van deze wereld niet helpt voeden en sterken en recht doen, dan stelt zij niets meer voor, dan verliest zij haar reden van bestaan.

 

Jezus wil niet een intiem besloten leven samen met zijn twaalf apostelen. Hij wil geen klerikale kerk.

Dat zouden die apostelen eerlijk gezegd wél willen. Zij willen al die mensen, het getal van de mannen alleen al was vijfduizend, liever wegsturen. Wat moeten wij met heel die menigte, die van buiten onze kring is; hebben wij daar echt een boodschap aan, een boodschap voor? Laat ze liever een ander onderdak zoeken, voor hun hongerige, bloed-armoedige lichaam, hun dorstende ziel. “Stuur de mensen weg; dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omtrek gaan om daar onderdak te vinden…”

 

De kerkgemeenschap, vieren wij vandaag op de tweede zondag na Pinksteren, de kerk moet een sacrament zijn in deze wereld, sacrament van de wereld die komende is, waar brood en vrede is voor alle mensen.

Op deze eenzame plek die de aarde kan zijn, ‘onherbergzaam’ kan het ook betekenen, nauwelijks leefbaar voor velen. En wij met onze manier van leven, consumeren en vervuilen moeten uitkijken dat de wereld niet voorgoed een eenzame, onherbergzame plek wordt.

 

De kerk mag in deze eenzame, onherbergzame wereld een sacrament zijn, een genademiddel. Zoals de koning van Salem dat was, volgens het boek Genesis. Zijn naam is werkelijk onaards mooi: Melchisedek. Dat betekent: koning van gerechtigheid. Kan een koning wel een vorstelijker naam dragen? Als er dan toch een koningschap moet zijn in deze wereld dan alsjeblieft met dat koninklijk programma: gerechtigheid.

’Out of the blue’ is Melchisedek daar opeens en hij treedt Abram tegemoet. Abram moet almaar oorlog voeren, met de ene koning van ongerechtigheid na de andere.

Doodmoe, uitgeput kijkt hij om zich heen op die lege, eenzame, onherbergzame aarde, die, als het goed is, zijn land van belofte zal worden. Hij kan het nauwelijks geloven, deze man die vader heet van alle gelovigen. Nog niets is er op die door onvrede, door oorlog verschroeide aarde van te zien.

 

Maar dan verschijnt Melchisedek en bood Abram brood en wijn aan. De koning van gerechtigheid is de vorst van Salem. U weet: dat is hetzelfde als sjaloom, als salaam: vrede. Later zal een stad van vrede daarnaar worden genoemd: Jerusalem.

Koning van de vrede. Dadelijk, in het lange eucharistisch gebed komen wij Melchisedek weer tegen. Wij zullen dat lange gebed weer eens horen op deze Sacramentsdag, omdat de kerk in deze koning van vrede altijd een voorbode heeft gezien van Jezus, die ook ‘out of the blue’, verschijnt op deze eenzame, onherbergzame aarde en zomaar, uit genade, zonder dat wij het verdienen, brood en wijn aanbiedt, gerechtigheid en vrede…in de nacht waarin Hij werd overgeleverd.

 

De heilige eucharistie, het sacrament van zijn Lichaam en Bloed, heeft Jezus ingesteld in die vreselijke avond voor zijn bitter lijden en sterven. Ongelooflijk bijna: Hij reageert niet met bitterheid, met paniek en wraakzucht, maar met brood en wijn, met de gave van zichzelf: dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed. ‘Geef gij hen maar te eten’. Dat doet Jezus: zijn eigen leven, zijn lichaam wordt als brood en zijn bloed rijkelijk uitgeschonken wijn.

 

Dat sacrament te ontvangen is bijna te groot voor ons, want dit vraagt van ons dat wij als christen, als kerk niet onszelf willen redden, maar onszelf willen geven. Geen kerk die bezorgd is over haar positie, bezit en invloed, maar een kerk die vreugde beleeft aan het zichzelf ter beschikking stellen van de wereld, van de mensen; die gerechtigheid en vrede beleeft en doorgeeft, brood van eeuwig leven, bloed van liefde en verbond. Daartoe moge de viering van de eucharistie ons de inspiratie en de moed geven. Amen.

 

Nico van der Peet

 

----------------------------------------------------

[1] Genesis 14, 18-20; 1 Korintiërs 11, 23-26; Lucas 9, 11b-17


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                      op het Hoogfeest van de Allerheiligste Drie-eenheid

                      15/16 juni 2019 

 

Wij leven wij met de Heilige Drie-eenheid. De ene Vader, onzichtbare God, heeft ons leven, onze liefde, onze passie en onze sterfelijkheid gedeeld in de Zoon en blijft ons leiding geven door zijn heilige Geest.

 

 

GEBED

 

Uw woord van waarheid, Vader, en uw Geest van heiligheid

hebt U de wereld in gezonden

om het geheim van uw God-zijn aan de mens te openbaren.

Geeft dat wij in het oprecht belijden van het geloof

de eenheid erkennen van uw heiige Drievuldigheid

en dat wij U aanbidden, God in overmacht van liefde.

Door onze Heer Jezus Christus uw Zoon

die met U leeft en heerst

in de eenheid van de heilige Geest,

God door alle eeuwen der eeuwen.

 

 

 

VERKONDIGING

 

In de afgelopen week las ik een artikel over een jong volwassen vrouw die in haar zoektocht naar spiritualiteit, bij een  geestelijk leidsman was terecht gekomen (ik weet niet van welke geloofsrichting), die cursussen spiritualiteit gaf in een prachtig natuurgebied.

Zij en haar mede-cursisten waren allen jonge mensen uit West-Europese landen, allen met zeer drukke banen en sommigen met een jong gezin. Wat hen verbond was de ervaring van een innerlijke leegte. Zij hebben alles, een goede opleiding, een drukke baan waarmee zij genoeg geld verdienen om een welvarend leven te leiden. Wat hen ook verbindt is het gevaar van burn-out te geraken. Enorme eisen worden er gesteld aan jonge mensen.

 

Zij voelen zich verbonden door een gemis aan geestelijk leven. Velen van hun ouders hebben of hadden nog een christelijke, katholieke of protestantse opvoeding ontvangen, ‘zijn nog iets van huis uit”, maar deze jonge mensen zijn opgegroeid in de volkomen levensbeschouwelijke vrijheid, los van welke zuil, kerk of gemeenschap ook. In die ervaring van bijna burn-out en van spiritueel zoeken en verlangen hadden zij zich ingeschreven voor deze cursus.

 

De jonge vrouw, die het artikel heeft geschreven, vertelt dat zij na enkele dagen als enige groepslid afscheid had genomen van de geestelijk leidsman en van de groep. Grote angsten hadden haar overvallen bij het vervullen van de opdrachten van de leidsman. Zo moest zij zich geblinddoekt overgeven aan oefeningen en tochten door een nachtelijk bos. Zo moesten zij en haar lotgenoten leren zich toe te vertrouwen, leren vertrouwen, geloven en zich overgeven aan de leiding van de geestelijk leidsman.

Nog meer gedesoriënteerd dan zij voor aanvang al was vertrok zij naar huis. Zij was de enige die de moed had zich te onttrekken aan de groepsdruk en de gehoorzaamheid aan de geestelijk leider.

 

Zo is voor sommige mensen spiritualiteit: alle greep, alle activiteit loslaten en je gewonnen geven aan iets dat groter is dan jezelf. In onze zeer individualistische cultuur is dit verlangen begrijpelijk. Als je altijd in kramp, in ambitie moet leven om bijna onbereikbare targets te halen, dan ontstaat de behoefte om alles los te laten, zelfs de greep op je eigen bestaan en wil.

 

In ons evangelie horen wij Jezus spreken tot zijn leerlingen. Drie jaar hebben zij met Hem, hun geestelijke Meester, geleefd; drie jaar lang hebben zij dagelijks zijn woorden van wijsheid, onderricht in de Schriften, liefde voor de naasten in woord en daad kunnen meemaken en leren navolgen. Nu is aan die tijd aan einde gekomen. “Nog veel heb ik u te zeggen, maar gij kunt het nu nog niet dragen”.

 

Het is vandaag vaderdag. Ook ouders, vaders en moeders, willen hun kind zoveel mogelijk meegeven, leiding geven, beschermen, maar zij mogen hun kinderen niet blinddoeken en op de tast, vertrouwend op hun vader, het bos in sturen. Integendeel, de vader heeft de prachtige en verantwoordelijke opdracht zijn kinderen ziende te maken, zo helder-ziende mogelijk, om te leren onderscheiden wat vreugde, voldoening, toekomst brengt in het leven van zijn kinderen.

 

“Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu nog niet dragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen”.

Na die drie jaar was Jezus niet meer in hun midden, teruggegaan naar de Vader. Naar zijn Vader: dat grote goddelijke Geheim waaruit Jezus was geboren, waaruit Hij had geleefd, waaruit Hij zijn leerlingen leerde te leven, waaruit Hij ons leert te leven.

 

Maar na zijn terugkeer naar de Vader laat Hij ons niet alleen. Nog veel had Hij te zeggen. Je wilt altijd nog meer meegeven aan je kinderen, je leerlingen, je geliefden, maar je moet hen loslaten, nadat je hen geleerd hebt op eigen benen te staan, nadat zij zelf ziende zijn geworden en hebben leren luisteren naar wat zin heeft, wat leven en vreugde geeft.

 

Voortaan mogen we leren leven uit de heilige Geest, uit de spiritualiteit van Jezus. Die Geest spreekt tot ons in de woorden van de Schrift die wij lezen en in elke viering horen en overwegen. Die Geest, die spiritualiteit van Jezus komt tot ons in de sacramenten, in de gaven van het altaar waarin Hij Zichzelf aan ons geeft, zijn Lichaam en Bloed, heel zijn bestaan dat zichzelf uit liefde weg-schenkt.

 

Zo leven wij met de Heilige Drie-eenheid. De ene Vader, onzichtbare God, heeft ons leven, onze liefde, onze passie en onze sterfelijkheid gedeeld in de Zoon en blijft ons leiding geven door zijn heilige Geest. Nog veel heeft Jezus, de Zoon ons te zeggen, de woorden namelijk van de Vader. Hij wil ons niet als slaafse, willoze volgelingen, maar als vrienden, levend uit zijn spiritualiteit, levend uit zijn Geest, die uit de Vader en de Zoon voortkomt. Aan Wie alle eer en glorie is in alle eeuwigheid. Amen.

 

Nico van der Peet