Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 23/24 november 2019.

                      34ste en laatste zondag van het liturgisch jaar.

                      Hoogfeest Christus Koning van het heelal.[1]

                  

 

In alle weerloosheid, zijn hoofd bedekt met een doornenkroon hing Hij daar tussen hemel en aarde. Zo heeft Hij de door de mens gesloten poorten van het paradijs weer opengestoten, vrede gesticht door het bloed, aan het kruis vergoten”.

 

 

Een jong gezin, dat ik goed ken, was deze zomer op vakantie in Frankrijk. Het campingleven werd de ouders op een dag te veel en zij reden met hun beide kinderen naar een stad in de buurt en betraden de monumentale kathedraal.

Het zoontje van zes staarde diep onder de indruk naar het enorme kruis boven het hoogaltaar.

“Wie is dat?”

“Jezus”, antwoordde de moeder. “Ze wilden van Hem af”.

“Is het nog wel goed gekomen met Hem?”

De moeder van het kind aarzelde langdurig.

“Nee”, zei ze uiteindelijk.

 

Ook wij staan vandaag, op de laatste zondag van het liturgisch jaar, weer aan de voet van het kruis. Jezus regeert daar, vertelt ons Lucas, vanaf het kruis, met een kroon van doornen, over twee medegekruisigden, misdadigers genoemd.

De kruisdood was onder de Romeinse overheersing een routine, een gruwelijke routine. Ieder die niet boog voor de opperheerschappij van de Romeinse keizer en zijn landvoogd Pontius Pilatus, werd ter dood gebracht. Jezus ondergaat de marteling. Het valt nauwelijks op, een fait divers. Hij had kunnen eindigen als een voetnoot in de geschiedenis.

Die moeder met haar vakantie vierend gezin onder dat imponerende kruis, lijkt het bij het goed eind te hebben. Het liep niet goed af voor die gekruisigde mannen.

 

Wij luisteren vandaag naar wat daar gebeurt op die troosteloze plek.

Het volk kijkt toe. Het zegt niets. Zoals altijd kijkt het volk toe. Het kan niet anders, het heeft geen verweer tegen zoveel  geweld. De enigen die aan het woord komen zijn de overheidspersonen. Zij drijven de spot met Jezus, zij honen Hem weg. Hij, de profeet, de Messias, de zoon van David, de messiaanse koning over wie wij in de eerste lezing hoorden. Als U koning bent, red dan uzelf. Een van de misdadigers zegt hetzelfde. Zo wordt alle hoop in deze wereld gesmoord. De overheidspersonen maken de profeten monddood, zetten hen te kijk met hun door ambtenaren geproduceerde cijfers en tabellen.

 

Het lijkt erop alsof het leven van Jezus, alles wat Hij gedaan en gezegd heeft, heel zijn inspiratie en durf om Zichzelf te blijven in een streng gereglementeerd godsdienstig instituut dat de tempel was in zijn tijd en in een land dat met harde hand bestuurd werd, het lijkt erop alsof dat alles vergeefs is geweest. Alsof Hij zal eindigen als een voetnoot in de menselijke geschiedenis. De zoveelste idealist die vermalen is in de Realpolitik van deze wereld. De overheidspersonen van wie sprake is in de eerste zin van ons evangelie zijn zulke realisten. Zij lachen Jezus uit, zoals zij alle eeuwen de profetische, geïnspireerde mensen uitlachen, kwaadwillig of welwillend.

 

Als enige evangelist vertelt Lucas over die twee misdadigers.

Wie van de twee zou ik kunnen zijn?

De misdadiger die het eerst aan het woord komt, ook spottend, lachend, cynisch. Is het met mij ook zo gesteld, ten prooi aan ongeloof, teleurstelling, cynisme? Vergis u niet, ook in het hart van een gelovige kan die arme, bittere man de kop opsteken.

Of breng ik het op die andere misdadiger te zijn? Heb ik de hoop bewaard, een rest geloof, vertrouwen? “Jezus, denk aan mij wanneer Gij in uw koninkrijk gekomen zijt”.

 

In lijden, verlatenheid, mislukking begint Jezus, gekruisigd, zijn koninkrijk. Zijn heerschappij begint niet in de hoge zalen van de overheidspersonen, maar aan de uiterste marge van de samenleving, op de executieplaats. Zijn troon is het kruis, zijn kroon is van doornen. Zijn eerste burger is een crimineel die de hoop heeft bewaard, die schuld bekent en absolutie ontvangt. Jezus laat hem uitzien naar het paradijs, geeft de man, die met Jezus ten dode is opgeschreven, een nieuw perspectief.

 

Jezus leert ons vandaag, op het hoogfeest van zijn koningschap, koninklijk te leven. Niet agressief lachen, honen en veroordelen, maar in alle leegte, oppervlakkigheid en machtsuitoefening te blijven spreken over het paradijs, dat betekent in de bijbel de plaats waar de mens leeft in vrede met God, zijn naaste en zichzelf, te leven uit het verlangen naar het paradijs. “Voorwaar, Ik zeg u: vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs”.

 

Christenen mogen niet vluchten uit de wereld. Wij mogen van de wereld houden, want zij is Gods wereld, door Hem gewild, geschapen, in stand gehouden. Met Hem moet Adam, moet Eva, moeten vrouwen en mannen proberen te wereld te redden, koninklijk vooruit te helpen en te behoeden voor de ondergang. We mogen niet spotten met mensen die idealen hebben, zoals de overheidspersonen toen lachten met de profetie, de hoop, met het visioen van de Messias, de Christus.

 

In alle weerloosheid, zijn hoofd bedekt met een doornenkroon hing Hij daar tussen hemel en aarde. Zo heeft Hij de door de mens gesloten poorten van het paradijs weer opengestoten, vrede gesticht door het bloed, aan het kruis vergoten”.

Dat leert ons sint Paulus in zijn hooggestemde, zeer geleerde tweede lezing. Dat is zijn antwoord op Golgotha, op de vraag van dat arme, nietsvermoedende kind, op vakantie in Frankrijk onverwacht beland aan de voet van het Kruis: het is goed gekomen met Hem, met ons, er is opstanding. Vandaag is het paradijs begonnen.

Amen.

 

Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------------

[1] 2 Samuël 5, 1-3; Kolossenzenbrief 1, 12-20; Lucas 23, 35-43


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Dag van de Armen

                       33ste zondag door het jaar, 16/17 november 2019[1]

 

 

Afbeelding: Paus Franciscus luncht zondag 17 november met 1500 armen

 

Alles gaat toch voorbij, het einde is in zicht, wat zou ik me druk maken? Ik hang wat rond, eet, drink, slaap, vermaak me zelf, heb overal een mening over en bazuin die geheel waardevrij en zonder zelf in actie te komen, rond.

Af en toe hoor en lees ik teksten van jonge mensen, twintigers, dertigers. Zij zeggen: hoe zal de toekomst van onze aarde zijn, onze samenleving en in het groot, het klimaat, zal de aarde leefbaar zijn? Ik wil geen kinderen op de wereld zetten, de toekomst is zo onzeker. Bij niet weinigen is er een stemming die wel iets weg heeft van de teksten uit de heilige Schrijft die wij vandaag horen.

 

Paulus, in zijn tweede brief aan de christenen in de prachtige Noord-Griekse stad Tessalonica, tegenwoordig Tessaloniki geheten, schrijft over mensen die werkeloos rondhangen en alle moeite schuwen, maar zich wel met alles bemoeien. Waarschijnlijk doelt Paulus op mensen die vonden dat het geen zin meer had om je druk te maken, om je in te spannen voor werk, voor de samenleving, de wereld. Alles gaat toch voorbij, het einde is in zicht, wat zou ik me druk maken? Ik hang wat rond, eet, drink, slaap, vermaak me zelf, heb overal een mening over en bazuin die geheel waardevrij en zonder zelf in actie te komen, rond.

 

Af en toe hoor en lees ik teksten van jonge mensen, twintigers, dertigers. Zij zeggen: hoe zal de toekomst van onze aarde zijn, onze samenleving en in het groot, het klimaat, zal de aarde leefbaar zijn? Ik wil geen kinderen op de wereld zetten, de toekomst is zo onzeker. Bij niet weinigen is er een stemming die wel iets weg heeft van de teksten uit de heilige Schrijft die wij vandaag horen. Teksten die passen bij de maand november, bij de laatste weken van het kerkelijk jaar. De advent komt dichterbij. Af en toe hoor ik hier in huis flarden van kerstliederen, gezongen tijdens koorrepetities. Maar eerst moeten we dus door die duistere weken heen van de laatste dingen.

 

Jezus zegt: “Dat alles moet wel eerst gebeuren maar het einde volgt niet terstond”. ‘Dat alles’, letterlijk: ‘die dingen’. Die uitdrukking verwijst naar een heel bepaalde historische gebeurtenis, die plaatsvond in de eerste eeuw, het jaar zeventig. Toen gebeurde het ondenkbare: de schitterende tempel van Jeruzalem werd door het Romeinse leger van generaal Titus letterlijk met de grond gelijk gemaakt. Tot de laatste drempel en daklijst werden verbrand.

De impact in die eerste eeuw was enorm. Zeker vergelijkbaar met de val van de Muur, het neerhalen van het IJzeren Gordijn, dertig jaar geleden, dat deze weken wordt herdacht. Het jaar 70 was het begin van een nieuw tijdperk voor het volk Israël. De grote verstrooiing over de aarde begon. Nergens hadden de joden nog een eigen land. Het duurde bijna negentien eeuwen, totdat de staat Israël tot stand kwam, tot op de dag van vandaag een gespannen, omstreden staat, voor Israëli’s een garantie van leven en toekomst na onmenselijke vervolging en vernietiging, voor andere volken een aanstoot.

 

Jezus spreekt over zijn stad Jeruzalem. Sommigen merkten op hoe de tempel daar prijkte met zijn fraaie stenen en wijgeschenken.

Inderdaad, het moet een lust voor het oog zijn geweest, dat enorme gebouw met zijn sublieme interieur. Jezus moet hebben voorvoeld, geweten, dat het uiteindelijk onder de voet gelopen zou worden. Deze diep ingrijpende dingen gebeuren, tot in onze dagen.

 

Maar Jezus blijft niet staan bij de verwoesting van de tempel. Het gaat hem om de tempel die wij zijn, woonplaats van de Geest, het leven, beeld en gelijkenis van de eeuwige God. Hoe reageren wij, hoe gaan wij om met al die gebeurtenissen en meningen en politieke overtuigingen?

 

Maar Hij zei: ‘Weest op uw hoede dat u niet in dwaling gebracht wordt. Want velen zullen optreden in mijn Naam en zij zullen zeggen: ‘Ik ben het, en Het ogenblik is nabij. Loopt niet achter hen aan…laat u niet uit het veld slaan”

Jezus vraagt niet dat wij onze gordijnen sluiten, de teevee uitdoen en vluchten voor deze soms verschrikkelijke wereld.

Sommige gelovigen doen dat. Misschien schuilt die neiging ook in ons. Laten we ons afzonderen van deze wereld, teruggrijpen naar het verleden, deze onbegrijpelijke wereld ontvluchten.

 

Jezus vraagt het tegenovergestelde. “Weest op uw hoede” Sta jezelf niet toe op een dwaalspoor te komen.

Hij vraagt van ons op onze hoede te zijn. Ook als mensen ons niet begrijpen, met ons geloof, onze hoop en de beoefening van de liefde, de caritas. “door standvastig te zijn, ‘door je geduld; door iets te kunnen verdragen, te lijden, te ondergaan, te verduren’ kun je ook vertalen, zul je je leven winnen”.

 

Maleachi, een profeet enkele eeuwen voor Jezus, zegt: “voor u, die mijn naam (de naam van God) vreest gaat de zon van gerechtigheid op, en met haar vleugels brengt zij genezing”.

De zon der gerechtigheid.

Vandaag vieren wij op verzoek van paus Franciscus de Dag van de Armen.

Wij staan stil bij de Caritas, en in het bijzonder bij het werk, bij de zorgen en de inspanningen van de parochiële caritasinstelling van onze parochie.  Die herinnert ons eraan dat wij niet mogen vluchten voor de grote problemen en dreigingen van onze tijd. Integendeel de nood van de armen is een opdracht voor de christenen. “Weest op uw hoede”. De armen dichtbij en ver weg ondervinden met meest van alle mensen de gevolgen van de grote crises van onze tijd. Opkomen voor hen is opkomen voor de aarde die ons gegeven is, is opkomen voor de mens, de tempel van de Geest, beeld en gelijkenis van God. Laten we op onze hoede zijn, ons niet uit het veld laten slaan: de caritas beoefenen, Jezus’ liefde tot het uiterste. Amen.

 

------------------------------------------------------

[1] Maleachi 3, 19-20a; 2 Tessalonicenzen 3, 7-10; Lucas 21, 5-19


Verkondiging in het Korthagenhuis en in De Nieuwe Augustinus

                      32ste zondag door het jaar, 9/10 november 2019[1]

 

GEBED

Heer onze God, U hebt ons leven en ons geluk gewild.

Niet voor de duisternis hebt U ons gemaakt,

niet voor de dood,

maar om te leven naar U toe met heel ons hart.

Spreek dit uur tot ons een woord van liefde sterker dan de dood,

spreek ons uw Zoon tegemoet die als eerste van ons allen

uit de dood is opgestaan:

Jezus Christus uw Zoon…

 

VERKONDIGING

 

Ons  evangelie is bijzonder actueel. Er zijn mensen, landgenoten van Jezus, aan het woord die vinden dat je alles uit dit leven moet halen. Zij zijn van mening dat er hierna niets meer is. Hier, op deze aarde, op deze prachtige planeet die soms natuurlijk ook een tranendal is, hier moet het gebeuren. Die landgenoten van Jezus zijn Sadduceeën, zij zijn aan het woord. Zij geloven niet in de verrijzenis. Zij stellen Jezus, die daarin wel gelooft, een strikvraag. Van wie is die vrouw, die ten huwelijk is gegeven aan zeven mannen - allen wanhopig pogend kinderen te krijgen - ‘van wie is zij bij die verrijzenis, Jezus, waarin U gelooft?’

Ze denken Hem in de hoek gedreven te hebben. Hier heeft hij vast niet van terug. Een parochiane maakte mij deze week attent op de vreselijke manier waarop hier over die arme vrouw wordt gesproken. Zij is enkel instrument in de ogen van de mannen, in het aanvoelen van een patriarchale maatschappij. Zij is alleen maar de vrouw ván. Zij is niet van zichzelf in de ogen van de mannen. In die wereld die God wil is zij geheel zichzelf, geen bezit, maar vrij.

 

Wat op de achtergrond ook meespeelt: als deze aarde en dit aardse leven alles is dan kun je alleen maar voortleven, dan kun je alleen maar iets betekenen, als je kinderen hebt. Zonder kinderen ben je na je dood helemaal weg. Zoals een oude priester mij ooit toevertrouwde in een periode waarin hij eerlijk worstelde met zijn geloof en zijn levenskeuze van kinderloze man: ‘ik voel me een dorre tak, die ooit afbreekt en ter aarde valt’.

Die enorme behoefte aan kinderen had zeker in Jezus’ tijd ook te maken met de toekomst van het volk en van de geloofsgemeenschap van Israël. Zonder nageslacht of met heel weinig nageslacht staat het voortbestaan van een volk, een cultuur, een godsdienst op het spel.

Ook in onze tijd is daar veel om te doen.

 

Ons evangelie is bijzonder actueel. Ik vertel u niets nieuws als ik nog maar eens zeg dat wij leven in een cultuur die zich grotendeels heeft losgemaakt van haar gelovige wortels. Ook van haar geloof in de verrijzenis. Hier en nu moet het gebeuren. Je moet genieten. Bijna alles, ook de meest gangbare activiteiten van ons leven, moeten een evenement zijn, een belévenis zijn, die je intens voelt, met anderen deelt, fotografeert en de wereld in stuurt. Alsof gewoon ongezien leven en goed doen, voor de Vader die in het verborgene is en in het verborgen ziet, niet genoeg is. Als die Vader, God, in het verborgene er niet is dan moet alles openbaar worden, en zichtbaar.  Dan moeten zelfs de meest intieme kanten van ons leven gedeeld worden.

 

In de eerste lezing vandaag horen wij ook over zeven broers. Zij verkeren in totaal andere omstandigheden, maar zij geloven wel in de verrijzenis tot een nieuw leven. In de tweede eeuw voor Christus werd het joodse volk onder de voet gelopen en onderdrukt door een Syrische overheerser. Zij worden met behulp van marteling gedwongen de godsdienstige wetten, spijswetten vooral, ontrouw te worden. Maar deze broers, samen met hun moeder, weigeren categorisch. Het heeft me altijd gefascineerd: de moed van mensen om ondanks vervolging en marteling trouw te blijven aan hun geloof. Ook dit verhaal is bijzonder actueel. Talloze christenen, in Afrika en in het Midden-Oosten, in Irak, Syrië en Egypte, moeten enorme offers brengen omwille van hun trouw aan hun geloof.

De aanwezigheid van veel medechristenen uit Irak en Syrië hier in ons midden, getuigt van deze onderdrukking en vervolging.

De zeven broers uit ons verhaal houden stand. Zij hebben een rotsvast vertrouwen dat dit leven hier op aarde, dat hen met geweld wordt ontnomen, niet het enige is. Zij putten moed en hoop uit hun verwachting van de verrijzenis. “Zou ik nog vrezen, nu Hij eeuwig leeft”, zingen wij vaak.

 

Met ons verrijzenis-geloof hebben wij het in onze cultuur, die alle kaarten zet op dit leven, niet gemakkelijk. Uit onderzoek blijkt dat ook veel Europese christenen en vooral katholieken maar een vaag idee hebben overgehouden van een eventueel leven door de dood heen. Jezus verkondigt ons vandaag, biedt ons vandaag juist een heel persoonlijke band aan met zijn Vader. Hij grijpt terug op het verhaal van Mozes bij het brandende braambos. Daar in het vuur dat niet verteert, dat niet verwoest maar verwarmt en zuivert, daar heeft hij ervaren dat God met hem zal meetrekken, hem en zijn mensen niet zal loslaten.

Hij, de Heer, is God van mensen, van Abraham, Isaak en Jakob, geen God van doden maar van levenden want voor Hem zijn allen levend. Een persoonlijke band gaat de Heer aan met ieder van ons aan.

Wij kunnen niet zien over de grens van de dood heen. Wij leven uit een vriendschap, een God van mensen die zijn trouw niet verbreekt.

Mogen we daaruit kracht en moed en standvastig geloof putten. Mogen wij, zoals Paulus schrijft vandaag, onze harten neigen tot de liefde van God en tot de standvastigheid van Christus.  Amen.

 

Nico van der Peet

 

----------------------------------------------------------------

[1] 2 Makkabeeën 7, 1-2. 9-14; 2 Tessalonicenzen 2, 16 - 3, 5; Lucas 20, 27-38


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 31ste zondag door het jaar[1]

 

“Heel de aarde is voor U als een stofje op de weegschaal, als een vroege dauwdruppel die neervalt op de aarde”.

Onze eerste lezing uit het boek van de Wijsheid, een paar eeuwen voor Jezus opgeschreven, begint een beetje filosofisch-weemoedig, wel een beetje passend bij de herfsttij waar wij midden in leven nu. Dagen om Allerheiligen te vieren, de mensen die de zegekrans hebben behaald na al hun aardse beproevingen, en Allerzielen. We bezoeken onze graven en realiseren ons weer hoe kwetsbaar ons leven, ons lichaam is; dat er grenzen zijn waar wij ooit op stuiten. Weemoedige, verdrietige dagen voor velen van ons. Ons geloof laat ons evenwel niet in put zitten. Het boek Wijsheid, hoe zwaar en neerslachtig het begin van onze lezing ook klinkt, zegt even later iets prachtigs. “alles spaart Gij, want alles is van U, en Gij heerst vol liefde over al wat leeft”.

 

Graag kijk ik naar televisieprogramma’s over het heelal, de maan, de planeten; niets vind ik mooier dan beelden te zien van onze aarde vanuit de ruimte, de enige blauwe planeet vol leven, voorzover wij weten. Maar die indrukwekkende beelden stemmen soms ook weemoedig. Wat is dit heelal onmetelijk, ongeborgen, steenkoud of soms verschroeiend heet. Met onmetelijke snelheid raast onze aarde door dit heelal. “Heel de aarde is voor U als een stofje op de weegschaal…”

Maar dan: “Gij heerst vol liefde over al wat leeft”. Hoe klein een mens zich ook kan voelen in dit mateloze universum, met liefde wordt over dat alles geheerst. God, de Schepper, Verlosser is almachtig omdat Hij alles met liefde regeert.

Zonder liefde is onze aarde onleefbaar, angstaanjagend, is de wereldpolitiek alleen maar bedreigend, keihard, meedogenloos. We zien het in onze dagen, hoe hard en cynisch de machtigste wereldleiders zich kunnen presenteren.

Wat kun je daar tegenover stellen. Is al wat u, wat ik probeer niet minder dan een stofje op de weegschaal, een druppel op de gloeiende plaat?

 

Jezus gaat Jericho binnen. De oudste stad ter wereld, in onheuglijke tijden gesticht in een oase, eindelijk water na een lange tocht door de woestijn van Noord naar Zuid, de woestijn van Judea. Water, rustig op adem komen, je wassen, eten, drinken, verkoeling.

Maar het is ook een stad waar de verhoudingen muurvast zitten. Het is een door de Romeinen bezette stad. Het volk betaalt belasting aan de Romeinse keizer. Zacheüs, hoofdambtenaar, int de belasting. U hoorde het: in de ogen van de mensen was hij een zondaar. Hij collaboreert. Dat komt nooit meer goed, zou je denken. Voorgoed is duidelijk wie de goeden en wie de slechten zijn. Wij leven soms ook in zo’n Jericho. Je ziet een wereldleider op televisie die zich 40 minuten verlekkert in de gewelddadige dood van een man met zijn twee kinderen. Hoe erg die man zich ook misdragen heeft, toch went het niet: zich beschaafd noemende mensen die zich opzichtig verheugen en opscheppen over de dood van een mens met zijn kinderen.

 

De verhoudingen zijn duidelijk.

Zacheüs hoort er niet bij. Hij is fout. Hij weet dat er voor hem geen plaats is in de samenleving. Waar moet hij naar toe? Niemand die hem pruimt, die met hem gezien wil worden.

Hij zit hoog in de boom, aan het zicht onttrokken door de grote bladeren van de wilde vijgenboom, als een Adam die zich naakt en weerloos en bespied weet door een toornige God. Hij heeft geen grond meer om op te staan.

 

Dan komt er die Man voorbij, die nergens bij hoort, die geen vaste verblijfplaats heeft. Hij lijkt nergens op. HIj is waarlijk mens, maar zo geheel anders. Hij - deze goddelijke mens die uit de hemel is neergedaald op deze koude, harde aarde - kijkt omhoog en roept Zacheüs naar beneden.

Jezus behandelt hem niet vanuit de hoogte, Hij roept hem toe naar beneden te komen.

“Vandaag moet Ik in uw huis te gast zijn".

Jezus zet de man weer op de aarde, met beide benen in de werkelijkheid.

Hij leest hem niet de les.

Hij doet hem liever voor wat echt leven is.

Hij gaat bij hem aan tafel.

Jezus vind je niet door hoog in de boom te klimmen, door heel hoog en diepzinnig te doen, maar door met beide benen op de grond te gaan staan, de ander, hoe ver afgedwaald, schuldig en vereenzaamd ook, op te zoeken, tot zichzelf te laten komen. Jezus maakt van de onleefbare, dorre woestijnachtige aarde een oase.

 

En dat wordt Jezus verweten: “Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen”.

De mensen blijven etiketten plakken, gaan de ander niet onbevangen tegemoet, gunnen hem niet het voordeel van de twijfel.

Alleen de menselijke ontmoeting kan ons genezen, kan ons tot elkaar brengen, kan de harde, onwrikbare meningen en posities in beweging brengen.

Je ziet het gebeuren. Zacheüs herstelt het onrecht dat hij heeft aangericht. Ook wij zeggen het voor elke heilige Communie. Vlak voordat wij op onze beurt met Jezus aan tafel mogen, zeggen wij: “Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt, maar spreek slechts een woord en mijn ziel zal gezond worden”. Amen.

 

N. van der Peet

 

--------------------------------------------------------- 

[1] Wijsheid 11, 23-12,2; 2 Tessalonicenzen 1,11- 2,2; Lucas 19, 1-10


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus en in Het Schouw

                        Allerheiligen

                        vrijdag 1 november 2019[1]

 

Vandaag vieren wij Allerheiligen. In het evangelie lezen we de profielbeschrijving van de heiligen. Volgens Jezus ben je een heilig mens als je stap voor stap aan die beschrijving gaat beantwoorden. Heiligheid is dus niet aangeboren. Heiligheid is iets van een weg die je moet gaan, meestal een lange weg. Het is de weg van de christenen. Dus niet niet van een select gezelschap van geestelijke reuzen, maar de roeping van elke christen. Op Allerheiligen vieren we alle levens waarop de paus een klap heeft gegeven: zij zijn zeker heilig. En wij vieren allen die nog niet zijn heilig verklaard en het waarschijnlijk ook nooit worden, maar wel zijn. De meeste weten het niet van zichzelf. Echte heiligen waren of zijn niet zo erg met zichzelf bezig. Zij zijn niet van die mindfullness - mensen, die steeds maar in zichzelf graven, bewust van elke emotie en gedachte. Zij bereiken eerder mindfullness en wellness door met anderen bezig te zijn. Het ware geluk, heelheid, heiligheid vind je door jezelf een beetje te verliezen, los te laten en jezelf nieuw uit te vinden, bevrijd van narcisme en eindeloos navelstaren.

 

Maar zoals gezegd dat is een hele weg. Daar heb je misschien wel het grootste deel van je leven voor nodig.

Op de voorplaat van uw boekje is iets van die weg afgebeeld. Het is een fragment van de enorme wandtapijten die hangen in de kathedraal van Los Angeles, van de kunstenaar John Nava. De architect van de kathedraal, die gereed gekomen is aan het begin van deze eeuw, wilde helemaal niets aan de strakke betonnen wanden van de enorme kerk. De aartsbisschop van Los Angeles wèl. Het werd een harde strijd. Ze vonden uiteindelijk een compromis in kunstwerken die ook weer losgemaakt kunnen worden: wandtapijten, in strak gelid aan de enorme wanden van de mega-kerk. Daarop de afbeeldingen van grote en kleine heiligen, staande afgebeeld, met het gelaat naar het oosten, naar het hoogaltaar, als een processie van vrouwen en mannen uit 2000 jaar christendom: gelovigen op weg naar de grote toekomst, naar Gods stad van vrede, het nieuwe Jeruzalem. De gelovigen in het kerkschip kunnen af en toe naar hen opzien, zich aan hen spiegelen en zich de vraag stellen: ben ik nog in beweging, sta ik stevig, kom ik al een beetje vooruit? En ze kunnen af en toe bidden om de voorspraak van een heilige. Je kunt je meest favoriete heilige kiezen en hem/haar vragen je support te geven, voor je te bidden. Je kunt je gaan verdiepen in haar of zijn leven en daar inspiratie in vinden, moed uit putten. Het internet maakt het tegenwoordig makkelijk. Alle heiligen kun je googelen.

 

Het hoogfeest van Allerheiligen gaat dus over die mensen die aan de wand hangen. Op ons plaatje ziet je twee jonge vrouwen, en een jongeman. Wij kennen hen niet. Ook jongeren kunnen heilig worden, voor anderen leven, kiezen voor gerechtigheid, zachtmoedigheid. Denk eens aan de talloze jongeren die in onze tijd hun nek uitsteken voor onze bedreigde planeet, ons gemeenschappelijk huis. Zij wijzen ouderen op hun grenzeloos consumentisme en de daarbij behorende vervuiling en uitputting van de aarde. Wij mogen hoop putten uit hun getuigenis.

En we zien twee oudere mannen. Zij zijn, links de apostel Paulus met zijn schriftmateriaal in zijn handen. Rechts naast hem de apostel Petrus met het omgekeerde kruis waaraan hij is gestorven. Paulus, heel geleerd. Petrus, eenvoudige visser. Beide, zoals alle heiligen, gegrepen door dé heilige: God uit God, licht uit licht: Jezus.

 

Het gaat over die heilige mensen, maar dit feest gaat evenzeer over ons.

Jezus is onze leermeester in heiligheid. Wij zijn zijn leerlingen: we zijn in de leer om arm te worden van geest; als het nodig is te treuren, je tranen niet binnen houden, zodat een ander de kans krijgt je te troosten. Zachtmoedig worden. Dan zul je het land bezitten. Je niet vol stoppen met surrogaat, met alles wat je niet echt verzadigt, maar honger en dorst houden naar gerechtigheid. Barmhartig zijn. Je hart zuiveren en duistere, onzuivere bedoelingen opgeven. De strijd niet opstoken, maar vrede brengen. Niet meteen terugslaan maar iets kunnen verduren, ook als je het niet verdiend hebt. Zo komt de heelheid van deze wereld een beetje dichterbij.

Een feest dat ons helpt en moed geeft om zelf heilig te worden. Daartoe mogen de heiligen ons helpen en onze voorspraak zijn. Amen.

 

Nico van der Peet

 

 ----------------------------------------------------

[1] Apokalyps 7, 2-4. 9-14; 1 Johannes 3, 1-3; Matteüs 5, 1-12a


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 19/20 oktober 2019.

                      Missiezondag, 29ste zondag door het jaar[1]

 

Vandaag is het Missiezondag. De kerk is een missiebeweging. Vandaag stelt de wereldkerk ons de vraag: wat is jouw missie?

Het is heel hip om te spreken van jouw missie, de missie van jouw bedrijf, jouw school, jouw kerk.

Vandaag gaat het dus over uw en mijn missie en de missie van de kerk wereldwijd. Vandaag wordt er ook gecollecteerd, en dan vooral voor die parochies en bisdommen waar ook ter wereld, die ondersteuning nodig hebben bij hun missie. Dit jaar hebben we bijzondere aandacht voor de jonge, bloeiende kerk in het noordoosten van India. Jong en bloeiend. Geestelijk een jonge kerk, waar mensen enthousiast geloven en bidden en gemeenschappen vormen.

De kerk moet behalve bidden, zingen en gemeenschap vormen ook dienstbaar zijn, opkomen voor de armsten van deze wereld, de meest kwetsbare mensen, daar veelal vrouwen die tegen zeer lage lonen moeten zwoegen op plantages. Religieuze zusters van het land zelf reizen naar deze kwetsbare mensen, komen voor hen op, ondersteunen hen.

 

Dat is de missie van de kerk. Daar in Noordoost India en hier in Nederland. Sinds ik ook een beetje werkzaam ben in de parochies in Amsterdam-Oost heb ik contact met priesters uit Indonesië en uit India. Zij zijn hier gekomen om Nederlandse parochies te ondersteunen. Zij, jonge priesters uit jonge, vitale kerken in Azië, brengen hier iets van hun geestdrift, hun krachtige gebedsleven. Europeanen brachten ooit het geloof naar hun land, nu stellen zij hun geloof aan ons beschikbaar, nu in Europa het christelijk geloof zware tijden doormaakt. Dat is hun missie. Met bewondering zie ik hen werken in deze voor hen zo vreemde cultuur, ons koele klimaat, ook ons soms kille geestelijke klimaat.

 

De heilige Schrift vertelt ons vandaag dat de missie van de gelovigen, onze missie tweeledig is.

Er moet strijd geleverd worden op de grond. Er is veel onrecht in de wereld. In het verhaal van de bijbel zijn de Amalekieten de grootste schurken. Zij strijden namelijk niet met open vizier, zij vechten niet met sterke soldaten, maar zij vallen de meest kwetsbare mensen aan, die niet gemakkelijk het tempo van  het hele volk onderweg door de woestijn kunnen bijbenen.

 

Mozes ziet de strijders van Amalek aankomen. De manschappen moeten het gevecht aangaan op de grond.

 

Wat doet Mozes, de leider van het volk? Hij gaat de berg op en heft zijn smekende handen ten hemel. Er moet gestreden worden op de grond, in het dagelijks leven van de mensen alsof het van de spierkracht en de strijdlust van de mensen afhangt en er moet gebeden worden alsof het van de aanwezigheid en de genade van God afhangt. Beide moeten gebeuren: strijden en smeken, bidden en werken. Wie alleen werkt en nooit de berg van gebed opgaat, loopt aan zichzelf voorbij of denkt dat alles van hem afhangt en raakt vroeg of laat uitgeput en overspannen. Wie alleen maar bidt en niet de strijd aangaat voor de zwakke en kwetsbare mensen, ontvlucht zijn verantwoordelijkheid en geeft Gods liefde en barmhartigheid geen kans aan het licht te komen.

 

De maatschappelijk strijd op de grond, wisten de Israëlieten al in de woestijntijd, vraagt doorzettingsvermogen.

Ook het gebed vraagt geduld, volharding. Jezus spreekt erover in zijn gelijkenis. Iedereen die tijd neemt voor gebed kent de verleiding ermee op te houden, als je niet krijgt wat je gevraagd hebt. ‘Ik kan mijn tijd wel beter gebruiken. Er wordt toch niet naar mij geluisterd. Ik ben teleurgesteld. Wat heeft mijn bidden nog voor zin?’

Wat is bidden? Van Mozes weten we niet wat hij God heeft gezegd, gevraagd. Het enige wat we weten is dat hij zijn handen ophief. Heel zijn lijf en zijn ziel waren op God gericht. Zoals je doet bij een medemens van wie je houdt, op wie je vertrouwt. Je hoeft eigenlijk niets te zeggen: je bent helemaal op de ander gericht en op zijn of haar aanwezigheid. Zo bidt Mozes.

Zo bidt die vrouw uit de gelijkenis van Jezus. Het enige dat zij vraagt: “Verschaf mij recht ten opzichte van mijn tegenstander”. Haar kracht bestaat erin dat zij niet opgeeft. Ze blijft vragen. Ze gelooft in de kracht van haar gebed. Haar bidden is niet passief, gelaten, nederig afwachtend. Nee, haar bidden is een en al activiteit. God komt niet van haar af. De biddende vrouw zet door, laat zich niet teleurstellen.

 

“Maar zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?”

Erin geloven, erop vertrouwen dat wij gehoord worden. De geloofsgemeenschap in de woestijn moest door schade en schande wijs worden. Als de armen niet meer opgeheven worden ten hemel overwint de genadeloze Amalekiet, dat wil zeggen de brute krachten. Het is onze missie de strijd aan te gaan op de grond, in de harde verhoudingen van de samenleving. Het is onze missie het geloof op aarde trouw te blijven, het niet tussen onze vingers te laten wegstromen, te vertrouwen op de kracht van het gebed. Zo moge het zijn. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

 

 

Hemelse Vader,

toen uw enige Zoon Jezus Christus

opstond uit de doden

zond Hij zijn leerlingen uit

om  “alle volken tot leerlingen te maken”.

Daaraan herinnert U ook ons door het doopsel:

wij delen allen in de missie van de Kerk.

Sterk ons met de gaven van de Geest,

zodat wij dapper en onvermoeibaar

blijven getuigen van het evangelie.

Zo kan de Kerk haar opdracht

die nog lang niet voltooid is,

nieuwe uitdrukkingen geven

die leven en licht brengen in onze wereld.

Help ons om de reddende liefde

en de genade van Jezus

tastbaar te maken voor alle mensen.

Dat vragen wij U in naam van Jezus Christus

(gebed van paus Franciscus voor de

Buitengewone Missiemaand 2019)

 

--------------------------------------------------

[1] E~xodus 17, 8-13; 2 Timotheüs 3,14 - 4,2; Lucas 18, 1-8


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, hoogfeest Kerkwijding

                      12/13 oktober 2019[1]

 

“Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel”.

Deze woorden van Petrus, uit onze tweede lezing, las ik als kind elke zondag en bij elke doordeweekse schoolmis, wanneer ik onze ruime, hoge, moderne parochiekerk binnenging, de Petrus en Paulus in Haarlem-Noord, gebouwd begin jaren zestig als bekroning van de naoorlogse buurt waarin ik ben geboren en getogen: de kerk waarin ik eerste communie heb gedaan, ben gevormd en de eerste keer de heilige Mis heb opgedragen.

Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel.

Deze woorden waren aangebracht in de zogenaamde hoeksteen, eerste steen van die kerk van mijn jeugd. Elke keer las ik ze als klein kind en elke keer begreep ik er niets van. Mijn vader was gasfitter en geen metselaar. Stenen voegen, de bouw, wat wist ik er van?

“Laat u als levende stenen voegen”. Wat moest ik me daarbij voorstellen: levende stenen?

 

De apostel Petrus ziet de kerkgemeenschap als een gebouw, samengesteld als stenen, geen losse stenen, maar stenen die zich laten voegen. Een steen die op zichzelf blijft betekent niets. Je kunt er over struikelen en iemand die kwaad is kan hem oprapen en ermee gaan gooien. Losse stenen: symbool van een samenleving die uiteengevallen is, waar mensen hun plaats niet meer kunnen vinden en gaan gooien met stenen, met harde woorden, die pijn doen, beschadigen of zelfs letterlijk stenen gaan gooien naar elkaar.

 

Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel.

Stenen zijn dode materie. Petrus nodigt ons uit levende stenen te worden, die zich laten voegen. Vandaag gedenken wij de wijding van ons kerkgebouw, precies vijf jaar geleden. Wij hebben ons laten voegen in dit ene gebouw. Wij bezaten veel meer stenen gebouwen. Nu bewonen wij er nog één. Velen hebben zich laten voegen. Mensen die vroeger andere kerken bezochten, mensen die de jaren door deze kerk bezochten, wij zijn een stukje opgeschoven om letterlijk en geestelijk ruimte te maken voor anderen. “Want mijn huis zal heten: Huis van gebed voor alle volken”.

 

Ook mensen uit andere landen en culturen hebben zich als levende stenen laten voegen. Ook al is Nederlands hun tweede taal en is Latijn heel vreemd, zij nemen hun plaats in. Zo wil God het ook, volgens de profeet Jesaja. Wij hoorden het in de eerste lezing. De tempel was er niet langer alleen voor de beperkte gemeenschap van de Israëlieten, maar voor alle volken.

 

Dat is de taak van onze kerkgemeenschap: de mensen, de volken, alle culturen te laten ervaren en voelen: God bekommert zich om je, is bezorgd om je, houdt van je. Christus wil jou op jouw weg begeleiden en voeden. Voor het oude Israël was dat ontzettend moeilijk te accepteren: dat de God van hun volk en cultuur hield van alle volken en culturen. De kerk van vandaag vindt dat vaak ook moeilijk. Dat zie je aan het verzet van sommige groepen in de kerk tegen de synode voor de Amazone-volken. Zoveel openheid voor vreemde culturen kunnen sommigen niet opbrengen. Toch leert dat ons de heilige Schrift. God wil zich niet beperken tot een intieme kring van getrouwen, van mensen die zichzelf uitverkoren en volmaakt voelen. Hij zoekt contact en verbond met alle mensen en wil allen begeleiden op hun levensweg. Alle culturen en alle generaties.

 

Gelukkig vinden gelovige mensen van vele culturen en achtergronden hier hun plaats: laten zij zich voegen als levende stenen en maken wij ruimte voor elkaar. Dat ruimte maken doet soms pijn. Niet altijd kun je zingen wat jou vanouds vertrouwd was. We mogen ernaar streven ook ruimte te maken voor andere vormen, teksten en melodieën.

Alle generaties. Mijn grootste zorg is het contact tussen de generaties. Het lukt onze kerk en ook onze parochie niet goed contact te krijgen met de jongste generaties. We zijn verplicht om eerlijk, nederig en zonder oordelen vooraf, te zoeken naar de redenen van deze kortsluiting. Wij volwassenen moeten niet onderling bedenken en bediscussiëren waaraan het ligt. We zullen moeten gaan luisteren naar de jongeren die wij kennen en tegenkomen. De kerk is er om alle culturen en generaties, ook de jongeren, te laten ervaren dat God van hen houdt, dat Christus hen wil begeleiden op hun levensweg; dat hun leven een richting, een doel heeft. Dat de kerk er niet op de eerste plaats is om zichzelf in stand, een succesverhaal te worden, maar om deze wereld en allen die erop wonen van dienst te zijn: Gods liefde en gerechtigheid te laten ervaren.

 

In het evangelie lezen wij dat Jezus naar de tempel is gegaan, het is winter. In december vieren de joden het tempelwijdingsfeest. Jezus hield van de tempel. Hij was als een steen die zich voegen liet. Petrus belijdt Jezus als de hoeksteen van het gebouw van de geloofsgemeenschap. Hij houdt ons bijeen. De grootste steen in onze kerk, de altaarsteen spreekt daarvan. Vijf jaar geleden heeft de bisschop die steen gezalfd met de heilige Olie, het chrisma. Nu vereren wij die altaarsteen als Christus Zelf. Maar pas op. Jezus is ook de steen die de bouwers hebben afgekeurd, de steen waaraan zij zich stoten. Jezus moet dat hebben voorvoeld. Ze zullen me eruit gooien, uit deze tempel, dat bolwerk van de mensen die zichzelf als volmaakten zien. Dat gevaar is er altijd: dat de gemeenschap in zichzelf gekeerd raakt, zichzelf als heilig en volmaakt gaat zien. Daar ging het Jezus niet om. Hij wilde de mensen bij elkaar houden, deze versnipperde mensheid die als losse stenen langs de kant van weg lag.

“Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. Ik geef hun eeuwig leven; zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan en niemand zal ze van Mij wegroven”.

Wij horen bij elkaar als huis van gebed voor alle volken. Levende stenen die zich voegen laten. Jezus wil ons hier waarachtig, eeuwig leven geven. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------

[1] Jesaja 56, 1.6-7; 1Petrus 2, 4-9; Johannes, 10, 22-30