Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 10 januari 2021

                       Feest van de Doop van der Heer[1]

 

Zover is hij gegaan. De man van Nazareth, in wie de drie-ene God onder ons is verschenen, in ons modderige bestaan afgedaald, tot in de diepte van de doop, is ook de afgrond van de dood met ons ingegaan. Zelfs daarin zijn wij niet meer alleen.

 

Wat is dat voor een doop die Jezus vraagt en ondergaat?

Het is, lezen we even eerder, een doopsel van boete en vergeving van zonden.

Bij Matteüs horen wij Johannes dan ook tot Jezus zeggen:

“Ik heb uw doopsel nodig, en Gij komt tot mij?”

 

Nee, Jezus had de doop van Johannes niet nodig. Johannes had het goed gezien en aangevoeld: hier staat een mens zoals wij allen, in alles aan ons gelijk, maar niet in de zonde.

Jezus wil het toch. Hij wil gaan staan tussen de mensen, die allemaal goede en liefdevolle eigenschappen hebben, maar die allen ook behept zijn met zonde. Dat betekent gelukkig niet dat wij de regelmatig immorele dingen doen, ook al kan dat soms gebeuren in een mensenleven. Zonde betekent eerder onze menselijke beperktheid, onze grenzen aan de liefde, aan geloof en hoop, onze welhaast aangeboren ik-gerichtheid.

 

Het feest van vandaag viert dat Jezus met zijn voeten in de modder van ons menselijk leven is gaan staan. Hij is niet gekomen om ons vanuit de hoogte een lesje te leren, zoals je sommige christenen, ook kerkelijke functionarissen wel ziet en hoort doen. ‘Bij jou, bij u kan ik niet aan boord  komen, want uw leven is niet perfect. Eerst moet u maar eens even veranderen, dan praten we weer.’

Zo deed Jezus het dus niet. Zonder een woord ging hij tussen de gewone mensen staan, niet om alles vagelijk goed te praten, maar om hun lot te delen, met hen op te trekken naar een beter, bevrijd bestaan.

 

Meteen na zijn doop blijkt dat hier niet alleen de man van Nazareth staat. “Op hetzelfde ogenblik dat Hij uit het water opsteeg, zag Hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen. En er kwam een stem uit de hemel: Jij bent mijn Zoon…”

Op de eerste bladzijde van het Marcusevangelie is daar de drie-ene God aanwezig: Vader, Zoon en Heilige Geest, en wel in een mens die tussen de mensen, de zondaars gaat staan, die snakken naar een nieuw, gezuiverd leven.

 

Wanneer vroeger een paus een jubileum had te vieren nodigde hij de kardinalen uit voor een feestelijke lunch in het Vaticaan. Paus Franciscus heeft dat nog nooit gedaan. Hij nodigt zijn hoogste medewerkers vlak voor Kerstmis uit, niet voor een deftige lunch, maar voor een pittige toespraak, een soort functioneringsgesprek.

Op zijn verjaardag nodig hij altijd een groep zwervers, daklozen, verslaafden uit op de lunch. Sommigen vinden dat langzamerhand een beetje overdreven. Maar hij gaat gewoon onverstoorbaar verder. Hij probeert Jezus na te volgen, ja de drie-ene God die tussen ons in gaat staan. ‘Midden onder u staat Hij die jij  niet kent.’ Hij trekt niet zijn neus op voor ons onvolmaakte menselijk pogen er iets van te maken.

 

Johannes zegt in de tweede lezing van vandaag: “Jezus Christus is gekomen niet door water alleen maar door water en door bloed.”

Zover is hij gegaan. De man van Nazareth, in wie de drie-ene God onder ons is verschenen, in ons modderige bestaan is afgedaald, tot in de diepte van de doop, is ook de afgrond van de dood met ons ingegaan. Zelfs daarin zijn wij niet meer alleen.

 

“Kom naar het water, jullie allen die dorst lijden! Ook als je geen geld hebt, kom toch.” Zo riep Jesaja. Er is een dorst in ons mensen die geen drank op aarde kan lessen, die je niet kunt afkopen, ook al doen we daar ons uiterste best voor. Onze doop heeft met die levens-dorst te maken. Met Jezus stappen we in het onzekere water van leven en sterven, in het vertrouwen dat we in die doop, die diepte niet alleen zijn, maar dat wij met Hem mogen opstaan tot een nieuw bestaan, bevrijd.

Wat een zegen als wij die doop meegeven aan elkaar, aan oud en jong: dat ook voor hen de hemel opengaat en dat de stem van de eeuwige klinkt:” jij bent mijn zoon, mijn dochter, mijn veelgeliefde.” Amen.

 

Nico van der Peet

 

--------------------------------------------

[1] Jesaja 55, 1-11; 1Johannes 5, 1-9; Marcus 1, 7-11


Verkondiging Openbaring des Heren[1], 3 januari 2021.

                        De Nieuwe Augustinus.

 

Er komt een dag of een doorwoelde, slapeloze nacht waarin je je die vraag stelt. Hoe ver ga ik mee? Ben ik nog wel trouw aan mijzelf, aan mijn diepste overtuiging, ja aan mijn geweten? Soms maak je het mee dat iemand die eerlijk is, zijn of haar waarheid spreekt zonder er nog langer omheen te draaien, ontslagen wordt, de mond gesnoerd, op een zijspoor gezet.

 

Het Kind Jezus, geboren buiten alle normale omstandigheden, in een stal, zijn ouders niet welkom in de herberg, welkom geheten door engelen en herders, daarna op de vlucht voor Herodes, meedogenloze vorst, die zich vergrijpt aan kinderen. Dan uiteindelijk lijkt het goed te komen. De ouders nemen het mee naar Jeruzalem, om het Kind en de moeder te laten reinigen en Hem aan de Heer op te dragen.

Die opdracht aan de Heer gaat terug op een gebeurtenis van eeuwen geleden. En wel naar de nacht waarin Israël bevrijd  werd uit de slavernij van Egypte.

 

Op de derde dag van Kerstmis blikken we terug op het Pasen, de uittocht, de exodus van de Israëlieten. De eerstgeborenen van Egypte werden geslagen om het eerstgeboren en geliefde volk van God eindelijk te bevrijden uit vernedering en ellende. Om dat dankbaar te gedenken moet elk eerstgeboren jochie aan de Heer worden toegeheiligd, een eenvoudig offer moest worden gebracht. Ouders en Kind vieren op de veertigste dag na de geboorte de verlossing uit slavernij. ‘Denk eraan mens, je bent geroepen om verlost te zijn, bevrijd uit alle klemmende, vernederende banden.’

 

Met dit bijzondere verhaal vieren wij het feest van de Heilige Familie, Jezus, Maria en Jozef. Door middel van dit feest, in moderne tijden ingevoerd door de kerkleiding, viert de kerk ook het belang van het gezin als hoeksteen van de samenleving. Dat kan in onze geïndividualiseerde samenleving geen kwaad. Je gunt het ieder mensenkind dat zij of hij veilig en gelukkig opgroeit in een stabiel gezin. Ook moeten we -dit gezegd hebbend- vaststellen dat het zelden volmaakt is. Werken aan bevrijding, uittocht uit knellende situaties gaat altijd maar door.

 

Een tijdje geleden werd ik door een ouderpaar uitgenodigd om mee te gaan naar een gesprek bij jeugdzorg. De problemen van deze mensen waren uit de hand gelopen. De meneer van jeugdzorg overwoog ‘uithuisplaatsing’ van de kinderen. De ouders sidderden van angst en onmacht. Hoezeer hun gezin ook ontwricht was, zij waren ondanks al hun beperkingen dol op hun kinderen en lagen wakker van het idee dat hun kinderen hun zouden worden ontnomen. De ouders wilden mij erbij als een steuntje in de rug. En misschien om een goed woord te spreken over hen. Niet alles was toch fout en mislukt?

 

Het ontroerde mij diep, hun strijd om hun kinderen, die zij maar nauwelijks konden geven wat zij nodig hadden, een vredig huis zonder voortdurende strijd, beveiligd tegen alle angst en onrust, zoals de liturgie van de communie bidt. Ook de kwetsbaarheid van hun nog heel jonge kinderen ontroerde mij, die, -wat een wonder blijft het toch-  zich met hart en ziel vastklampten aan hun kwetsbare ouders, ondanks alles.

 

Mijn hernieuwde kennismaking met de jeugdzorg, waar dergelijke al of niet volledige gezinnen dag in dag uit over de vloer komen, leerde mij weer de heroïsche strijd ervaren om het gezin, waarvan de meesten dromen, die plaats waar ouders elkaar liefhebben en elkaar in de strijd om het bestaan niet uit het oog verliezen en uit het hart. Hoe riskant is dat wel niet, dat vader en moeder in hun zorgen om de kinderen en het eindeloze harde werken om de huur of hypotheek te kunnen betalen, elkaar verliezen, ook al delen zij dezelfde tafel en het zelfde bed.

 

Maria en Jozef dragen hun kind op, ze brengen het offer, dankbaar dat ook hun bijzondere Kind door God is bevrijd uit elke vorm van slavernij, vernedering. Dat vieren wij vandaag: dat wij aan God zijn opgedragen, geroepen als vrije, bevrijde mensen  te leven; dat wij er mogen zijn, levend in een veelbelovend land van het leven en van de toekomst.

 

Vaak mislukt het. We moeten het onder ogen zien. Bijna de helft van de gezinnen wordt opgebroken, de kinderen bij een van de ouders, de omgangsregelingen, niet zelden bevochten bij de rechter. Dagen bij de moeder en dan weer bij vader. De eerste kerstdag bij hem, de tweede bij haar of omgekeerd. Soms gaat het niet anders, om uiteindelijk toch vrije mensen te worden.

 

De kerk moet er zijn voor de gezinnen die slagen, maar er ook en vooral zijn, zou ik willen zeggen, als zij in de ogen van de mensen falen. Ook dan mag je opgaan naar de tempel en jezelf opdragen, aanbieden, een offer brengen en smeken om ondanks en door alle menselijk falen heen bevrijde mensen te mogen worden en de kinderen vrij en gelukkig te leren uittrekken uit ellende en verdrukking.

 

Ook over oude mensen gaat het vandaag: Abraham en Sara, onvruchtbaar bleven zij bijna heel hun leven, maar hun broze geloof en vertrouwen was uiteindelijk - ongelooflijk bijna - toch vruchtbaar. Hoe belangrijk is het wel niet om in alle mislukking die het leven met zich meebrengt, te blijven geloven, vertrouwen, bidden, ook thuis, aan gezamenlijke tafel, voor en na het eten, het slapen gaan, de rozenkrans.

 

Over tweede oude mensen in het tempel gaat het ook. Simeon en Hanna. Ook zij wachtten, verwachtten, hoopten een leven lang. Zij begroeten de jonge Maria en Jozef. Wat een rijkdom is het als de oude mensen betrokken zijn op hun kinderen en de kleinkinderen. De ervaring, de door de jaren gerijpte liefde een wijsheid moeten wij niet opsluiten in tehuizen en appartementen. Wat een bevrijding kan het zijn voor een kind om regelmatig de bejaarde een hoogbejaarde familieleden te spreken, een verhaal kwijt te raken bij hen, hun liefde zonder klemmende eisen te ondervinden.

 

Wijze, gerijpte aandacht;

onvoorwaardelijke, belangeloze liefde.

Zo schenkt de Heer ons zijn zegen, leven in eeuwigheid. Amen.

 

Nico van der Peet

 

--------------------------------------------------

[1] Genesis 15, 1-6; 21, 1-3; Hebreeënbrief 11, 8. 11-12. 17-19; Lucas 2, 22. 39-40

 


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 27 december 2020

                      Feest van de Heilige Familie.[1]

 

 Maria en Jozef dragen hun kind op, ze brengen het offer, dankbaar dat ook hun bijzondere Kind door God is bevrijd uit elke vorm van slavernij, vernedering. Dat vieren wij vandaag: dat wij aan God zijn opgedragen, geroepen als vrije, bevrijde mensen  te leven; dat wij er mogen zijn, levend in een veelbelovend land van het leven en van de toekomst.

Herodes, de koning, zetbaas van de Romeinse keizer, is geschrokken, hij is zeer verontrust, ja ontzet. Wijzen met luxe cadeau’s, spullen, reukwerken eigenlijk bestemd voor goddelijke koningen, zijn uit het oosten gekomen om een koning hulde te brengen. Zij zoeken, staat er letterlijk, een geboren koning. ‘A star is born’, zij hebben een ster gezien. Zoals wij de afgelopen weken misschien af en extra vroeg ons bed uitstapten om die supersterren te zien. Voor mij was het een mislukking: de ene keer versliep ik me en de dag daarna was het zwaar bewolkt.

 

Herodes was eigenlijk geen geboren koning. Hij had zó gedraaid, geslijmd en gebogen naar de supermachtige keizer dat hij in een koningsmantel werd gehesen, een kroon op zijn arrogante hoofd gedrukt. Geen geboren koning dus. Een carrière-man, die over lijken gaat om aan de macht te blijven. Even verder lezen we dat hij zelfs over kinder-lijken ging, de onschuldige, de onnozele kinderen van Bethlehem.

Herodes is zeer verontrust. Hij is toch de enige koning in het land?

 

Het feest van de openbaring van de Heer legt ons de vraag voor: wie is koning in jouw leven? Draai en buig je net zolang naar boven totdat je een positie hebt, in de gratie bij de autoriteiten? Of kijk je met een vrije blik naar omhoog en buig je uiteindelijk je knieën voor de ware koning, die zo geboren is, voor alle tijden geboren uit de Vader, God uit God, licht uit licht, ware God uit de ware God?

 

Die vraag speelt in ons leven, waar je ook werkt en leeft. Er komt een dag of een doorwoelde, slapeloze nacht waarin je je die vraag stelt. Hoe ver ga ik mee? Ben ik nog wel trouw aan mijzelf, aan mijn diepste overtuiging, ja aan mijn geweten? Soms maak je het mee dat iemand die eerlijk is, zijn of haar waarheid spreekt zonder er nog langer omheen te draaien, ontslagen wordt, de mond gesnoerd, op een zijspoor gezet.

 

Maar voordat zoiets gebeurt wordt er op mensen ingepraat, proberen de autoriteiten te sussen, erger te vermijden. Wij hoorden het Herodes doen. Hij laat de schriftgeleerden aan het woord.

Nee maar, Herodes laat zich uit de heilige Schrift voorlezen. De hogepriesters en de  schriftgeleerden spreken het onvermijdelijke schriftuurlijke oordeel uit. De Messias, de ware vorst van ons leven, bevindt zich niet hier, in Jeruzalem, aan het koninklijke hof, maar in Bethlehem, de stad van de herders.

Vervolgens spreekt Herodes in het geheim met de wijzen. Hij probeert hen om te turnen tot een soort van koninklijke inspecteurs. ‘Gaat een onderzoek instellen naar het kind, heel precies’. En dan klinkt het verraderlijk vroom. “Dan zal ook ik het hulde brengen”, door de knieën gaan. Zie hem eens vroom zijn. ‘Als het zo moet zijn dan prevel ik wel even een gebedje en zwaai ik even met de bijbel. Als ik maar in het zadel blijf.’

 

Wie is koning in deze wereld, Herodes of Jezus?

Volgens Paulus heeft God door Jezus aan alle binnenkerkelijkheid een einde gemaakt. “De heidenen”, zeg maar de volken, alle mensen, “zijn in Christus Jezus mede-erfgenamen, mede-leden en mede-deelgenoten van de belofte door middel van het evangelie”. De hokjesgeest moet verdwijnen, nu ook wijzen van verre ons leven binnenkomen. Zij nemen hun mooiste geschenken mee. Zo krijgt God een kans in deze wereld, als wij allen het beste van onszelf inbrengen, aanbieden.

 

In de afgelopen maanden hebben wij meer dan ooit ervaren hoe verbonden de mensen wereldwijd zijn, hoe wij allen hetzelfde menselijke lot delen, allen even kwetsbaar voor een virus, allen even kwetsbaar voor de gevolgen van de klimaatopwarming. Sommigen zijn zo rijk dat zij menen zich nog even apart te kunnen houden, veilig in hun bevoorrechte safe havens. Zij lijken een beetje op Herodes die zich verschuilt in zijn luxe-resort in Jeruzalem en onrustig denkt de nieuwe tijd buiten te kunnen houden, als het moet met geweld.

Wij hebben geleerd dat wij allemaal even kwetsbaar zijn, of we nu in Jeruzalem, in Gaza, Wuhan of Amsterdam wonen. Wij zitten allen in hetzelfde kwetsbare schuitje. Of we nu uit het westen of uit het oosten komen.

 

We leren vandaag dat wij allen zonder onderscheid door de openbaring van Jezus groepen zijn om mede-deelgenoten te zijn van de belofte. God belooft ons een nieuwe toekomst, waarheen zijn Zoon, geboren koning, ons voorgaat. Hij leert ons de kwetsbare mensen te dienen en de even kwetsbare aarde te helpen beschermen en bewaren voor nieuwe generaties.

 

De wijzen uit het oosten laten zien hoe wijs zij zijn. Zij luisteren niet naar Herodes en keren niet naar hem terug. ZIj laten zich niet degraderen tot inspecteurs. Integendeel, zij luisteren naar hun droom en gaan een nieuwe weg. De reis, het contact met Jezus heeft hun leven veranderd, hun kijk op hun eigen leven en opvattingen. Al hun rijkdom stellen zij Jezus ter beschikking en gaan licht, verlicht weer naar hun gewone leven terug.

Laten we het beste van onszelf geven: het goud van een royaal onszelf geven, de wierook van onze hoop, ons vertrouwen op God, de mirre van onze menselijke sterfelijke broosheid ten dienste van elkaar. Moge de ontmoeting met Jezus vandaag ook ons vernieuwen, verlichten, bevrijden. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------------------

[1] Jesaja 60, 1 - 6; psalm 72; Efeziërs 3, 2 - 3a. 5 - 6; Matteüs 2, 1 - 12


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                      Nachtmis van Kerstmis

                      donderdag 24 december 2020[1] -livestream-

 

Kerstmis viert op het meest duistere uur van het jaar de geboorte van het nieuwe leven, het Kind dat de dood zal overwinnen. In de kribbe is het in doeken gewikkeld, in het graf zal het ook in doeken zijn gewikkeld. Doeken die daarna gevonden zullen worden, op de dag van Pasen, keurig opgerold. Hij zal bevrijd zijn van de doeken, de banden van de dood, en opstaan tot nieuw leven. Kerstmis viert de hoop die alle wanhoop overwint. Paulus zegt het heel mooi en wij horen het terug in elke eucharistie: “wij leven terwijl wij uitzien naar de zalige vervulling van onze hoop”.

En dit zal voor u een teken zijn: gij zult een pasgeboren kind vinden in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.

Aan het einde van dit moeilijke jaar 2020, waarin wij en alle mensen op aarde vaak in het duister hebben getast, klinkt weer de boodschap van Kerstmis. Een pasgeboren kind.

 

Ongeveer zeven maanden geleden vertelde de oudste zoon van mijn broer mij dat zijn geliefde en hij een kind verwachtten. Het zou wel eens een kerstkindje kunnen worden.

Juist in dit jaar waarin onze levens overschaduwd werden door het coronavirus, de intensive care en de verpleeghuizen vol mensen die moesten strijden met de dood, was er in mij - bij alle verdriet, verlies, bij de vele sterfgevallen - een onderstroom van verwachting. Op Kerstmis zou een kindje, een jongetje geboren worden. Dat weten wij tegenwoordig, als je dat wilt, al lang te voren. Een eerste telg van een nieuwe generatie in onze kleine familie. Het kind: Luan Noël geheten, vrij vertaald de ‘de leeuw van Kerstmis’, werd vorige week al geboren. Het moest iets eerder komen. De laatste donkere dagen voor Kerstmis werden verlicht. Het raakte me meer dan ik me tevoren had voorgesteld. God is trouw aan ons, voelde en voel ik. ‘Iedere generatie opnieuw gaat zijn genade’, zingt Maria in haar grote Danklied, het ‘Magnificat’. Een nieuwe generatie, mijn broer en zijn vrouw grootouders en ik oudoom. Het vervulde me met een bijzondere vreugde.

 

En dit zal voor u een teken zijn: gij zult een pasgeboren kind vinden in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.

Bethlehem was ongastvrij, de herbergen en hotels hielden hun deuren gesloten voor de hoogzwangere vrouw en haar verloofde. Alleen zwierven zij door de verlaten straten van de kleine stad, die de eeuwen door families van herders had geherbergd, zoals ook de familie van David, het koningskind dat op zijn betere momenten als een herder was. Een lege stad, zoals heel ongebruikelijk deze kerstavond de straten van onze steden en dorpen leeg zijn, omdat de restaurants, de kroegen en ook - ondenkbaar in deze heilige Kerstnacht - de kerken gesloten blijven. Om elkaar te behoeden voor het rondgaande gevaar.

 

Kerstmis viert op het meest duistere uur van het jaar de geboorte van het nieuwe leven, het Kind dat de dood zal overwinnen. In de kribbe is het in doeken gewikkeld, in het graf zal het ook in doeken zijn gewikkeld. Doeken die daarna gevonden zullen worden, op de dag van Pasen, keurig opgerold. Hij zal bevrijd zijn van de doeken, de banden van de dood, en opstaan tot nieuw leven. Kerstmis viert de hoop die alle wanhoop overwint. Paulus zegt het heel mooi en wij horen het terug in elke eucharistie: “wij leven terwijl wij uitzien naar de zalige vervulling van onze hoop”.

 

De vervulling van onze hoop.

Meer dan in welk jaar ook hebben wij weer moeten leren leven van de hoop. Wij leken wel te leven in een land, een cultuur, een welvaart waarin al onze verlangens en begeerten direct bevredigd konden worden. Niets ontbrak ons. Ook al hebben velen in ons stadsdeel wéét van de grauwheid van de armoede, de werkeloosheid, de eenzaamheid. Dat wisten wij al en dit jaar, onder druk van de pandemie en haar sociale en economische gevolgen, zijn we er meer dan ooit mee geconfronteerd.

 

Wij bleken het leven veel minder in eigen hand te hebben dan wij dachten. Wij koesterden ons in de cultuur van volledige zelfbeschikking, - in leven en in sterven de regie in eigen handen nemend.

Nu ervaren wij dat het eigenijk een onvolwassen gedachte is, kinderlijke wensdromerij: dat je alles zelf zou kunnen regelen, plannen en bepalen.

Wij hebben weer geleerd ‘uit te zien naar zalige vervulling van onze hoop’. Niet de onmiddellijke bevrediging van mijn behoeften maakt mijn leven de moeite waard, maar de hoop koesteren, die veel dieper ankert in ons bestaan dan mijn zin te doen hier en nu.

 

Zoals die aanstaande moeder die maandenlang in het duister van deze tijd haar kind van licht draagt onder haar hart, een kind dat de hartenklop zal blijken van ons bestaan, de zin van leven zelfs door de dood heen.

Laten wij die goddelijke deugd, de hoop koesteren als een waakvlammetje. Soms is het maar heel klein en kwijnend, het moet met grote zorg uit de wind gehouden worden. Zoals een kind alleen in de doeken gewikkeld van onze zorgzaamheid, ons geloof, onze hoop en vooral onze liefde

kan uitgroeien tot een bevrijd, verlost, bevrijdend bestaan.

 

Moge het Kerstkind in ons opgroeien tot een volwassen mens, tot volwassen geloof, hoop en liefde die het uithoudt ook in barre, donkere tijden…terwijl wij uitzien naar de zalige vervulling van onze hoop, de openbaring van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland Christus Jezus.

Zalig Kerstfeest.

Amen.

 

Nico van der Peet

 

------------------------------------------

[1] Jesaja 9, 1-3.5-6; Titus 2, 11-14; Lucas 2, 1-14


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 20 december 2020.

                      Vierde zondag van de Advent.[1]

 

 

God ging niet op audiëntie bij de koning in zijn paleis in Jeruzalem, maar Hij zond zijn boodschapper Gabriël naar een onooglijk stadje in het half-heidense Nazaret. Naar een jonge vrouw, Mirjam, Maria. Zij begrijpt de vraag van de engel niet, zij kan het nauwelijks geloven. “Hoe zal dit gebeuren daar ik geen man beken?”

Hier zijn toch mannen met hun macht, hun wil, hun vuist op tafel, hun zaad voor nodig? Nee, God omzeilt die mannenmacht als het erop aankomt. Dan gaat Hij op audiëntie bij deze jonge vrouw en zoekt Hij het ‘ja’, de instemming van deze maagd die verloofd was met een man die Jozef heette. Hoe zal dit geschieden?

“Doe gerust wat u van plan bent, de Heer staat u bij”.

Aldus Natan, de profeet van David.

Hij is opgeroepen om bij de koning te verschijnen. Ik kan me zo voorstellen dat hij alles uit zijn handen heeft laten vallen en zich naar het hof heeft gespoed. Het is altijd prettiger en opwindender om door een vooraanstaande gelovige te worden geroepen dan naar de schamele woning van een arme.

Natan is een soort huisprofeet, hofkapelaan van de succesvolle koning David, die gezorgd heeft dat al zijn vijanden in heel de omtrek hem met rust lieten. Dat heeft de koning niet voor elkaar gekregen door geduldige dialoog, maar door militaire actie.

 

David heeft haast. Hij heeft het goed voor elkaar, zijn zaakjes op orde.

Als kers op zijn vorstelijke taart wil hij nu graag ook een mooie tempel. Dan zal hij alles hebben wat zijn hartje begeert. Is dat niet vroom, ook nog eens een heiligdom bouwen? Hij wil iets terugdoen voor al Gods weldaden.

Natan krijgt bijna de tranen in zijn ogen.

“Doe gerust wat u van plan bent; de Heer staat u bij”, zegt de profeet.

 

Maar later zit het hem niet lekker. Hij kan er niet van slapen.

Op het nippertje wordt Natan gered. Hij had zich ten paleize als een hoveling gedragen. Hij, de profeet, had niet het woord van de God van Israël gesproken, maar de koning naar de mond gepraat.

Maar beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. Nu vraagt hij audiëntie aan en brengt al de woorden die in de nacht tot hem gesproken zijn, heel dit visioen, deze goddelijke visie, over aan David.

 

De onzichtbare God die zijn volk heeft bevrijd uit de slavernij, die in een tentje woonde al die veertig jaren, Hij wil geen glanzend reli-paradijs, geen disney-achtige tempel, die als het erop aankomt dient ter zelfvergroting van de ambitieuze koning, die het geloof nog wel van huis heeft meegekregen, maar eigenlijk niet meer denkt aan God, vervuld als hij is van zijn eigen plannen. Zo was het ook met de profeet. Natan had zich alten meeslepen door de aardse glorie. Toen hij er nog eens een nachtje over sliep wist hij dat hij fout zat.

 

Daar is de wereld, daar zijn wij mee geholpen, met een beetje rust en tijd, het in stilte luisteren naar ons hart. En het niet verwachten van machtig handelen. Dat weten de duizenden ouders van kinderen die door autoriteiten in ons land de morele en financiële afgrond in zijn geduwd. Niemand nam in al die jaren de tijd om de eeuwige protocollen en regels eens in de bureaulade te stoppen en eens te gaan luisteren naar die mensen.

 

Voor de toekomst van zijn rijk rekende God niet op David. Alweer zo’n man die alleen maar met zijn persoonlijke ambities en bouwplannen bezig was. God zoekt niet naar bouwers maar naar bidders. Dat wil zeggen: mensen die weten te luisteren naar hun hart en naar de stem, de nood van anderen. ‘David, jij wilt voor Mij een huis bouwen, en Mij daarin laten wonen? Wil je Mij opsluiten in jouw megalomane dromen en systemen? Nee, Ik zal voor jou een huis bouwen, het huis van de toekomst die Ik jou wil geven.’

“Niet in een tempel van dromen,

hier in ons midden is HIj,

hier in de schaduw der hoop”.

 

Het evangelie schildert het portret van een meisje dat verloofd is met een nakomeling van David, Jozef. Zijn naam valt maar even vandaag. Paus Franciscus heeft 8 december het jaar van  Sint Jozef geopend. Hij heeft voor de bruidegom van Maria een bijzondere devotie. Vaak vraagt hij de voorspraak van Jozef wanner hij een moeilijke beslissing moet nemen. Jozef was wel het tegendeel van David. Jozef heeft getimmerd in zijn werkplaats, maar hij heeft niet zelf een toekomst gebouwd. De toekomst, de vrouw en haar Kind die hem ter bescherming werden toevertrouwd, heeft hij aanvaard als zijn opdracht. Hij wist naar zijn dromen te luisteren. In zijn nacht werd de toekomst geboren.

 

God ging niet op audiëntie bij de koning in zijn paleis in Jeruzalem, maar Hij zond zijn boodschapper Gabriël naar een onooglijk stadje in het half-heidense Nazaret. Naar een jonge vrouw, Mirjam, Maria. Zij begrijpt de vraag van de engel niet, zij kan het nauwelijks geloven. “Hoe zal dit gebeuren daar ik geen man beken?”

 

Hier zijn toch mannen met hun macht, hun wil, hun vuist op tafel, hun zaad voor nodig?

Nee, God omzeilt die mannenmacht als het erop aankomt. Dan gaat Hij op audiëntie bij deze jonge vrouw en zoekt Hij het ‘ja’, de instemming van deze maagd die verloofd was met een man die Jozef heette. Hoe zal dit geschieden?

 

Paulus in de de tweede lezing van vandaag noemt het een “geheim, dat eeuwenlang verzwegen bleef, maar dat nu is onthuld.”

Maria en Jozef: u hoorde het in de Schrift en u ziet het hier voor u: zij knielden neer voor dit geheim en hebben hun leven erdoor laten leiden en lieten Gods toekomst in hun leven geboren worden. Moge het zo ook in ons geschieden naar zijn Woord. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

---------------------------------------------------------

[1] 2 Samuël 1-5.8b-11.16; Romeinenbrief 16, 25-27; Lucas 1, 26-38


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 13 december 2020

                     derde zondag van de Advent[1]

 

Mensen die overal buiten vallen, die het niet gehaald hebben, die zonder aanzien en mooie positie leven, lijken soms veel meer vrij, in vrede, ook al komen zij veel te kort. Je ziet zulke mensen in de nieuwe docu-serie van Human: Klassen, elke maandagavond op NPO 1. Het speelt in ons Amsterdam-Noord. Onze liberale maatschappij met haar emancipatiestreven en gelijkheidsideaal blijkt, als je goed kijkt en vooral luistert, een ouderwetse klassenmaatschappij.

 

Ik ben de stem.

Johannes heeft eerst herhaaldelijk gezegd wie hij niet is:

de Messias (met grote stelligheid), Elia, de profeet die aan de Messias voorafgaat, ook niet; de profeet, nee!

Wie ben jij dan, we moeten toch iets over jou kunnen rapporteren aan de autoriteiten in de stad? Wij moeten jou toch kunnen plaatsten. Wat is jouw identiteit? We moeten jou in een hokje kunnen zetten. Zo is de mensheid verdeeld. Toen, in Johannes’s tijd: farizeeën, volkse vromen; schriftgeleerden, doorkneed in de wet en de tradities en de elitaire sadduceeën.

Wie ben jij?

 

Johannes, u weet het, had heel die geordende en innerlijk tot op het bot verdeelde samenleving de rug toegekeerd. Hij was naar de marge gegaan, letterlijk, hij stond bij de grensrivier de Jordaan, aan de overkant stond hij te dopen. Een man van de overkant. Hij weigerde zich in een hokje te laten stoppen. Hij wilde niet iemand zijn.

 

Dat is de grote verleiding of zo u wilt uitdaging: iemand zijn. Een functie hebben, een ambt, een gewaardeerde rol, etiket. Ik wil gezien worden, geacht, gewaardeerd, bevestigd in de identiteit die ik heb ontvangen of die ik me heb aangemeten of waanaar ik ijverig, ambitieus heb gestreefd.

Maar ben ik daardoor ook gelukkig geworden? Heb ik nu vrede in mijn leven, mijn innerlijk, mijn hart? Ben ik pas iemand als ik een waardigheid heb, een functie?

 

Als jongeman, jongvolwassene heb ik dat eerlijk gezegd wel stiekem gedacht. Stiekem, zulke verlangens spreek je niet uit.

Ergens voel je wel: er zit iets niet helemaal goed. Wat is er met mij dat ik erkenning wens of zelfs nodig heb; dat ik graag ingekaderd, maatschappelijk en kerkelijk iemand ben?

Is het leven zelf, de gave, de genade van het leven niet genoeg?       

Paulus schrijft dat hij ooit Jezus’ stem hem heeft horen zeggen: Paulus, hou nu eens op, ‘mijn genade is genoeg voor jou’.

 

Mensen die overal buiten vallen, die het niet gehaald hebben, die zonder aanzien en mooie positie leven, lijken soms veel meer vrij, in vrede, ook al komen zij veel te kort. Je ziet zulke mensen in de nieuwe docu-serie van Human: Klassen, elke maandagavond op NPO 2. Het speelt in ons Amsterdam-Noord.

 

Onze liberale maatschappij met haar emancipatiestreven en gelijkheidsideaal blijkt, als je goed kijkt en vooral luistert, een ouderwetse klassenmaatschappij.

Die titel van de serie Klassen is buitengewoon goed getroffen. Je wordt steeds meegenomen naar klaslokalen van scholen in Noord. Je ziet de kinderen. Kinderen uit het welvarende Waterland; kinderen uit de Vogelbuurt, Floradorp. Ouders die hun kinderen naar het gymnasium loodsen, ook al moet het met behulp van talloze dure bijlessen. Ouders die zelf amper hun kinderen bij het huiswerk kunnen helpen. De keuze voor het voortgezet onderwijs is navenant. Begaafde kinderen uit achterstandsgezinnen kunnen nauwelijks opklimmen tot hogere onderwijsvormen.

 

Mij fascineren die mensen die geen positie hebben, geen aanzien en mooie aanstelling. Moedig frequenteren zij de ouderavonden en voortgang-gesprekjes van een kwartier en ontmoeten daar docenten die het vuur uit hun sloffen lopen om die kinderen en hun ouders maar de overtuiging te geven dat zij geliefd zijn, voor honderd procent de moeite waard; dat zij alles uit die kinderen proberen te halen, alsof het geluk en de zin van de hele wereld van dit unieke kind afhangt. ”De Geest des Heren rust op jou; Hij heeft jou gezalfd…Hij heeft jou gezonden… je mag jubelen en juichen.” Of zoals een mooi lied het zingt: “De Heer heeft mij gezien en onverwacht ben ik opnieuw geboren en getogen”.

 

Johannes zegt: ik ben eigenlijk niet iemand, ik ben niet het woord zelf, ik ben de stem. Ik leen mijn stem om Hem die komende is aan het woord te laten. Zo bezien zijn wij allen als Johannes de Doper. Wij zijn christen geworden om Christus aan het woord te laten in deze wereld, in onze omgeving, ons werk, de mensen die wij ontmoeten, in gezin en familie. Zoals die ongelooflijk toegewijde docenten op onze scholen. Hun ideaal, hun doel is dit unieke kind: dat het ervaart dat het er mag zijn, dat zij of hij niet minder is, maar geroepen is tot een klasseloos bestaan, ontstegen aan alle hokjes waarin de mensheid onderling verdeeld wordt gehouden.

 

De stem worden van iemand die komen moet, niet zelf altijd het hoogste en laatste woord hebben, maar het aan een ander geven, opdat dit kind, deze mens eindelijk aan het woord kan komen. Of met de woorden van Paulus in de tweede lezing: “Blust de Geest niet uit; kleineert de profetische gaven niet, keurt alles, behoudt het goede.” Opdat ik niet steeds kom met mijn eigen stem om te zeggen wat er allemaal niet deugt aan de ander, de regering, de gezondheidsautoriteiten, maar om stem te geven aan wat er wel goed gaat. Dat wij de ander zoveel stem geven als wij zelf graag zouden hebben. Zo moge het worden. Amen.

 

pastor Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------------------------

[1] Jesaja 61, 1-2a.10-11; 1 Tessalonicenzen 5, 16-24; Johannes 1, 6-8.19-28

 

Afbeelding: Gianny, 13 jaar, uit ‘Klassen’, Human


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus,

                        6 december 2020.

                        Tweede zondag van de Advent.[1]

 

We staan in de schoenen van de Israëlieten in de tijd vóór Jezus en wij oefenen ons verlangen, ons geduld. Om Kerstmis te gaan vieren.

Er wordt heel wat gepuzzeld en gerekend met hoevelen je dit heerlijke feest nu mag vieren. Met wie je mag knuffelen en met wie niet; wie past in jouw bubbel en angstig vraag je je af: pas ik wel ergens in een bubbel? De profeet Jesaja spreekt bijna lyrisch over dat knuffelen, die nabijheid waar iedere mens stiekem naar verlangt: “In zijn armen zal Hij zijn schapen, zijn mensen samenbrengen, de lammeren dragen tegen zijn boezem…”

 

 

 

“Zie, ik zend mijn bode voor u uit”.

Zo deden machtige heersers en vorsten dat. In een tijd zonder communicatiemiddelen werden boden, boodschappers uitgezonden om de komst van een heer in een stad voor te bereiden. Dan konden de bewoners de komst van de heer verwachten en zelfs verhaasten, zegt Petrus in de tweede lezing. Zo mogen wij leven in deze weken van de advent, vol verwachting. Zoals de harten van de kinderen in het heerlijk avondje gisteren en vandaag, de gedenkdag van Sint Nicolaas, vol verwachting kloppen.

 

We staan in de schoenen van de Israëlieten in de tijd vóór Jezus en wij oefenen ons verlangen, ons geduld. Om Kerstmis te gaan vieren.

Er wordt heel wat gepuzzeld en gerekend met hoevelen je dit heerlijke feest nu mag vieren. Met wie je mag knuffelen en met wie niet; wie past in jouw bubbel en angstig vraag je je af: pas ik wel ergens in een bubbel, of blijf ik alleen? De profeet Jesaja spreekt bijna lyrisch over dat knuffelen, die nabijheid waar iedere mens stiekem naar verlangt: “In zijn armen zal Hij zijn schapen, zijn mensen samenbrengen, de lammeren dragen tegen zijn boezem, de schapen met zachte hand geleiden”.

 

Met zulke beeldende beloften moet ons hart wel voor verwachting gaan kloppen. Iemand wordt vooruitgezonden. “Zie, Ik zend mijn bode voor u uit die voor u de weg zal banen”.

Wie is voor u, voor jou, voor mij een bode, een boodschapper van de Heer die komt? In het evangelie wordt het woord gebruikt dat wij ook kunnen vertalen met engel, een boodschapper van Godswege, die jouw leven een bestemming, een doel, een roeping geeft, zoals de aartsengel Gabriël bij Maria.

 

 

 

Deze dagen moet ik vaak denken aan een vrouw die voor mij persoonlijk aan soort van bode, engel is geweest. Zij is vandaag precies een week geleden, op de eerste zondag van de advent, overleden, drie dagen nadat haar man plotseling stierf. Deze bijzonder vriendelijke, geleerde, welsprekende, eenvoudige vrouw was Lenie Beek. Zij was eerst dominee in Beverwijk, waar zij een zeer geliefd predikante was, maar zij was ook niet te beroerd om naar de directie van Hoogovens te stappen wanneer het grote concern tientallen arbeiders op straat zette.

 

In de jaren tachtig, meen ik, werd zij dominee in Amsterdam. In mijn studententijd ging ik, roomse theologiestudent, af en toe stiekem luisteren naar Lenie, de protestantse predikante. Toen ik later pastoor werd in Amsterdam leerde ik haar persoonlijk kennen. Kerkelijk stonden wij mijlenver van elkaar af. Zij was diepgelovig, een biddende vrouw, en heel vrijzinnig. Zij was van geen enkele kerkelijke bestuurder of autoriteit - protestant noch katholiek- onder de indruk. Haar preken leken nergens op, dat wil zeggen: volstrekt uniek, buitengewoon diepzinnig en lichtvoetig tegelijk.

 

Lenie Beek had veel pijn, was vaak ziek en zeer slechtziende. Wanneer zij uit de bijbel las raakte haar neus vaak het boek. Ze leerde haar lange, van zin tot zin boeiende preken meestal uit het hoofd en droeg ze voor als voor lammeren die zij tegen haar boezem drukte, alsof je een kind was die getroost moest worden. “Troost, troost toch mijn stad…spreek Jeruzalem moed in”. Woorden die je in beweging zetten en troosten.

 

Voor mij was zij een bode, een engel van Gods naderende heerschappij. Haar preken bleven eerlijk gezegd voor mij het ideaal. Diepzinnig en lichtvoetig. Ik beken: ik ben nog lang niet zover. Ik vermoei u maar al te vaak met te weinig lichtvoetige preken. Maar ik neem mij voor, nu Lenie Beek er niet meer is, meer mijn best te doen.

 

Zelf bode, boodschapper worden, zoals Jesaja en Johannes de Doper.

De Doper was losgezongen van het gangbare kerkelijke en maatschappelijk leven. Hij paste nergens echt bij. Hij kon het niet meer uithouden in de gevestigde religieuze wereld. Zijn persoon, zijn prediking leken nergens op. En juist hij trok heel veel mensen: “Heel de landstreek Judea en alle inwoners van Jeruzalem trokken naar Hem uit…”

 

Hij wist een hele stad in beweging te brengen, te bevrijden van hun overgeorganiseerde bestaan, van hun verleden. Er staat immers dat zij zich lieten dopen “terwijl zij hun zonden beleden”. Denk nu niet meteen aan een vroegere benauwende biechtpraktijk, maar aan innerlijke bevrijding, die het sacrament van de biecht is, als het goed is.  

 

Daar in de woestijn gebeurt het, in de grensrivier, de Jordaan. Ook wij worden een beetje naar de woestijn gevoerd. Zo voelde dit jaar voor veel mensen. Zoveel vertrouwde dingen waren en zijn niet mogelijk. Het is heel begrijpelijk dat velen smachten naar het oude normaal.

Of was dat allemaal wel zo normaal?

Misschien is het ook wel een beetje een kans. Misschien kunnen we in deze advent een beetje vrij worden van al die gewone, zogenaamd normale dingen en boodschapper worden van een nieuw soort leven. “Volgens Gods belofte verwachten wij nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid zal wonen”.

Zo moge het worden. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

----------------------------------------------

 

[1] Jesaja 40, 1-5. 9-11; 2Petrus 3, 8-14; Marcus 1, 1-8


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 29 november 2020.

                        Eerste zondag van de Advent.[1]

 

Wanneer zal Hij komen? “Weest op je hoede, weest waakzaam; want jij weet niet wanneer het ogenblik daar is”. Het huis van ons leven moet zo op orde zijn dat de Heer elk moment van de lange nacht van de tijd bij ons kan aankomen. Waakzaam leven. In dit bijzondere jaar is dat meer dan ooit van ons gevraagd. In veel spotjes op teevee wordt het ons voorgehouden: zorg goed voor elkaar. Dat is mooi en aangrijpend. Gelukkig doen zeer veel mensen dat ook.

 

Je weet niet wanneer het ogenblik daar is.

Het ogenblik.

In het evangelie staat een bijzonder woord dat je ook wel eens leest in een Nederlandse tekst: kairos. Dat is ook een woord voor tijd, maar dan een moment, een punt, een dag en een uur die je even beleeft alsof de tijd stil staat. Alsof opeens alles anders wordt. Een gebeurtenis waardoor ons leven, dat ogenschijnlijk hetzelfde blijft als voorheen, in een heel ander licht en perspectief staat. Zoals je wel eens hoort van mensen die zich bekeren, die tot geloof in God komen, tot navolging van Jezus.

Vandaag zijn er drie mensen in ons midden, een jongeman en twee volwassenen die gedoopt worden. Voor deze dopelingen is dit uur, zo hopen en bidden wij, een kairos. “Weest waakzaam; want je weet niet wanneer het ogenblik daar is”.

 

“Bij het verlaten van zijn huis heeft hij aan zijn dienaars het beheer overgedragen”. Bij zijn hemelvaart heeft Jezus ons het beheer overgedragen dat Hij eerst zelf in handen had. Opnieuw staat er een heel bijzonder woord: exousia. Beheer, gezag, in dienstbaarheid en met eerlijkheid uitgeoefende macht. Dat is niet gemakkelijk. Deze week hoorden wij weer in het nieuws hoe verleidelijk het is misbruik te maken van macht die jou is toevertrouwd. Hoe ambtenaren, die met goede wil en voornemen aan hun verantwoordelijke baan waren begonnen, uitgroeiden tot onbarmhartige rechters over het leven van weerloze mensen en gezinnen.

 

Wie dat beheer, die taak, die exousia in handen heeft, heeft het volledige vertrouwen gekregen van de Heer. In het evangelie van Marcus, dat wij in dit nieuwe liturgische jaar lezen, is dit een kernwoord. Het komt steeds weer terug. Tot nu toe was het alleen Jezus die dit beheer, dit gezag, deze taak bezat om over de mensen te waken, hen richting te wijzen, bij te staan, sterk te maken, te genezen, te laten opstaan uit het verleden, uit onvrijheid, verslaving en dood. Maar vanaf nu vertrouwt Hij het aan zijn dienaren toe, aan ons. Dat is een grote geve en een bijzondere opgave, waartoe Hij ons waardig heeft bevonden. Zijn nieuwe dienaren, onze drie dopelingen, Fauzia, Robert en Jemery worden dadelijk even ondervraagd en ook hun getuigen. Aan hen zal ik vragen: bent u van mening dat zij, hij waardig is? Een heftige vraag. Is een mens ooit waardig? Vlak voordat wij de Heer ontvangen in de heilige Communie, zeggen wij: “Heer, ik ben niet waardig dat U tot mij komt, maar spreekt slechts een woord en ik al gezond worden”.

De Heer bevindt jullie, dopelingen van vandaag, en ons waardig om het beheer te krijgen, het beheer over de mensen om ons heen. Dat vraagt grote inzet en geduld. Het evangelie vergelijkt die taak met mensen die een hele nacht waakzaam moeten zijn. Je weet nooit precies wanneer jouw inzet, jouw liefde, jouw gerechtigheid gevraagd wordt, laat in de avond, midden in de nacht of bij het hanengekraai.

 

Deze week was ik nog even op bezoek bij een ernstig zieke, voor wie het einde, de ontmoeting met de Heer naderde. Het was vroeg in de morgen. Zijn enig kind, zijn dochter had de hele nacht bij haar vader gewaakt. Zij had een paar uurtjes heel licht geslapen. Bij het minste geluid dat haar vader maakte was zij wakker geworden en zijn hand aangeraakt. 'Ik ben bij je. Je bent niet alleen’.

 

Die exousia, dat beheer, die aandacht voor het juiste moment (de kairos) waarop alles anders wordt, is ons toevertrouwd. Jesaja, in de eerste lezing, zegt: U, God, komt de mensen tegemoet die met vreugde gerechtigheid beoefenen…”

Vandaag begint de Advent. Het woord betekent - u weet het - aankomst. Wij gaan de komst van de Heer verwachten.

Wanneer zal Hij komen? “Weest op je hoede, weest waakzaam; want jij weet niet wanneer het ogenblik daar is”. Het huis van ons leven moet zo op orde zijn dat de Heer elk moment van de lange nacht van de tijd bij ons kan aankomen. Waakzaam leven. In dit bijzondere jaar is dat meer dan ooit van ons gevraagd. In veel spotjes op teevee wordt het ons voorgehouden: zorg goed voor elkaar. Dat is mooi en aangrijpend. Gelukkig doen zeer veel mensen dat ook.

 

Hij komt ons tegemoet, zegt de profeet, als wij gerechtigheid beoefenen en aan Hem denken bij al wat wij doen. Hij zal, zegt Paulus, in de tweede lezing, ons doen standhouden tot het eind.

 

Drie dopelingen zijn in ons midden. Op de eerste dag van het liturgisch jaar ontvangen zij het heilig doopsel. Jullie zijn al heel lang onderweg naar dit ogenblik, deze kairos. In de paastijd kon niet gedoopt worden. De Heer heeft jullie doen standhouden tot deze bijzondere zondag waarop jullie de komst van de Heer in jullie leven verwachten. Hij zal jullie doen standhouden tot het einde zodat jullie geen blaam treft op de dag van de Heer Jezus. God is jullie getrouw, die jullie, Fauzia, Robert en Jemery geroepen heeft tot gemeenschap met zijn Zoon onze Heer Jezus Christus. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------------------

[1] Jesaja 63, 16b-17+19b+64, 3b-8; 1 Korintiërs 1, 3-9; Mc. 13, 33-37


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Christus Koning

                      22 november 2020, laatste zondag van het liturgisch jaar

 

 

 

Vandaag leert Christus ons dat wij niet ver hoeven te zoeken, ons niet hoeven te verliezen in getob, speculatie en gewichtigheid. Hij is naar ons toe komt in de minst geachte mensen van onze wereld. De armen, de zieken, de gevangenen, de naakten, de vreemdelingen. Over hen is Hij koning en over allen die hun ogen en harten voor die minsten mensen hebben geopend.

 

Wie heeft het eigenlijk voor het zeggen in jouw leven? Wie is om zo te zeggen koning over jouw leven?

Een vraag die mij bezig hield en houdt toen ik de afgelopen tijd de Amerikaanse presidentsverkiezingen volgde en waarvan ik de nasleep enigszins met vrees en beven en gebed voor dat bijzondere land, nog steeds volg. Het grote land, waarnaar wij, bewoners van een klein landje op het oude continent, altijd tegenop zien, als naar een nieuwe wereld, waar net iets meer mogelijk is en alles altijd net iets eerder gebeurt dan bij ons. Tot mijn verbazing en verontrusting blijkt het grote land tot op het bot verdeeld.

Wat voor soort leider zoekt dat grote volk, verlangt het?

 

In het oude Israël worstelden de mensen ook met die vraag.

Maar in die dagen werd de vraag fundamenteler gesteld: moet je eigenlijk wel een supermachtige leider, koning willen, die een rijke hofhouding wil voeren, mensen tot lakeien en vleiers maakt, jonge mannen optrommelt voor de oorlog, hen tot geweld-machines degradeert?

De profeet in Israël zei: er is maar één koning in jouw, in ons leven en dat is de Heer. Een Heer die is als een herder: wij hoorden de prachtige profetie van Ezechiël. Een God die zoekt naar de mens, vooral als hij of zij verdwaald raakt, gewond. Geen god die zich zoeken laat in fantasieën over almacht. Maar een God die mens wordt en ons zoekt en die wij vinden kunnen in de meest kwetsbare mensen op aarde. Een God die strijdt met de dood, de ‘laatste vijand’, - een God die in zijn Zoon die vijand, de dood, zelfs ondergáát, - én in het eind zelfs overwint.

 

Vandaag vieren wij Christus Koning. Het is de laatste zondag van het liturgisch jaar. Wie komt er aan het eind?

Of verwacht je helemaal niemand meer aan het eind? Is voor jou het boek gewoon uit na de laatste harteklop?

De Mensenzoon komt aan het eind.

Er is geen sprake van donder en bliksem, maar van enkele vragen, een kort interview?

Waar was je, in welke kringen heb je verkeerd?

In hofkringen, waarin je je met ellebogenwerk hebt omhooggewerkt of in kringen, zoals Jezus het noemt, van ‘de minsten van mijn broeders en zusters'?

 

Wanneer hebben wij u dan gezien?

Zij onderbreken het interview van de Mensenzoon. Waar, Heer, zal ik U zoeken; waar kan ik U vinden?

In de theologie en in de literatuur is daar veel over gedebatteerd. Vandaag leren wij dat wij niet te hoog, te verheven, te ver weg hoeven te zoeken naar God.

 

Zelf ben ik altijd geboeid geweest door het leven de monniken, die van God zoeken hun professie hebben gemaakt.

In mijn jeugd heb ik zelfs nog wat geflirt met het monniksleven, heb ik het enkele jaren uitgeprobeerd, of het iets voor mij was.

In de Middeleeuwen waren er twee stromingen. Die van het klooster Cluny, met het grootste kerkgebouw van het Westen, tot de sint Pieter werd gebouwd. Die monniken van Cluny zochten God in de sublieme schoonheid van de plechtige liturgie, het overvloedige goud van de kelken, het goudbrokaat van de gewaden, de overvloed van beelden en de rijk gebrandschilderde ramen.

Als reactie ontstond de tweede stroming, die van Cîteaux, de cisterciënzers, later trappisten genoemd. Zij zochten God niet in de weelderige schoonheid van liturgie en architectuur en beelden, maar in de leegte van hun verstilde, sobere kerken, waar de enige rijkdom was het spaarzame licht dat schijnt door de smalle, transparante ramen, een licht dat elk uur van de dag en elk uur van het gebed in de kloosterkerk weer anders was. Daarin, in de armoede, de strenge zuivere soberheid zochten en vonden zij God. Je moet niet te hoog zoeken, te duur, te groots, te verheven boven het leven.

De weg van de verheven schoonheid en die van de verstilde soberheid: beide kunnen goede routekaarten zijn naar God.

 

Vandaag leert Christus ons dat wij niet ver hoeven te zoeken, ons niet hoeven te verliezen in getob, speculatie en gewichtigheid. Hij is naar ons toe komt in de minst geachte mensen van onze wereld. De armen, de zieken, de gevangenen, de naakten, de vreemdelingen. Over hen is Hij koning en over allen die hun ogen en harten voor die minsten mensen hebben geopend.

 

Vandaag, op het hoogfeest van Christus Koning, wordt een van ons gedoopt: Johan Folla.

Al heel lang, Johan, woon je aan de andere kant van de Kamperfoelieweg. Toen bijna niemand het kerkgebouw betrad, tijdens de eerste lockdown, vroeg jij of je binnen mocht komen, om in de stilte van het verlaten gebouw te bidden: bij het altaar Christus, bij Maria, de Moeder en bij Antonius, die je helpt vinden wat en wie bijna onbereikbaar lijkt.

Jouw geloof is mede een vrucht van de crisis. Je hebt geleerd niet te hoog en verheven naar God en Jezus te zoeken, maar in de mensen die de minsten geacht worden in deze wereld, hier dichtbij en in het verre Colombia, het land van jouw geliefde.

Ik nodig je uit naar hier te komen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------------

Afbeelding: Michelangelo, laatste oordeel (Sixtijnse Kapel, Vaticaan)


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 15 november 2020

                      33ste zondag door het jaar[1]

 

 

Geeft onze moeder de Kerk alle talenten wel de kans om te rendéren? Deze zondag kan ik niet anders dan denken aan de vrouwen. Hoe lang wordt haar talent door onze kerk nog in de grond gestopt? Zal de Kerk niet gezegd worden: neem hem dat talent af en geeft het aan wie de tien talenten heeft?

“Zij strekt haar handen uit naar het spinrokken…zij opent haar hand voor de behoeftige en strekt haar armen uit naar de misdeelde.”

Haar handen en haar armen. Wat een mooi gedicht is het toch uit het boek van de Spreuken. Het wordt hier nogal eens voorgelezen, vooral in uitvaarten van geliefde echtgenotes, moeders, oma’s. “Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?"

 

De bijbel gaat, u weet dat allang en hebt het al vaak gemerkt, nogal vaak over mannen en is ook vrijwel geheel door mannen geschreven. Er komen zeker vrouwen in voor: vaak beslissende vrouwen in de geschiedenis van de geloofsgemeenschap: Debora, Esther, Judith, Naomi, Ruth, Maria Magdalena, Elisabeth, Maria. Mijn lijstje is zeker niet volledig. Allemaal vrouwen die een nieuwe wending gaven aan de mannengeschiedenis van Gods volk.

 

Het boek Spreuken, enkele eeuwen voor Jezus gecomponeerd, is ook zoiets. Dertig hoofdstukken gaat het over mannen. Overigens lezen wij in de eerste negen hoofdstukken van het boek ook dat zij goed naar vrouwe wijsheid moeten luisteren. Het gaat over mannen die leren leven en handelen, hoe zij hun kinderen moeten opvoeden, het hoofd moeten zijn van hun vrouw.

A men’s world.

 

Zoals ook onze eigen rooms-katholieke kerk nog steeds hoofdzakelijk een mannen-wereld is.

Afgelopen week kregen wij daar iets van mee. Een Amerikaanse kardinaal die zich als een roofdier heeft gedragen: een weerzinwekkend verhaal van seksueel misbruik en gestrooi met geld om alles af te kopen, in de doofpot te stoppen. Uiteindelijk heeft de paus een grondig onderzoek gelast en de resultaten laten publiceren. Deze week konden we niet erg trots zijn op onze kerk. Het lichtpuntje was de openheid waarmee het Vaticaan dit alles naar buiten brengt en de ongekend doortastende maatregelen van de paus tegen die man, die uit het bisschops- en priesterambt is gezet. Het is te lang geleden voor een rechter en hij is al heel oud.

 

Zoals gezegd, het boek Spreuken gaat ook almaar over mannen. Tot dit fameuze laatste hoofdstuk.

Die vrouw uit hoofdstuk 31 doet twee dingen: zij strekt haar handen uit naar het spinrokken. Zij is bezig met de kleding van haar gezin en van zichzelf. Zij zorgt ervoor dat haar gezin beschutting heeft tegen de kou en tegen de stralen van de zon. Sinds de zonde van Adam hebben wij kleren nodig om onze naaktheid te bedekken. Diezelfde handen, waarmee zij spint en weeft en naait, opent zij voor de armen en de misdeelden, naar wie zij haar armen uitstrekt. In één beweging is zij gericht naar binnen, haar huis, haar kamer én naar buiten, de wereld om zich heen, de mannen-maatschappij zullen we maar zeggen, waar de verhoudingen onrechtvaardig zijn, waar steenrijken én straatarmen en behoeftigen zijn. Het grote schandaal van de wereld: de tomeloze rijkdom, vaak verworven ten koste van groot onrecht en schade voor de aarde, en de ten hemel schreiende armoede, die mensen vernedert en de kansen ontneemt hun kinderen fatsoenlijk te kleden en te vormen.

Op deze diaconale zondag en de pauselijke dag van de armen, staan wij bijzonder stil bij de gevolgen van dit onrecht. Onze PCI probeert op de schaal van onze buurt, onze parochie, daaraan iets te doen.

 

Die vrouw uit het boek Spreuken heeft talent voor beide, de intieme binnen-wereld van het gezin, waarbinnen talloze mannen in verleden en heden haar hebben opgesloten. En de wereld buiten, waar zij volgens deze bijbeltekst een beslissende rol speelt om de scheefgegroeide, onrechtvaardige verhoudingen te herstellen.

 

De kerk mag, moet zijn als die vrouw: zij is als een moeder die haar kinderen opvoedt, geestelijk en lichamelijk kleedt, om de uitdagingen buiten aan te kunnen. En zij is diezelfde vrouw die als eerste agendapunt van haar handelen bezig is met de armen van deze wereld en de behoeftigen. Opdat zij zich niet inlaat met het grote geld, met de rijken, de machtigen, die de neiging hebben het onrecht af te kopen, de schandalen door grote giften stil te houden.

 

Jezus vertelt in het evangelie over de talenten. Wij bereiken het einde van het liturgisch jaar. We maken de balans op. Wat hebben wij, wat heeft onze kerkgemeenschap met de gratis geschonken talenten gedaan? Paulus vraagt ons in deze tijd wakker te zijn en nuchter, zoals die zwangere vrouw die stil en standvastig haar kind verwacht. Geeft onze moeder de Kerk alle talenten wel de kans om te rendéren? Deze zondag kan ik niet anders dan denken aan de vrouwen. Hoe lang wordt haar talent door onze kerk nog in de grond gestopt? Zal de Kerk niet gezegd worden: neem hem dat talent af en geeft het aan wie de tien talenten heeft?

Hebben onze talenten vrucht gedragen, geestelijke, menselijke rente opgebracht? Laten wij zoals die vrouw uit het boek van de Spreuken voor elkaar zorgen, elkaar beschermen tegen gevaren en onze armen uitstrekken naar de arme en de behoeftige van onze dagen.

Bevalligheid is bedrieglijk, schoonheid vluchtig, maar een vrouw die de Heer vreest, ontzag heeft voor Hem, zij moet geprezen worden. Mogen wij, ieder van ons en moge onze moeder de Kerk die lofprijzing waard zijn en worden. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------

 

[1] Spreuken 31passim; 1 Tess. 5, 1-6; Matteüs 25, 14-30