Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 15 maart 2020

                      derde zondag van de Veertigdagentijd[1]

 

Zie ook de livestream op denieuweaugustinus.nl

 

(Ook volgende zondag, 22 maart, 11.15 uur livestream van de eucharistieviering)

 

Vele mensen uit Amsterdam-Noord en van daarbuiten komen hier elke zondag bij dit altaar, de bron van geloof opzoeken, daaruit putten, woorden horen die ons leven richting geven, die ons in beweging zetten, die ons sterken en troosten. Zondag na zondag of zaterdagavond komen wij hier om het Brood van leven te ontvangen: Jezus Zelf die ons voedsel is voor onderweg in ons leven. Vermoeid van de tocht  vinden wij hier nieuwe kracht.

 

Jezus is vermoeid van de tocht en gaat zo maar bij de bron zitten. Hij krijgt te drinken van een Samaritaanse vrouw, met wie Hij eigenlijk geen contact mocht hebben.

Jezus gaat niet bij zomaar een bron zitten: de bron van aartsvader Jakob. De bron waaruit Jakob en zijn nakomeling putten, de bron van de geloofsgemeenschap. Om weer verder te kunnen, zijn levensweg voort te zetten, totdat Hij vanuit het gebied van de Samaritanen in Jeruzalem zal aankomen, waar Hij de Vader zal aanbidden, zijn leven zal geven.

 

Als gevolg van het coronavirus is het deze zondag en de komende zondagen niet mogelijk met de geloofsgemeenschap bij deze bron samen te komen. Wij mogen wel naar de kerk komen, maar niet met velen tegelijk. Nu wij als geloofsgemeenschap niet samen kunnen komen in de kerk, bij de tafel van de Heer, bij de bron van levend water, zijn woord, zijn we een beetje op onszelf teruggeworpen. Veel mensen zijn bang, zij blijven, net als de leerlingen van Jezus in ons evangelie, maar boodschappen doen, bang geen voedsel meer te hebben, niets om hun dorst te lessen, zichzelf te verzorgen. Dat is heel menselijk en heel begrijpelijk. Maar laten we ook boodschappen doen voor de Voedselbank. U kunt de producten bij het pastoraal centrum bezorgen.

 

Nu wij zo heftig met onze kwetsbaarheid worden geconfronteerd mogen wij proberen kracht te vinden bij het woord van de Bijbel. Met Jezus zijn wij onderweg naar Pasen. Nu we meer thuis blijven dan normaal kunnen we misschien de kans grijpen wat meer te lezen uit die bron van aartsvader Jakob en die bron van alle aartsmoeders en vaders die ons zijn voorgegaan. De bijbellezingen in de Vasten zijn lang. Dat komt goed uit. We hebben tijd om wat minder gehaast te lezen en in ons eigen hart te overwegen. De bijbelteksten van vandaag en de komende dagen kunt u op de website van onze parochie vinden: denieuweaugustinus.nl

 

In de eerste lezing hoorden wij de angstige, dorstige gelovigen in de woestijn de vraag stellen: “Is de Heer nu bij ons of niet?”

‘Zijn wij in de woestijntocht van ons leven helemaal aan onszelf overgelaten, aan de kwetsbaarheid van ons leven, aan de grillen van de natuur, de onzichtbare, voortwoekerende bedreigingen?’

Het boek Exodus vertelt: de Heer stond op de rots, de ondoordringbare, harde, meedogenloze rots van ons bestaan. Mozes mag erop slaan, er stroomt water uit. De Heer is bij zijn volk. In Jezus deelt Hij in onze dorst: Hij die op het kruis heeft gezegd: “Ik heb dorst”.

Laten wij onze dorst lessen bij zijn woord, bij ons verlangen naar Communie met Hem.

Laten wij elkaars dorst lessen naar aandacht, liefde en zorgzaamheid, bijzonder voor de ouderen, de zieken, en allen die deze dagen veel alleen zijn. Laten wij voor elkaar zijn als de Samaritaanse vrouw die de dorst van Jezus heeft gelest. Amen.

 

N. van der Peet

 

 

 

 

Voorbeden zondag 15 maart 2020

 

God, toevlucht in onze nood,

kracht in onze vertwijfeling en angst,

vertroos­ting in ziekte en lij­den.

Wees ons, uw volk, nabij en gena­dig

nu wij allen de gevolgen onder­vin­den

van het uitgebroken corona-virus.

Wees een Beschermer voor hen

die dit virus hebben opgelopen,

Wij bid­den voor hen om hoop en gene­zing.

Wij bid­den voor hen die aan de gevolgen van dit virus

zijn overle­den, dat zij bij U geborgen mogen zijn.

Wij bid­den voor allen die werk­zaam zijn

in de ge­zond­heids­zorg en het open­baar bestuur,

dat zij uw nabij­heid en zegen mogen ervaren in hun werk

ten dienste van heel de samen­le­ving.

Doe ons beseffen hoe groot uw liefde is voor ieder van ons

en dat Gij met ons zijt nu wij de kwets­baar­heid van ons

bestaan ervaren.

Versterk ons geloof en onze hoop

zodat wij ons altijd zonder aarzelen over­ge­ven

aan uw va­der­lijke voor­zienig­heid.

 

Wij bidden U voor de jongeren in Eritrea,

die wij ondersteunen met onze Vastenactie.

Voor alle kinderen en jongeren waar ook ter wereld:

dat zij veilig en gelukkig kunnen opgroeien en zich ontwikkelen.

 

Wij bidden voor de intenties van onze geloofsgemeenschap,

waarvoor wij deze eucharistie bijzonder opdragen:

 

Luister, Heer, naar ons smeekgebed

en wil ons verhoren

op voorspraak van Maria, Heil van de zieken,

Troosteres van de bedroefden, -

door Christus onze Heer.

 

----------------------------------------------------

[1] Exodus 17, 3-7; Romeinenbrief 5, 1-2. 5-8; Johannes 4, 5-42


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 29 februari/1maart 2020

                        Eerste zondag in de Veertigdagentijd[1]

 

Afbeelding: Bartolomeo Montagna, Ecce homo (1510, detail)

  

Wij zijn broze wezens. Wij zijn Adam. Dat betekent: mens. In al onze menselijke naaktheid leven wij buiten het paradijs, in een wereld vol schoonheid en liefde, maar ook een wereld getekend door verleiding en kwetsbaarheid. Gods Zoon heeft die kwetsbaarheid gedeeld. Wij horen het op de eerste zondag van de veertigdagentijd. Hij werd blootgesteld aan alle machten en krachten die mensen kunnen belagen.

  

De afgelopen dagen is het nieuws vol van het corona-virus. Al die kwetsbare mensen in China, en al die niet zieke mensen van wie het sociale leven en de economie kraken onder de gesloten scholen en fabrieken. En in Noord-Italië, waar je hetzelfde ziet zij het op minder grote schaal; waar ook de kerken gesloten zijn en de aartsbisschop van Milaan vandaag een stille Mis viert die de gelovigen verzocht worden te volgen via een live-stream op hun computer.

 

In Nederland zijn enkele besmettingen. Wij moeten niet in paniek raken en tegelijk verantwoordelijk en vooruitziend handelen. Daarom heeft ook de Nederlandse kerkleiding maatregelen genomen.

Vanaf vandaag mag de heilige communie alleen maar op de hand worden uitgereikt. Een klein deel van onze kerkgangers ontvangt de heilige Hostie liever op de tong. Vanaf vandaag is dat tijdelijk niet meer mogelijk. Ook is bepaald dat de heilige Communie alleen nog wordt uitgereikt door de voorganger in de viering. Alleen de voorganger zal bij de communie uit de kelk drinken. Ook wordt ons gevraagd er van af te zien elkaar de hand te reiken bij de vredewens. Ook zullen we voorlopig afzien van het gebruik van wijwater bij het betreden en verlaten van de kerk.

 

Onze bisschoppen vragen alle gelovigen om te bidden voor alle mensen die wereldwijd slachtoffer zijn van het virus en voor allen die de patiënten met hun zorg en deskundigheid begeleiden.

 

Wij zijn broze wezens. De liturgie van deze eerste vastenzondag herinnert ons eraan. De mens is zorgvuldig geboetseerd door God. U hoorde het. Wat een prachtig godsbeeld: een God die aan ons kneedt en boetseert totdat wij de juiste vorm hebben, recht van lijf en leden zijn, om ons daarna de levensadem in de neus te blazen. God is met ons bezig, opdat wij kunnen leven. Aan de grondslag van ons bestaan is er sprake van een liefdevolle Schepper. Wij mogen er zijn, hoe wij ook geschapen zijn.

 

Daarna kan er van alles gebeuren. U hoorde het: de mens wordt verleid. Wij hoorden het oerverhaal van de slang, van Adam en Eva, de verboden vrucht. Kijk uit mens dat je je niet als een god gaat gedragen met al je kennis van leven en dood, van goed en kwaad. Maar ja, het gaat niet anders. De mens verliest haar en zijn onbekommerde onschuld en ontdekt wie hij/zij is, naakt en kwetsbaar.

 

Paulus in zijn brief aan de Romeinen hoorden wij daarover mijmeren en redeneren. Het is goed fout gegaan met de mens. Nu, daarvan hoefde hij ons niet zo omstandig te overtuigen. Dat wisten wij, journaalkijkers en krantenlezers, al. Het kan helemaal uit de hand lopen. Door de mens kwam de dood in de wereld, door één mens kwam de vrijspraak, heeft de dood niet langer het laatste woord.

 

Over die éne Mens vertelt het evangelie. Zoals altijd aan het begin van de veertigdagentijd worden wij naar de woestijn gevoerd “om door de duivel op de proef gesteld te worden.”

Leidt God de mens in beproeving? Wij kunnen niet in het hart van God kijken, wij kunnen zijn beslissingen niet doorgronden. Wij weten uit ervaring dat de beproeving er is en dat een mens er soms doorheen moet en dat hij of zij soms bezwijkt in de beproeving, aan de verleiding. Daarom houden wij in navolging van Jezus deze veertigdagentijd, om dat alles onder ogen te zien en weer op te staan als we gevallen zijn; om vergeving te vragen en het met anderen die ons hebben kwaad gedaan als het even kan uit te praten en te vergeven. “Vergeef ons onze schulden zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren en leid ons niet in beproeving”, ‘houd ons staande als wij in de beproeving terecht komen’, kun je misschien ook zeggen. Maar eerlijk gezegd staat er in het evangelie: “leid ons niet in beproeving”.

 

De Geest heeft Jezus naar de woestijn geleid, diezelfde Geest die God in de mens geblazen heeft. De grote beproevingen die ons allen treffen heeft Hij doorstaan. Na veertig dagen en nachten krijgt Hij honger. Dan is de mens het meest kwetsbaar en vatbaar als hij hongerig is, als hij ziek is of arm. In deze Vastenactie zamelen we geld in voor een school voor beroepsonderwijs in Keren, Eritrea. Wie niet de kans krijgt zich goed te vormen, een beroep te leren, loopt verloren en gaat achter het snelle, criminele geld aan. Een tijdje was ik administrator ook van de parochie in Amsterdam Zuidoost. Daar en ook wel in Noord lopen mensen rond die een scherp oog hebben voor kwetsbare, arme, kansarme jongeren, om hen te verleiden tot duistere praktijken om snel aan geld te komen.

Op zijn meest kwetsbare moment wordt de mens, wordt Jezus bekoord. Zijn geloofskracht, zijn standvastigheid tot het einde mogen wij in deze veertigdagentijd en in heel ons leven voor ogen houden. Om als een nieuwe Adam het paradijs opnieuw, de tuin van het leven binnen te gaan, waar het graf zal open staan, de dood overwonnen. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-------------------------------------------------------

[1] Genesis 2, 7-9+3, 1-7; Romeinenbrief 5, 12-19; Matteüs 4, 1-11


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 15/16 februari 2020

                      zesde zondag door het jaar[1]

 

Vervulling brengen

 

Zusters en broeders, wat mij bijzonder treft in het lange, belangwekkende evangelie van vandaag uit de Bergrede van Jezus, is de zin: “Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om de vervulling te brengen.

 

Vele christenen hebben de eeuwen door gezegd: sinds Jezus er is zijn al die wetten van het oude testament eigenlijk achterhaald en voor ons, christenen, niet meer nodig. Voor het gemak slaan zij dan deze uitspraak over. “Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om te vervullen, vol te maken”, om diepe betekenis te geven. Al die voorschriften van de Schriften van het joodse volk zijn er niet om mensen een juk op te leggen, maar om hun leven vervulling te geven, betekenis, richting. Niet om slaafs zonder nadenken en navoelen met zuchten en steunen uit te voeren, maar om ze met liefde en toewijding inhoud te geven.

 

Veel mensen kijken op naar de paus, hoe hij met de regels zal omgaan. Zal hij die wet over de echtscheiding opheffen; zal hij de wet over het priestercelibaat gaan opheffen?

Inderdaad, de paus heeft een opening gemaakt voor gescheiden en hertrouwde katholieken. Inderdaad, in alle openheid kan er van gedachten worden gewisseld over de betekenis van het celibaat van de priesters, een welhaast ongekende opening. Sterker, de discussie wordt aangemoedigd, ook nu nog en voor de toekomst. De paus heeft geen definitieve beslissing genomen. Maar hij is van mening dat we nog niet toe zijn aan een laatste woord.

 

Hij heeft gemerkt: als ik nu een groep in de kerk gelijk geef en de andere groep niet, dan komt er grote verdeeldheid en onvrede. Ik moet wachten, we moeten wachten, niet zozeer op een van boven opgelegde en op het hoogste niveau genomen beslissing, maar wij moeten wachten totdat wij, het volk van God onderweg in de wereld en in de tijd, veranderd is, innerlijk tot bekering is gekomen, tot een waarachtig, vrede brengend nieuw inzicht is gekomen. De kerkgemeenschap moet bekeerd worden, niet als een kind een wet opgelegd, maar innerlijk veranderd. Die verandering, bekering - leert ons Jezus en ook de paus - die kun je niet afdwingen. Die innerlijke verandering, bekering moet komen van de heilige Geest. Die kunnen we niet zelf forceren, ook niet met pauselijke macht. Soms zou je dat wel willen. ‘Ik zal eens even bepalen hoe het moet en de achterlopende mensen moeten dan maar volgen’. Dat is autoritair en arrogant en degradeert de mensen tot willoze schapen. Nee, allen moeten eerst aan het woord komen, hun inzicht bijdragen, en zichzelf kwetsbaar, luisterend opstellen. Dan krijgt de heilige Geest de ruimte om zijn kerk, zijn mensen te bewegen.

 

Zoiets als Jezus zegt en doet. Ook al is Hij de Zoon van God, de Gezalfde van God, ook bezit Hij de macht en het gezag, Hij doet het niet. Wat zou Hij dan bereiken? Zouden wij dan niet gedegradeerd worden tot braaf gehoorzame schoolkinderen? Zelf de schoolkinderen kun je al niet meer zo behandelen.

Nee, Hij legt het bij u, bij jou, bij mij neer. Je moet niet wachten tot Jezus of de paus ja of nee zegt. Integendeel, jouw/mijn ja moet ja zijn en jouw/mijn nee moet nee zijn. Ons geluk mag niet afhangen van het woord van de paus of een andere gezagsdrager, maar van onze persoonlijke beslissing, onze persoonlijke liefde en inzet, ons persoonlijk ja-woord aan Jezus, aan onze naaste, onze geliefde, aan de kerkgemeenschap.

 

“Ik ben niet gekomen om op te heffen maar om de vervulling te brengen”; om de diepe en volle inhoud te geven aan al die wetten en regels en voorschriften. Geen onnadenkende, schaapachtige gehoorzaamheid, maar in praktijk brengen uit de volheid van je hart. Het is niet genoeg, horen we vandaag, dat je je naaste niet vermoordt, je moet hem of haar ook niet vernederen met harde woorden, monddood maken, doodzwijgen. Wat als je dat doet maak je hem of haar eigenlijk tot een levende dode, die geen kant meer op kan. Dan lijk je je aan het gebod te houden, maar eigenlijk heb je het overtreden.

 

Je bent er niet als je de huwelijksband met je partner in stand houdt. Heel je hart en je blik, je ogen zouden gericht moeten zijn op jouw partner. En als dat niet meer zo is dan zou je tot bekering kunnen komen en daaraan kunnen gaan werken. Je ziet hem of haar staan, sluit hem of haar in je hart. We zijn gekomen tot elkaar om de vervulling te brengen, met en bij de ander volheid te vinden, vervulling. Je ja moet ja zijn en je nee nee.

 

Geve de Geest ons dat ons ja voluit ja mag zijn, tot God en zijn Zoon Jezus en tot onze naasten en dat wij zo de wet van de liefde tot vervulling brengen. Amen.

 

-------------------------------------------------------

[1] Ecclesiasticus 15, 15-20; 1 Korintiërs 2, 6-10; Matteüs 5, 17-37


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 8/9 februari 2020

                       vijfde zondag door het jaar[1]

 

“Dan zal uw licht stralen als de dageraad.”

Jesaja, de grote profeet, spreekt over het doorbreken van het licht in een duistere wereld.

Elke morgen is dat voor wie er oog voor heeft een fascinerend evenement, waar geen lichtshow tegenop kan: de opkomst van de zon, de dageraad.

“Licht dat ons aanstoot in de morgen, voortijdig licht waarin wij staan”.

De profeet spreekt over nog een andere dageraad: ons licht dat gaat stralen in onze donkere wereld, in onze menselijke verhoudingen, - als wij ons brood delen met de hongerigen, de dakloze zwervers opnemen in onze huizen, de naakten kleden en ons toe-keren naar onze medemensen. De kalme moed van mensen - misschien wel eens van jezelf - die rustig de waarheid spreken, niet mee doen met dwaasheid, leugen, zich niet aanpassen aan de zwijgende, beetje bangelijke meerderheid. ‘Laat ik m’n mond maar houden, dat is wel zo veilig.’

 

We kennen dat allemaal: wanneer zoiets gebeurt gaat een licht op, ‘dat licht geeft aan allen die in huis zijn.’ Of wanneer iemand - zoals de profeet zegt - zich niet afkeert van zijn of haar medemensen, maar zich integendeel naar hen toekeert. Al de hele week moet ik af en toe denken aan die oude mevrouw in de metro. Als enige keek zij om zich heen temidden van een menigte reizigers die in volstrekte stilte gespannen naar hun smartphone zaten te staren. Zij viste uit haar handtas een rol pepermunt op en gaf die aan haar buurman, met het verzoek die door te geven. In een mum van tijd gebeurde er iets, begon een licht te schijnen van blikken, gezichten die elkaar aankeken, mensen die zich naar elkaar toekeerden, bevrijd uit hun bijna dwangmatige isolement, - op heel de digitale wereld gericht behalve

- letterlijk- op hun naasten.

 

Jezus zegt: jullie zijn al licht. Bij de viering van het doopsel wordt ons dit gezegd, opgedragen, meegegeven. De pasgedoopte ontvangt de doopkaars, die plechtig aan de paaskaars wordt aangestoken. Voortaan moet jij in deze duistere wereld een mensenkind van licht zijn. Op jouw gelaat, in jouw manier van leven moet het licht van Christus weerkaatst kunnen worden.

Het is de bedoeling de doopkaars je leven lang te bewaren. Soms raakt hij verloren bijvoorbeeld bij een verhuizing. Vaak vindt de doopkaars een plaats in de linnenkast, veilig zacht tussen de handdoeken om niet te breken. Maar af en toe moet hij naar buiten. De ouders van mijn petekind branden hem elk jaar op de datum van haar doop, even, bij het ontbijt, met een klein gebedje. Mooi, zinvol gebruik. Af en toe moet de kaars de kast uit en op de standaard worden geplaatst, opdat de mensen onze goede werken zien en de Vader verheerlijken die in de hemel is.

 

Behalve licht zijn wij, houdt Jezus de mensen voor in zijn Bergrede, ook zout.

“Gij zijt het zout der aarde”.

Zout, las ik, is voor ons lichaam van levensbelang.

Ooit was zout, in het Latijn ‘sal’, zo kostbaar dat soldaten een deel van hun soldij in zout kregen uitgekeerd: sal, salaris.

Twee functies van zout vallen op. In een tijd zonder koelkasten en vrieskisten was zout het conserveringsmiddel bij uitstek. Zout weert het bederf van voedsel. Jullie zijn zout, zegt Jezus. Jullie moeten de corruptie, het bederf verhinderen. Jullie bestaan, zoals het zout, niet omwille van jezelf. Jullie gemeenschap, de kerk, moet vooral niet op zichzelf gericht zijn, bezig haar eigen zaken te doen, maar zij bestaat omwille van de mensen, de wereld, de samenleving; omwille van Gods koninkrijk. Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel. Op deze aarde vol bederf, corruptie, smakeloosheid moet de kerk een tegenkracht zijn.

 

Wie kookt moet niet teveel zout gebruiken, anders loopt de bloeddruk gevaarlijk op. Maar liever ook niet te weinig, anders wordt het gerecht slap en onverdraaglijk, onverteerbaar. Maar de christenen, door Jezus het zout van de aarde genoemd (dat is zelfs onze eerste benaming, nog vóór het licht), mogen niet onmerkbaar worden, onzichtbaar. Zij mogen niet wegduiken, bang om weggehoond te worden, achterhaald verklaard. Wij katholieken en onze kerk hebben bij niet weinigen een slechte naam. Zij verwijten ons dat de kerk vooral bezig is geweest haar goede naam en positie koste wat het kost te bewaren. Zij hebben gelijk. De kerk was vaak geen zout, integendeel zij had haar kracht verloren, was alleen maar bezig zichzelf te beschermen, haar duistere kanten af te schermen. In deze jaren probeert zij, met name onder leiding van paus Franciscus, dat af te leren; om -zoals het zout- onzichtbaar, eenvoudig, nederig, dienstbaar maar krachtig aanwezig te zijn, zonder veel opschik en pompa, alle energie bestedend aan het weren van bederf, van corruptie en aan het geven van nieuwe smaak in het leven, in de liefde, in het doen van goede werken, opdat de Vader verheerlijkt wordt die in hemel is. Amen

 

Nico van der Peet

 

--------------------------------------------------------

[1] Jesaja 58, 7-10; psalm 112; 1 Korintiërs 2, 1-5; Matteüs 5, 13-16


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, zondag 2 februari 2020

                       Feest van de Opdracht van de Heer in de Tempel

                       (Maria Lichtmis)[1]

 

Vandaag precies is het veertig dagen na Kerstmis. Het Kind, van wie de geboorte op de kortste dag, middenin de winternacht was gevierd, komt nu aan het licht, nu de dagen weer een beetje langer zijn geworden, het licht weer een kans krijgt. Vandaar ook onze kaarsen: Jezus is in onze donkere wereld en in ons soms donkere leven het licht dat voor alle volkeren straalt.  Dit binnendragen door Maria en Jozef van het kindje van veertig dagen, de oudste zoon van het gezin, in de geloofsgemeenschap, heeft alles te maken met de bevrijding lang geleden, van Gods oudste zoon, zijn volk Israël, uit Egypte. Om deze grote gebeurtenis nooit meer te vergeten werd en wordt nog steeds elke eerstgeboren zoon aan God opgedragen en symbolisch vrijgekocht.

 

Na veertig dagen, in het eerste voorjaarslicht verlaten Maria en Jozef het huis en voeren Jezus voor de eerste keer mee naar de tempel.

Zeker, deze dag is ook een Mariafeest, maar het gaat de Moeder en Jozef toch vooral om het Kind, dat, zoals de oosterse christenen zeggen, voor het eerst zijn volk ontmoet, het joodse volk, waarbinnen Hij geboren is. De jongste en de oudste generatie ontmoeten elkaar. Zoals hier afgelopen vrijdag gebeurde bij de uitvaart van een 95 jarige parochiaan. Haar achterkleinkind van vijf jaar was ook in de kerk en later in de zaal. In het blij spelende, limonade-drinkende jochie - zijn lego-raket in aanbouw - ontmoetten de ernstige ouderen, bezig met hun vele herinneringen, iets van toekomst, hoop, verlangen.

 

Twee oude mensen zijn het die het kind Jezus begroeten. Jezus wordt niet meteen door iedereen herkend. Je moet wel helder kunnen zien. De ogen van je lichaam hoeven er niet zo scherp voor te zijn, maar wel je innerlijk oog, laten we maar zeggen de ogen van je hart. Daar heb je ervaring voor nodig, levenservaring, jaren van leven, werken, liefhebben, van meerdere generaties. Waar de ogen van het lichaam bij het klimmen van de jaren meestal onscherp worden daar ervaar je bij veel ouderen een helder innerlijk licht, scherpte, doorzicht, aanvoelen. Er is iets grondig mis met onze maatschappij die over ouderen en zieken vooral lijkt te kunnen spreken in termen van kosten. In dit verhaal, in de bijbelse visie is het precies andersom: ouderen zijn onmisbaar om goed en scherp te kunnen zien, de Messias te herkennen, de deur van de toekomst te openen.

 

Jezus, die veertig dagen telt, wordt begroet door twee oude mensen. Eerst Simeon. Hij voelt het einde van zijn leven nabij. Want hij bidt, terwijl hij het licht, de toekomst van zijn volk in zijn armen houdt: “Uw dienaar laat gij, Heer, nu naar uw woord in vrede gaan”. Hij valt niet te prijzen omdat hij zoveel heeft gedaan, gewerkt, gepresteerd. Simeon heeft weten te wachten. Geduldig heeft hij gespeurd naar de verwachte Messias. Simeon ziet de ouderdom niet als een probleem, zoals in onze dagen wel gebeurt. Integendeel, als hoogbejaarde is Simeon – samen met Hanna – de enige die oog heeft voor de toekomst van zijn volk, die het licht herkent.

Daarna Hanna. Zij is profetes, zij profeteert. Een profeet leeft vanuit de rijkdom van het verleden, van de ervaring van jaren, niet om de toekomst te voorspellen, maar om het héden te begrijpen, om te kunnen zeggen wat er nú moet gebeuren. Bij het heilig doopsel en het vormsel zijn wij allen gezalfd om te leven als priester, koning en profeet. Dus om de ervaring, het inzicht te krijgen in wat ons nu te doen staat, wat waar is, wat goed is, wat de liefde van ons vraagt.

Hanna is hoogbejaard (vindt het evangelie: in die tijd was 84 jaar hoogbejaard). “Zij verbleef voortdurend in de tempel en diende God dag en nacht met vasten en gebed”. Een bijzondere levensloop, verdrietig, verborgen, maar ook vol hoop. Na het verlies van haar man legt zij zich toe op vasten en bidden.

Een leven van gebed. Voor ons is dat misschien wat vreemd geworden, een leven van gebed. Mensen die bidden, de tijd nemen, geduld hebben, laten zich niet meesleuren door alles was er te zien en te horen is. Zij luisteren naar binnen, zij overwegen, zij bidden voor anderen, leggen de mensen en hun leven aan God voor.  Zij leven niet bij de waan van de dag. Misschien heeft de wereld, de kerk toch vooral biddende mensen nodig, mensen die proberen te voelen en te denken vanuit de ontmoeting met God, met Jezus.

Bij Hanna, die een biddend leven heeft geleid, is het alsof heel haar leven, al haar geduld, haar verdriet en liefde, haar hoop, gebed en eenvoud hun doel vinden in deze ontmoeting met het kind Jezus. Zonder dit mensenkind, zonder Jezus was haar leven nog niet áf, had haar leven zijn doel nog niet gevonden. Heel eenvoudig en wondermooi staat het er: “Op dit ogenblik kwam zij naderbij, dankte God en sprak over het Kind tot allen die de bevrijding van Jeruzalem verwachtten”.

 

Laat dit feest van de opdracht, de ontmoeting van de Heer, voor ons een nieuwe, hernieuwde ontmoeting worden met Jezus. Opdat wij Hem gaan herkennen in ons gewone leven, of je nu jong bent of oud. Dat we met Jezus voor ogen onze beslissingen nemen, met elkaar omgaan, leven en dood hoopvol tegemoet zien. Amen.

N. van der Peet

 

-----------------------------------------------------

[1] Maleachi 3, 1-4; psalm 24; Hebreeën 2, 14-18; Lucas 2, 22-40


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 18/19 januari 2020

                        tweede zondag door het jaar.[1]

 

Alles lijkt verloren, mislukt. Zo kan het ook gaan in je leven. Ooit was je misschien zo sterk als een leeuw; leek alles te lukken, een groot succes en dan slaat het noodlot toe. Je verliest je baan of je partner, je bedrijf gaat ten onder, je mooie plannen vallen in duigen, de studie van je dromen blijkt een grote vergissing. Van een sterk mens word je kwetsbaar of weerloos.

 

 

Afbeelding: Van Eijk, Lam Gods (detail)

 

 

Een week na het feest van de doop van de Heer blijven wij nog even aan de Jordaan. Wij hoorden een stukje uit het evangelie van Johannes. Anders dan de andere drie evangelisten vertelt Johannes niets over de doop van Jezus. Hij beschrijft niet het uiterlijke teken van de doop, maar hij schrijft wel over wat er innerlijk gebeurd is met Jezus en met hemzelf. Hij geeft Jezus een naam, een titel: “Zie, het Lam Gods dat de zonde van de wereld wegneemt”.

 

In de geloofsgemeenschap van Israël was het lam een heel bekend begrip. Op pasen werden talloze lammeren geslacht. Dat ritueel herinnerde aan de nacht van de uittocht uit Egypte, het paasfeest. Elk gezin moest een lam slachten en het vlug opeten, want het is pasen voor de Heer. Het woord ‘pasen’ betekent: de Heer gaat voorbij. Bloed van het Lam moesten de Israëlieten op hun deurposten smeren. Dan zou de engel van de dood aan hun huizen voorbij gaan. Eindelijk kon het volk ontkomen aan de slavernij, het mensonwaardige leven in Egypte. Door het bloed van het lam.

 

Terug naar de Jordaan. Johannes noemt Jezus het Lam van God. De talloze lammeren die geslacht zijn is teruggebracht tot één. Maar nu geen schattig, weerloos diertje meer, dat je ook kunt zien hangen in de slagerij van de  foodmarkt, maar een mens, een volwassen man, die zich laat dopen in de rivier de Jordaan. Een mens die is als een lam.

 

Dat zíet Johannes de Doper in Hem. De Messias, de Gezalfde van God, de Zoon van God is geen leeuw, geen krachtpatser, die wel eens even orde op zaken zal stellen, maar een mens die de plaats inneemt in deze wereld van de meest weerloze, die op de plaats gaat staan van de meest kwetsbare mensen.

 

Gisteren was ik concelebrant bij de uitvaartmis voor een van de meest zachtmoedige mensen die ik heb ontmoet. Hij was een priester, een monnik, een naamgenoot, pater Nico. Ik leerde hem kennen in het jaar 1977, enkele maanden na mijn eindexamen middelbare school. Als negentienjarige dacht ik na over mijn toekomst. Ik wilde iets doen met het geloof, de kerk, de theologie. Voor het geloof en de kerk was het een moeilijke tijd. De grote ontkerkelijking was in volle gang. Vele gelovigen keerden de kerk de rug toe, veel religieuzen en priesters zochten een nieuwe levensrichting. Er was veel polarisatie, soms dreigde de geloofsgemeenschap te scheuren.

 

In die tijd ontmoette ik pater Nico. Hij was pas in Nederland aangekomen. Bijna twintig jaar lang, van zijn veertigste tot zijn 57ste, had hij geleefd en gewerkt in Rome, als begeleider van jonge theologie- en filosofie-studenten. Hij was een zeer bemind mens. Hij was rustig, nam de tijd voor je, verstond de kunst van het luisteren, sprak weinig. Door zijn buitengewone vriendelijkheid wist hij het beste uit zijn studenten naar boven te brengen. Toen kwam hij na twintig jaar terug in Nederland en ik had het voorrecht, zeg ik terugkijkend, hem te mogen ontmoeten. Hij nam niet deel aan de grote polarisatie, hij bleef zichzelf. Ook hier luisterde hij, trad ieder met vriendelijkheid en geduld tegemoet. In een tijd van ideologie, heftige opinies en heilige overtuigingen was hij zachtmoedig. Geen leeuw maar een lam. Veel heft hij voor mensen gedragen en weggedragen. Door zijn luisteren, zijn inzicht, zijn geduldige, trouwe gebed heeft hij veel hardheid en ruzie weggedragen. Leven als een lam, in het spoor van Jezus, hét Lam Gods. Deze week is hij gestorven, 100 jaar oud. Gisteren is hij begraven in Egmond.

 

“Zie het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt.”

Jezus moet nog beginnen aan zijn dienstwerk. Hij heeft nog maar pas het land van zijn jeugd verlaten en nu al ziet Johannes de Doper voor zich dat Hij zo weerloos zal zijn, zo in crisis zal raken als zo’n offerdier, dat door geweld zal sterven. Daarmee eindigt het evangelie van Johannes de evangelist. Op het moment dat tijdens het paasfeest van Israël de lammeren in de tempel worden geslacht, zal Jezus als een weerloos Lam aan het kruis sterven.

 

Alles lijkt verloren, mislukt. Zo kan het ook gaan in je leven. Ooit was je misschien zo sterk als een leeuw; leek alles te lukken, een groot succes en dan slaat het noodlot toe. Je verliest je baan of je partner, je bedrijf gaat ten onder, je mooie plannen vallen in duigen, de studie van je dromen blijkt een grote vergissing. Van een sterk mens word je kwetsbaar of weerloos.

 

Het leven van Jezus leert ons dat juist die weg er een is die je brengt naar nieuw leven; dat een mens die door die mislukking, die kwetsbaarheid heen gaat, zijn stoere selfmade leeuw-zijn loslaat, opstaat tot een ongekend nieuw bestaan, deze keer niet helemaal op eigen kracht voor elkaar gebokst, maar een leven dat je ontvangt, als een geschenk, een genade.

 

Die weg is Jezus gegaan, de weg van het Lam.

Vandaag begint de Week van Gebed voor de eenheid van de christenen. Het thema van dit jaar is: buitengewone vriendelijkheid. Geen kerk die zich als een leeuw gedraagt, als een rechtzinnige krachtpatser, maar een kerk waarin de buitengewone vriendelijkheid de overhand heeft, een kerk die juist in deze tijd van crisis niet zichzelf krampachtig overeind wil houden, maar vol vertrouwen is op nieuw leven, dat alleen God kan geven.

Zoals Hij nieuw leven gaf aan zijn Zoon, het Lam Gods, dat de zonde, de verdeeldheid, de hardheid van de wereld wegneemt en de toekomst schenkt aan de zachtmoedigen, die het land zullen bezitten. Amen.

 

Nico van der Peet

 

---------------------------------------------------------

[1] Jesaja 49, 3.5-6; psalm 40; 1 Korintiërs 1, 1-3; Johannes 1, 29-34


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 11/12 januari 2020

                       Feest van de Doop van der Heer[1]

 

 

Geef dat ik het kan loslaten, onder ogen zien zoals ik ben met mijn beperktheid, mijn sterfelijkheid, dat ik die uit handen kan geven aan U, aan U kan toevertrouwen. Dat ik niet alles zelf in de hand moet houden. Dat ik niet zelf de regie moet hebben en houden over mijn leven, maar dat U mij regisseert, dat wil zeggen het beste uit mij haalt, en mij zegt, nadat ik me heb durven onderdompelen, heb durven loslaten en geven: ‘Jij bent mijn zoon, mijn dochter, mijn veelgeliefde.’

 

 

Wij hoorden het goed: Johannes wilde niet dat Jezus Zich liet dopen. “Ik heb uw doopsel nodig, en Gij komt tot mij?”

Voor Johannes is de keuze van Jezus een groot vraagteken.

Johannes had de burgers van zijn land opgeroepen hun gewone leven even achter zich te laten, naar de grens van het land te komen, naar de woestijn en de rivier de Jordaan. Neem even afstand. Een beetje retraite zouden wij misschien zeggen. ‘Bezin je, bekeer je.’ Het gaat om het je losmaken van zonde.

 

 

Velen haken dan af als het over zonde gaat. Vooral ouderen. In hun jeugd, op school, in de kerk, in het klooster, in de biechtstoel en vanaf de preekstoel werd de zonde uitvoerig besproken, in al zijn verschijningsvormen. Op den duur kon bijna niemand er meer iets mee. Toen kwam het grote zwijgen over de zonde.

 

Johannes de Doper doorbreekt het zwijgen. Hij lokt de burgers weg uit hun huizen, uit hun eigen gedachten. ‘Kom naar de oever, dompel je onder.’

Waren die burgers van Jeruzalem en omstreken dan zo zondig? Zijn wij dan zo zondig?

 

Geen mens is natuurlijk volmaakt. Af en toe glijd ik uit, soms letterlijk, meestal figuurlijk, in mijn omgang met medemensen. Een scherp woord, een oordeel is zo uitgesproken, soms weet je amper wat je doet en aanricht. Maar bij een ander kan het als een pijl scherp doel treffen. Dat zijn de kleine zonden. Gelukkig komen wij aan heel grote zonden in ons leven meestal niet toe. Houden zo, zou ik zeggen.

 

Maar ik denk dat Johannes de Doper het niet heeft over de kleine overtredingen, waarvoor een gele kaart nog te streng is, onze kleinmenselijke zondetjes, die overigens alles bij elkaar best kunnen schuren en pijn doen en leed veroorzaken. Ik denk dat Johannes op iets anders doelt. Dé zonde. Die heeft weinig of niets van doen met de uit-de-suikerpot-snoepen-zondetjes. Die zonde waarover Johannes spreekt heeft te maken met wie wij zijn. Mensen die weet hebben van leven, van liefhebben, boven zichzelf uitstijgen, maar ook een diepe ervaring hebben van on-af zijn, het niet halen, beperkt zijn, sterfelijk zijn. Kijk mij in stilte, voor bijna iedereen verborgen, tobben met mijzelf, met mijn relaties, met vrienden en kennissen, met mijn kwetsbaarheid, mijn eindigheid, met God.

 

Die mensen nodigde Johannes uit naar de Jordaan te komen, het water in te stappen, zich onder te dompelen. Heel dat getob, tekortschieten, onaf zijn, beperkt, sterfelijk zijn af te wassen; het onder te ogen te zien en jezelf, je naaste, God nieuw te aanvaarden. ‘Neem mij aan zoals ik ben, heb genade met me.’

 

In een vorig leven (ik was net twintig) wilde ik monnik worden. Ik heb het zelfs gebracht tot een eerste gelofte. Met uitgestrekte armen moest je dan voor de abt en het altaar gaan staan en zingen (een regel uit psalm 119): “Neem mij, Heer, zoals ik hier nu ben; sla uw leven als een mantel van licht om mij heen; verlaat mij nooit en doe met mij zoals uw hart U ingeeft”.

Zoiets wil Johannes de Doper de mensen laten meemaken. Dat zij diep gaan met zichzelf, zich laten gaan in de diepte, zich laten dopen.

 

Dat wil Jezus ook. Hij komt naar de Jordaan. We denken zelfs dat Hij leerling wilde worden van Johannes. Maar de Doper wil het niet: ‘ik moet uw leerling zijn, ik heb uw doopsel nodig.’

Hij weet: deze Jezus is helemaal mens zoals wij, maar in Hem is een unieke verdieping. Die stem die Jezus hoort noemt die verdieping bij name: “Dit is mijn Zoon…”Hier staat God Zelf in onze diepte, in ons beperkte, sterfelijke bestaan. Wij zijn niet langer alleen gelaten, in leven en sterven.

 

“Neem mij, Heer, zoals ik hier nu ben. Sla uw leven als een mantel van licht om mij heen”.

Neem mij aan…maar laat er iets met mijn gebeuren. Geef dat ik het kan loslaten, onder ogen zien zoals ik ben met mijn beperktheid, mijn sterfelijkheid, dat ik die uit handen kan geven aan U, aan U kan toevertrouwen. Dat ik niet alles zelf in de hand moet houden. Dat ik niet zelf de regie moet hebben en houden over mijn leven, maar dat U mij regisseert, dat wil zeggen het beste uit mij haalt, en mij zegt, nadat ik me heb durven onderdompelen, heb durven loslaten en geven: ‘Jij bent mijn zoon, mijn dochter, mijn veelgeliefde.’ Amen.

 

Nico van der Peet

 

------------------------------------------------------

[1] Jesaja 42, 1-4. 6-7; Handelingen 10, 34-38; Matteüs 3, 13-17


Verkondiging Openbaring des Heren[1], zondag 5 januari 2020.

                        De Nieuwe Augustinus.

 

 

Over twee koningen vertelt het evangelie van deze feestdag van Driekoningen.

We horen over wijzen uit het oosten (we weten niet precies hoeveel het er waren en waar zij precies vandaan kwamen; het evangelie komt niet verder dan ‘het oosten’), over wijzen die een pasgeboren koning zoeken. Je kunt ook lezen: een geboren koning. Zij zijn op zoek naar een koning die het ook echt is. Niet eentje die zich als koning heeft verkleed, voor veel geld een paleis laat bouwen of renoveren, zich als een koning gedraagt. Geen staatshoofd die met veel precies uitgekiend geweld zijn tegenstander elimineert, op het politieke toneel met vuur speelt, maar een koning die het van nature, van binnen, in zijn hart en ziel, in zijn geest en mentaliteit ook echt ís. Die mensen kun je vinden in deze wereld, als je goed zoekt, als je zo wijs bent dat je geduldig zoekt. Driekoningen is het feest van de zoekers.

 

Zij zeggen: “wij hebben zijn ster in het oosten gezien en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen”. Theologen en geschiedkundigen hebben zich suf gedacht over die ster. Onze bisschop schrijft over oude Chinese teksten waarin over zo’n ster in die jaren wordt geschreven. ‘Zie je’, schrijft hij, ‘het is dus echt gebeurd’. Als de bisschop het schrijft wil ik het geloven.

Maar wat heb ik eigenlijk gewonnen als het bewezen wordt? Wat doet dat met mij? Kom ik er zelf door in beweging?

Toch lijkt dat me de bedoeling. Wij vieren onze christelijke feesten om zelf veranderd te worden, in beweging te komen, anders te gaan zien, te gaan leven, ons te bekeren. Christelijk geloof is geen archeologie of een geschiedkundige studie. Het geloof wil mij verlossen, bevrijden, in beweging brengen, meer mens maken. Zo menselijk maken als Jezus, in wie God mens is geworden.

Elk jaar vieren wij het feest van deze wijze mensen die op zoek waren naar de geboren koning, opdat wij zelf per jaar steeds wijzer worden, steeds beter zoeken.

 

Zij zoeken naar de geboren koning in een wereld die geregeerd wordt door een man die koning geworden is, die zichzelf omhooggewerkt heeft, alles op alles heeft gezet om in de gunst van de keizer te komen. Daarin is Herodes over lijken gegaan, zelfs over de lijken van de kleine jongetjes van Bethlehem, die hij na ons verhaal van vandaag zal laten vermoorden, omdat hij zeker wil zijn die jonge, geboren koning uit te schakelen, nog voordat mensen Hem zullen vinden, liefhebben, volgen, hun leven door Hem laten veranderen.

 

Maar wij weten het: deze geboren koning zal voorlopig aan het geweld van Herodes ontkomen. De wijzen uit het oosten hebben geluisterd naar de droom die hen waarschuwt. Ga niet terug naar die koning Herodes, die sluwe vos, die probeerde jullie voor zijn karretje te spannen. Kies een andere weg naar huis. De volgende voor Jezus reddende droom krijgt Jozef: vlucht met de Moeder en het Kind naar Egypte. Duik onder tot het geweld voorbij is. Duik onder zoals in later eeuwen talloze joodse kinderen en volwassenen moesten onderduiken voor de Herodes van hun dagen.

 

De wijzen uit het oosten en Jozef hebben geluisterd naar hun reddende dromen. De wijzen hebben ook geluisterd naar de bijbel. U hoorde het. De geschrokken Herodes laat alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk naar zijn paleis komen. Is dat ergens te lezen waar die geboren koning geboren moest worden? Hier in het paleis van Jeruzalem is niemand als koning geboren. “Naar Bethlehem moet ge dan gaan”. Niet naar Jeruzalem, niet naar het keizerlijke Rome of het presidentiële Washington, maar naar Bethlehem, de stad van David, laag gelegen in tegenstelling tot het hoogverheven Jeruzalem, even verderop. “Daar zal een leidsman tevoorschijn treden, die herder zal zijn over mijn volk Israël”.

 

“Over mijn volk Israël.”

Zeker, de Israëlieten gaan voor. Eerst mochten de herders van Bethlehem Jezus bezoeken. Vandaag zijn de wijze mensen van buiten, uit de andere volkeren, zijn ook wij aan de beurt. Aan de beurt om te knielen niet voor de wereldleiders die met vuur en geweld spelen, maar voor een ander zicht op de wereld, dat van het Kind, geboren uit een koninklijke familie van herders, die met liefdevolle, vaste hand de schapen leiden. Een herder die goud ten geschenke krijgt: het goud voor de koning. En wierook: omdat Hij van God komt. En mirre, dat je de doden meegeeft: op een dag zal Hij niet meer kunnen ontkomen aan de koning van deze wereld, de Herodes van zijn dagen, die Hem zal laten doden. Als een herder die tot in de dood trouw blijft aan zijn mensen.

Mogen wij deze geboren koning volgen, mogen wij wijze mensen worden, moge onze wereld met wijsheid bestuurd worden. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------------------

[1] Jesaja 60, 1 - 6; psalm 72; Efeziërs 3, 2 - 3a. 5 - 6; Matteüs 2, 1 - 12