Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 17 mei 2020

                      zesde zondag van Pasen - livestream[1]

 

 

Wij leven in een tijd waarin reizen naar het buitenland bijna niet mogelijk is. Een tijd dus om terug te denken aan mooie reizen in het verleden. De reis die mij als de mooiste van mijn leven in mijn herinnering opkomt is die naar Suriname in het jaar 2001. Ik was onder andere te gast bij Pater Toon Tedorsthorst, een Nederlandse priester die zijn hart heeft verpand aan het het volk en de kerk van Suriname. Begin juni is hij 50 jaar priester. Hij zou het feest ook in Nederland vieren met familie en vrienden. Ik zou gaan concelebreren. Maar hij mag niet reizen. Het feest is uitgesteld.

 

In 2001 mocht ik met hem meereizen door het binnenland van Suriname, zijn parochie. Een onmetelijk grote parochie, bestaande uit meerdere kleine dorpen verspreid over het eindeloos uitgestrekte Surinaamse binnenland, dat de Surinaamse stadsbewoners zelf omschrijven als een bloemkolenveld, maar voor een stadsjongen uit de Randstad Holland is het adembenemend mooi. Een enorm gebied is het werkterrein, de parochie van deze pater. Amsterdam-Noord is heel groot, maar verbleekt qua omvang bij zijn werkgebied. Veel dorpen, gelegen midden in het bos of aan een van de prachtige rivieren, waarin je je ’s ochtends moet baden, bij gebrek aan douche en badkamer. Sommige dorpen zijn zo afgelegen dat de priester dit maar één keer per jaar kan bezoeken. Eén of twee eucharistievieringen per jaar. Deze dagen van gesloten kerken en missen voor de camera moet ik vaak aan die dorpsgemeenschappen denken. Wanner je als priester aankomt zijn de dorpelingen blij je te zien. De ontmoeting is belangrijk, met de pater en de parochianen onderling. Zo is het ook bij ons. Wij missen de gezamenlijk gevierde eucharistie in ons kerkgebouw, de ontmoeting met de Heer in het Woord en het Sacrament van de eucharistie en wij missen de ontmoeting met elkaar, ook voor en na de viering.

Wij zijn een beetje verweesd. U van het samenzijn rond het altaar en met elkaar; wij, diaken René en ik van uw aanwezigheid, de organist van het koor en omgekeerd, de koster van de parochianen.

 

De liturgie van vandaag loopt vooruit op de hemelvaart van Jezus, die wij aanstaande donderdag vieren. Jezus zegt: “Ik zal u niet verweesd achterlaten: Ik keer tot u terug”.

Voelen die parochianen, die katholieken in het binnenland van Suriname met die ene of twee eucharistievieringen per jaar zich verweesd? Houdt hun geloof stand, verwatert het niet? Integendeel, hun levend geloof maakte diepe indruk op me. Het was een geloof gevoed door uitgediept verlangen. Hun parochiegemeenschap was een geestelijke communie, een gemeenschap die leefde uit de kracht van de heilige Geest. “Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer; gij echter zult Mij zien, want Ik leef en ook gij zult leven”.

 

Jezus is niet meer lijfelijk aanwezig en ook zijn sacramentele lichaam, de heilige Communie, kunnen de meeste gelovigen deze weken niet ontvangen. Maar ons is de Geest gegeven, de Helper. Wij hebben de Geest ontvangen bij het doopsel en bij het vormsel.

 

Nu moet ik bijzonder denken aan de jongeren van onze parochie die zich voorbereiden op het ontvangen van het sacrament van het Vormsel. Juist in deze moeilijke weken komt het er op aan dat alle gelovigen jullie een goed voorbeeld geven, jullie ouders en wij, jullie mede-gelovigen. Dat we ons geloof, onze hoop en onze liefde vooral trouw blijven, vasthouden. We hoorden het: Jezus heeft bij het laatste avondmaal, in de laatste avond van zijn leven voor ons gebeden, opdat wij het volhouden ook als wij Hem niet meer zien en Hem een tijd niet kunnen ontvangen.

 

Nu de kerk gesloten is, de Heer in de heilige Communie ver weg en niet bereikbaar, mogen we proberen thuis een kleine kerk te zijn, waar je probeert, misschien wat verlegen nog, samen te bidden, al is het maar een Onze Vader en een Wees gegroet.

Of ’s avonds een gebed over de dag die voorbij is. In zo’n gebed, samen aan tafel of de keukentafel, in zo’n gezinsgebed kan elk van de kinderen en kunnen de ouders opnoemen wat er die dag goed gegaan is en God daarvoor bedanken en daarna opnoemen wat er niet goed ging of wat tegenviel. Dan kun je kracht vragen voor de dag van morgen. Zo krijgt de heilige Geest die Jezus ons beloofd heeft, de kans in ons te blijven, in ons gezin, de huiskerk. Dan krijgt de heilige Geest van God en van Jezus de kans ons geloof, onze hoop en onze liefde sterker te maken.

 

Die reis naar Suriname was onvergetelijk. Elke eucharistie die ik daar mocht vieren was een intense ontmoeting met de Heer. “Ik zal u niet verweesd achterlaten: Ik keer tot u terug”.

Laten wij zoals onze medekatholieken op ver afgelegen plekken, leven uit verlangen, uit de kracht van de heilige Geest die ons bij het doopsel en vormsel geschonken is, of, aan onze vormelingen geschonken zal worden. Laten wij onze kerk thuis trouw blijven en sterker maken

en verlangen naar het weerzien in dit huis van God. Amen

 

N. van der Peet

 

---------------------------------------------------------

[1] Handelingen 8, 5-8. 14-17; 1 Petrus 3, 15-18; Johannes14, 15-21


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 3 mei 2020

          vierde zondag van Pasen, Roepingenzondag[1] - livestream

  

In de lezingen van deze vierde zondag van Pasen, Roepingenzondag, worden een paar harde noten gekraakt. Na de kruisdood en verrijzenis van Jezus, op het pinksterfeest, draait de apostel Petrus er niet om heen: de Jezus die u gekruisigd hebt heeft God tot Heer gemaakt en tot Messias. Hij confronteert een groep tijdgenoten met hun beslissing Jezus te laten vallen. Wat kunnen wij nu nog doen?”, vragen zij schuldbewust. Het antwoord van Petrus is onomwonden: bekeer je en laat je dopen. Was dat oude bestaan met zijn onzalige beslissingen af. Maak een nieuw begin.

In de tweede lezing horen we het nog eens: “het is ook uw roeping, want Christus heeft voor u geleden en u een voorbeeld nagelaten: je moet in zijn voetstappen treden”.

Petrus vraagt ons net als Jezus niet terug te slaan of te schelden, niet anderen onder druk te zetten om volgens onze opvattingen te leven, te denken of te geloven, maar zelf te veranderen, je te bekeren: “want u was verdwaald als schapen, maar nu bent u bekeerd tot de herder en behoeder van uw zielen”.

 

Sommigen mensen zijn teleurgesteld in paus Franciscus. Zij hadden gedacht dat hij de kerk zou hervormen, allerlei regels zou veranderen, of zo u wilt moderniseren. Maar wat blijkt? Volgens hem gaat het er niet om dat er regels worden veranderd. Alsof dat ons zou verder helpen, iets te doen aan regels. Als het daarbij zou blijven dan kan ik rustig met mijn armen over elkaar blijven zitten en toekijken. Nee, volgens hem moet de kerk niet haar regels hervormen, maar zij moet zich bekeren. Kerk wij samen, wij worden uitgenodigd onszelf te hervormen, te bekeren.

 

Vlak voor het begin van ons evangelie van vandaag zegt Jezus tot een aantal farizeeën, vrome tijdgenoten: “Een duidelijke beslissing ben Ik in deze wereld komen brengen[2]”

Daartoe is Jezus gekomen: om een beslissing te vragen van de mensen, een persoonlijk besluit, een persoonlijk moment van bekering, oordeel.

 

Sommige zich christenen noemende mensen beweren dat de crisis die wij nu beleven een oordeel van God is over een zondige wereld. Laatst ging de paus in op deze gedachte. Zijn antwoord was: ‘deze crisis is geen oordeel van God. Nee, van ons wordt een oordeel gevraagd, een beslissing, een bekering. De corona-crisis zet ons leven goeddeels stil en vraagt van ons bezinning, nadenken, evalueren. Hoe heeft ons leven zich ontwikkeld, onze maatschappij, onze zorg voor elkaar, bijzonder voor de zieken, de ouderen, de armen? Welke bekering hebben wij nodig om elkaar beter te kunnen dienen, de armen verder te helpen, de zieken te verzorgen, de aarde, het klimaat, onze leefomgeving te redden van de ondergang?

 

“Een duidelijke beslissing ben Ik in deze wereld komen brengen,” zegt Jezus tegen de mensen.

Daarna spreekt Hij over Zichzelf als herder. Een herder die van zijn schapen, zijn kudde, van u en mij een beslissing vraagt. Achter wie loop je aan? Achter dieven en rovers die er vóór Jezus waren en ook na Hem in overvloed de kop op steken. Morgen is het 4 mei, de dodenherdenking en daarna 5 mei, bevrijding. Wij denken eraan terug hoe dieven en rovers deze wereld en ook ons land, onze stad zijn binnengekomen.

Mensen werden voor angstwekkende beslissingen geplaatst. Durf ik het op te nemen voor mensen die zo weerloos zijn als schapen, vooral de volksgenoten van Jezus, de Joden, of kijk ik de andere kant op en pas ik me aan of, nog erger, doe ik mee aan het rovers- en moordenaarswerk?

 

Ook het gedenken en vieren van 4 en 5 mei in deze corona-crisis plaatst ons voor een duidelijke beslissing. Welke manier van leven zal ik kiezen als deze moeilijke dagen voorbij zijn? Gaan we terug tot de orde van de dag, onze oude manier van leven, of nemen we een beslissing, komen we tot bekering, een verstandig oordeel voor het welzijn van de mensen en aarde? Investeren we in een kopie van wat we hadden of in een houdbare, duurzame manier van leven die ook een toekomst garandeert voor onze kinderen en hun kinderen?

 

In de katholieke kerk wordt vandaag Roepingenzondag gevierd. We doen dit al vanaf 1964. Toen begon zichtbaar te worden dat het aantal roepingen tot het priesterschap, het diakenambt en het religieuze leven, het kloosterleven drastisch afnam. Wat je eraan kunt toevoegen is de roeping tot het sacrament van het huwelijk. De kerk kent twee sacramenten die met onze  levensstaat te maken hebben: het huwelijk en de wijding. Als de één in crisis is dan de ander ook. Er worden weinig priesters gewijd en weinig sacramentele/kerkelijke huwelijken gevierd. Beiden: het huwelijk en het gewijde ambt/religieuze leven zijn persoonlijke roepingen. Je kiest ervoor in navolging van Jezus, die als een echte Bruidegom uit liefde zijn leven heeft gegeven voor zijn mensen, zijn schapen, zijn kudde, als een goede herder die ieder van ons kent bij onze naam.

Voor welke keuzen wij in ons leven ook gesteld worden, of we nu jong zijn of al wat ouder, laten we Jezus voor ogen houden, de Goede Herder, die ons oor zoekt en ons hart, die ons roept, in elke fase van ons leven en om onze beslissing vraagt.

En bidden we in deze Meimaand om de voorspraak van Maria: dat wij zoals zij heeft gedaan, ruimhartig antwoorden en trouw zijn aan onze roeping. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------------------------

[1] Handelingen 2, 14a-36-41; psalm 23; 1 Petrus 2, 20b-25; Johannes 10, 1-10

[2] Johannes 9, 39: het Griekse woord ‘krima’: beslissing, oordeel, beoordeling, scheiding


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                        Derde Zondag van Pasen, 26 april 2020

 

“Wat is dat voor een gesprek dat gij onderweg met elkaar voert?”

Twee leerlingen van Jezus hebben op de eerste paasdag, die wonderlijke zondag, Jeruzalem verlaten. “Zij spraken met elkaar over allen wat was voorgevallen.” Zij moeten het van zich àf praten. Dat is heel begrijpelijk. Wat zij hadden meegemaakt was verschrikkelijk. Zij hadden zo gehoopt dat Jezus degene zou zijn die Israël, hun volk, ging verlossen. Maar de grootmacht van die tijd had Hem de voet dwars gezet: geen verlossing, geen bevrijding, maar keihard ingrijpen. Jezus was de dood van de slaven gestorven, de onderworpenen van die wereld, aan het Kruis. Onderling gekonkel van politieke en -God beter het- religieuze leiders.

 

“Wij hadden zo gehoopt…”

Ze laten die drie dagen van lijden, sterven, graf achter zich, als een boze droom, een trauma dat zij moeten verwerken. “Zij spraken met elkaar over alles wat was voorgevallen”.

Dat doen wij ook. Daar hebben wij behoefte aan. Dat helpt je op den duur om ook de moeilijkste en pijnlijkste gebeurtenissen uit jouw leven te verwerken. Ook wij praten over alles wat is voorgevallen. Deze weken vaak aan de telefoon of bij een zoom-gesprek aan de computer, dan kun je jouw gesprekspartners ook zien, of bij skype. We spreken met elkaar over alles wat is voorgevallen.

 

De jongeren of ook wat oudere mensen weten niet wat hun overkomt. De zeer oude mensen weten het beter. Wat is het toch verstandig de ouderen aan het woord te laten en niet alleen de soms onberaden snelle praters in onze vele palaver-shows, die je, als je niet uitkijkt, afhouden van een goed boek of het gebed.

Ouderen weten de ellende van vandaag in perpectief te zien, te relativeren. “Ook in de oorlog moesten we binnen blijven, maar nu hebben we te eten. Ook toen liep ons leven gevaar, maar toen waren het mensen die het ons aandeden. Nu spannen mensen zich in, met alles wat ze in zich hebben, het geweld van de dood te bestrijden. Nu beleven we weer iets van dat geduld dat we ook toen - we waren nog maar kinderen - moesten opbrengen”.

 

Twee leerlingen van Jezus.

Zij voeren hun verdrietig gesprek van hoop die is teleurgesteld. ‘Zie je wel, deze wereld kan niet veranderen, kan zich niet bekeren. Uiteindelijk gelooft ze alleen in macht, in geweld; houdt zij de hoopvolle gewone mensen in bedwang.’ Maar in hun teleurstelling en verdriet zijn zij niet alleen. Iemand voegt zich bij hen, loopt met hen mee, luistert naar het verhaal over alles wat in hun leven is voorgevallen. Eerst herkennen zij Hem niet. Maar het doet hun goed, dat gesprek, die man die weet te luisteren en die hun ervaringen in een groter verhaal weet te plaatsen. Hij haalt Mozes en de profeten erbij, heel het verhaal van de geschiedenis van hun volk. Zoals onze oude mensen doen, die iets hebben meegemaakt, die weten te relativeren, een groter verband weten te zien, opdat wij niet in paniek raken of in te grote stress schieten van wat wij hier en nu meemaken.

 

Dat gesprek tussen Jezus, die als ‘vreemdeling’ is, en die twee mannen wordt warempel een hele dienst van het woord. Zoals ook wij elke zondag in de kerk hebben. Eerst luisteren wij naar Mozes en de profeten en tenslotte naar Jezus. Pas daarna gaan wij aan de altaartafel. Eerst mogen wij die mooie, leerzame, troostrijke verhalen horen.

 

Zo kan het bij u, bij jullie aan tafel ook gaan, als je de teevee even zacht zet en de smartphone op stil. Dan kun je naar elkaars verhalen luisteren. Mijn moeder kon eenvoudig en heerlijk koken én ze kon voortreffelijk verhalen vertellen. De dienst van het woord, de verhalen, en de dienst van de tafel lopen in elkaar over. Ze vragen Jezus: “blijf bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde”. Dan volgt de dienst van de tafel. Hij breekt het brood. Da herkennen zij Hem eindelijk. Hij die aan het kruis gestorven was breekt nu het brood. Hij leeft. Heel anders dan vóór Goede Vrijdag, maar Hij is in ons midden aanwezig. Hij breekt voor ons het brood.

 

Dadelijk doen wij dat ook, zoals elke zondag, elke dag. Jezus is bij ons. Wij hoeven niet alleen te blijven met onze verdrietige verhalen, onze teleurstelling. Hij tilt ons op uit ons eigen kleine verhaal, hoe aangrijpend ook. Hij tilt ons op tot het grote verhaal van verlossing, de bevrijding uit onderdrukking, kwaad, zonde en dood. Daarom is het goed om, nadat je onder elkaar over alles hebt gepraat, ook even te gaan bidden. Die onzichtbare Heer, die bij ons is, met ons meeloopt ook al zien wij Hem niet, erbij betrekken. Aan Hem ons verhaal voorleggen. ‘Wij hadden zo gehoopt, Heer.’ En dat niet alleen. Ook met Hem aan tafel gaan, waar Hij voor ons het brood breekt, waar wij Hem mogen herkennen. Nu alleen nog maar op een afstand, via de livestream of de teevee. Ik smacht ernaar dat het spoedig weer kan met een door u gevulde kerk. Nu we het moeten missen leren we weer hoe noodzakelijk en onmisbaar het is: dat Jezus, de verrezen Heer, ons het brood kan aanreiken, het gebroken Brood dat Hijzelf is.

 

Opdat wij weer - zoals die twee leerlingen van Emmaüs - de kracht krijgen op te staan; op de schreden van ons verdriet, onze teleurstelling terug te keren en naar de stad terug te gaan, de stad die heet ‘Stad van Vrede’, - getroost, gesterkt door Jezus. God heeft Hem doen verrijzen, zoals Petrus in de eerste lezing verkondigt, na alle pijn en ellende en duisternis van het graf; die ons heeft verlost, zoals we in de tweede lezing horen, niet door goud en zilver. Wij dachten wel eens dat alleen de miljarden euro’s en dollars ons konden redden. Wij zijn verlost door Iemand die zijn kostbaar bloed voor ons heeft vergoten. Wij worden verlost door liefdevolle mensen die, in navolging van Jezus, Zichzelf geven. Zo worden wij verlost door Hem die ons hart doet branden door de manier waarop Hij de Schrift voor ons uitlegt en die wij mogen herkennen aan het breken van het brood. Amen.

 


Verkondiging Paaszondag, 12 april 2020[1]

 

‘Doet het oude zuurdeeg weg om vers deeg te worden.’

Veel mensen beginnen deze dagen en weken van thuis zitten iets nieuws.

Ze lezen een boek dat al tijden ongelezen in de kast stond, ze gaan een taal leren, ze gaan weer eens een brief schrijven aan een bijna vergeten, verwaarloosde vriend of familielid; ze ontdekken het gebed weer en de rozenkrans of ze gaan zelf brood bakken. Velen gaan terug naar basale dingen van het leven. We leren hoofd- en bijzaken te onderscheiden.

 

Over brood bakken schrijft Paulus in de tweede lezing van deze Paaszondag.

In elke gelovige joodse familie is het in de aanloop naar Pasen een heel gedoe. Meestal bonjouren de vrouwen hun echtgenoten en kinderen het huis uit. Ze mogen niet in de weg lopen. Het huis wordt grondig schoongemaakt. Het oude zuurdeeg moet weg.

‘Doet het oude zuurdeeg weg om vers deeg te worden.’

Op Pasen wordt ongezuurd brood gegeten. Er was in die laatste nacht in het slavenbestaan van Egypte geen tijd het deeg te laten rijzen. Ze moesten vlug weg trekken uit dat oude, versleten, doorgedraaide, verslaafde angstland. Daarom eten velen op Pasen de matzes. Daarom is ook ons hostiebrood ongezuurd.

 

‘Doet het oude zuurdeeg weg om vers deeg te worden.’

In deze weken hebben wij abrupt afstand moeten nemen van ons oude leven. Zo abrupt als de Israëlieten eertijds in Egypte. Trek weg uit dit bestaan waar de dood op de loer ligt. Wij, sociale wezens die we zijn, moeten ons afzonderen. We moeten op onze hoede zijn voor deze ziekte waarvan wij maar heel moeizaam of helemaal niet genezen. Wij moeten de strijd aangaan met de dood. We moeten ons van heel veel van ons oude, vertrouwde bestaan ontzeggen, om ons leven te redden en vooral het leven van de zwaksten in ons midden, de oude mensen, de zieken. Het vormt het hart van onze beschaving: dat wij dat voor hen, voor elkaar over hebben. Onze samenleving zou - om het eens heel Hollands uit te drukken - door het ijs zakken, als wij voor ons persoonlijk voordeel en plezier zouden kiezen en hen opofferen.

 

Meer dan op alle andere paasfeesten worden wij eraan herinnerd dat Pasen een strijd is geweest voor de Israelieten die wegtrokken uit Egypte, en voor Jezus die met het kruis op zijn schouders wegtrok uit de stad. Het werd zojuist gezongen: “Mors et vita duello conflixere mirando” Je hoeft geen Latijn te hebben geleerd om dit te verstaan. Een duello, een duel op leven en dood, conflixere mirando, een hard conflict. “Dood en leven, o wonder, moeten strijden te zamen”.

 

Wij horen in het evangelie van deze Paasmorgen de uitkomst van het duel. Het graf staat open. “Op de eerste dág van de week kwam Maria Magdalena

   vroeg in de morgen - het was nog donker - bij het graf

   en zag dat de steen van het graf was weggerold.”

De steen is weggerold. Wat voor eeuwig muurvast leek te zitten, is weggerold. Er bleek toch een uitweg voor de dode.

 

Dat is onze hoop: dat de zware steen die op ons bestaan drukt, op onze samenleving, ja op heel de wereld, zal worden weggerold. Tallozen zetten al hun krachten in, de kracht van hun liefde, hun dienstbaarheid, niet bezig met eigen voordeel of plezier, maar met de redding van anderen. Zo bouwen we aan een nieuwe wereld, waar het oude zuurdeeg definitief is weggegooid, het zuurdeeg van oorlog, wapenindustrie, milieu-verwoesting, hebzucht, egoisme, verspilling; nieuw leven, in de wereld van Pasen, de wereld van de opstanding uit ziekte en dood. Door kleine daden van barmhartigheid, menselijkheid, opoffering, zelfbeheersing, geduld, gebed. Zo kan de zware steen van de dood worden weggerold. Zo kan de mens opstaan en een uitweg vinden naar buiten. Hij is verrezen, ja waarlijk verrezen! Amen. Alleluia!

 

 

--------------------------------------------------

[1] Hand., 70, 34a. 37-43; 1 Kor., 5, 6b-8; Johannes 20, 1-19


Verkondiging in de Paaswake, 11 april 2020

 

God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen.

 

Zo eindigt de zesde scheppingsdag. U zag een bijzonder detail van het tweede raam, links achter mij, gewijd aan de schepping. Onderin dat raam zie je, als je scherp en rustig kijkt, een opgekruld mensje. Adam. Dat betekent zijn naam ook: Adam, mens, aardwezen, uit aarde geboetseerd. Er moet alleen nog adem, leven, ziel, bezieling komen in die mens. Die slapende Adam moet tot leven komen.

Zo eindigde de zesde dag van de week volgens de telling van het eerste testament, de vrijdag. Adam, de nieuwe Adam, was ontslapen op het kruis. Zijn zijde was geopend, zoals van de eerste Adam. Eva, zijn partner, zijn geloofsgemeenschap, zijn volk, zijn kerk werd geboren uit zijn door een lans geopende zijde. Uit het geweld van de dood is gemeenschap, zuster- en broederschap ontstaan. ‘Vrouw, zie daar uw zoon; Zoon, zie daar uw Moeder.’

Toen gaf Hij de geest. Aan ons schonk Hij zijn Geest.

 

Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. Op de zevende dag had God zijn werk voltooid, op die dag rustte Hij van het werk dat Hij gedaan had.

De zevende dag. Hij rust. Het werk is af. Het scheppingswerk is voltooid én het verlossingswerk.

Ze hebben Hem in een graf gelegd, gewikkeld in doeken. Dat was het dan, zouden velen of misschien wij zelf ook soms stilletjes, stiekem zeggen. Dood is dood. Een mislukt project.

Maar, een rechtvaardige joodse man heeft zijn deftige graf ter beschikking gesteld, een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was neergelegd. Een joodse man die leefde in de verwachting van Gods koninkrijk. Iemand dus die de hoop niet had verloren, die geloofde dat dit het laatste niet is, dat onze God een God van levenden is.

De zevende dag, de dag van de rust, het loslaten van het werk. In het Hebreeuws, sabbath, staken; het is volbracht.

Die lange stille zaterdag, paszaterdag loopt, nu de zon ondergaat, ten einde. Het is de enige sabbat die wij christenen, onderhouden, samen met onze joodse zusters en broeders. Een dag van stilte, wachten en misschien wel verwachten.

 

Vroeger wilden we misschien wel liever van de avond van Goede Vrijdag zo vlug mogelijk overspringen naar Paaszondag. Die lange stilte van het graf, de dood wilden we liever verdringen, brr, gauw vergeten, leven, genieten, pluk de dag, want voor je het weet zijn we allemaal dood.

 

Maar deze weken en wie weet hoevelen er nog zullen volgen, beleven wij de stille zaterdag.

Onze luchthaven is tot zwijgen gekomen, de vliegtuigen staan strak in het gelid geparkeerd; het wordt avond en het wordt ochtend en er is geen spits; de opera, het ballet, de bioscoop zijn gesloten, al onze vakantie-planningen en theater-abonnementen weggesmolten.

Wij wachten, wij verlengen ons wachten.

In stilte wordt er geleden, op de intensive care, in gesloten afdelingen van verpleeghuizen, in particuliere woningen, mensen geïsoleerd of stil verdrietig omdat zij hun partner, hun ouders of grootouders; hun kinderen en kleinkinderen niet mogen aanraken, aan hun hart drukken. Wij beleven een lang wachten met gesloten scholen, gesloten kerken. En we moeten dat doen, geduldig, vastberaden, met een stil hart vol liefde, toewijding, gebed. Opdat de dood zo min mogelijk kans krijgt.

 

Sommigen zeggen: ja de dood is er nu eenmaal, daar moet je nu eenmaal mee leven. Meestal zijn het vitale mensen die in veilige huizen leven en verzekerde salarissen genieten, die dat met hun licht filosofische inslag zeggen.

Maar nee, volgens de oudste bronnen van onze beschaving is de dood de laatste vijand, waartegen een mens moet strijden, zoals de mensen met de belangrijkste beroepen in onze wereld ook doen, dag en nacht, ons tot heil en genezing. Zoals Jezus gedaan heeft, goddelijke geneesheer, die moest huilen om de dood van zijn vriend, die het lijden niet kon aanzien en de strijd is aangegaan, alleen man tegen man.

 

Nu rust Hij op deze lange stille sabbat, zaterdag die wij beleven. Maar ooit is die langgerekte tijd voorbij en staat het graf open, mag Adam, de mens, vrouwen en mannen naar buiten, heerlijk in het witte licht van de paasmorgen. Hij is verrezen, Alleluia, Amen. 


Goede Vrijdag, 10 april 2020, Meditatie

 

Goede Vrijdag is de dag van het grote gemis.

Meer dan ooit ervaren wij het dit jaar.

Elke Goede Vrijdag is de kerk op dit uur goed gevuld met vele parochianen en gasten die Jezus nabij willen zijn in hun hart en geest en ook heel fysiek, op zijn lijdensweg, zijn kruisweg.

 

Dit jaar is de kerk bijna leeg. Een camera staat aan, trouw en zorgvuldig bediend door Nando; zijn vader, diaken René is hier, Victor onze vriendelijke en begaafde organist en ik. Het is een dag, het is een tijd van gemis die wij beleven.

 

Af en toe spreek ik een parochiaan aan de telefoon, iemand die even zomaar wil praten en vragen hoe het met me gaat (dat doet deugd!), een zieke, iemand in de rouw om een pas gestorven dierbare, een stervende. Velen zeggen of schrijven: ‘ik mis de kerk, het samenzijn, elkaar ontmoeten, een hand geven; ik mis de heilige Communie, Christus te mogen ontvangen.’

Deze tijd leert ons weer te verlangen naar de Heer, die zijn leven, zijn Lichaam en Bloed voor ons heeft gegeven, uit liefde. Wij gingen misschien wel eens niet al te aandachtig en toegewijd te communie. Nu leren we weer naar die ontmoeting met de Heer te verlangen.

 

De kerk vraagt van de priesters elke dag, behalve natuurlijk Goede Vrijdag, toch de eucharistie te vieren. Dat doe ik zo trouw mogelijk. Maar soms zou ik er wel mee willen ophouden, om solidair te zijn met allen, die niet naar de viering mogen komen. Maar zeker, ik doe met liefde mijn plicht en ga door, zo vaak mogelijk met de camera aan, die prachtige, nieuwe moderne camera, die een parochiaan die anoniem wil blijven, ons heeft geschonken.

 

Het is een groot gemis: vrijwel niemand mag bezocht worden in ziekenhuis of verpleeghuis. Het lichaam van Christus mag ik dan aan het altaar ontvangen, maar ik mis het levende lichaam van de kerkgemeenschap, en de zieken, de eenzamen die niet bezocht mogen worden.

 

Het Lichaam van Christus. Met elkaar verbonden dit uur van Jezus’ sterven zien wij op naar het kruis. Naar het levenloze Lichaam van Jezus, vernederd, gegeseld, met doornen gekroond, doorstoken, in de armen, in de schoot van zijn moeder gelegd.

 

Er vloeide water en bloed uit zijn zijde, verhaalt een evangelie. Water doet ons denken aan de doop, waardoor wij bij Jezus’ Lichaam, de kerkgemeenschap, gaan horen. Bloed: de stroom van zijn liefde, waarvan wij proeven als wij te communie gaan.

Vanaf het Kruis staat zijn hart open, heeft Hij zijn armen naar ons uitgestrekt, om ons te ontvangen, te troosten. Vanaf het Kruis is Jezus zijn kerkgemeenschap begonnen.

 

Zijn stervend Lichaam geeft de geest…aan ons, zijn levende Lichaam. Hij zegt tegen zijn meest geliefde leerling Johannes, die samen met Maria bij het kruis staat: ‘Zie daar uw Moeder’. En tegen zijn bedroefde Moeder: ‘Zie daar uw Zoon.’

Machteloos gemaakt, vastgenageld hangt Hij aan het Kruis. Maar zijn geest is vrij. In alle ellende sticht Hij nieuwe gemeenschap. Hij alleen kan ons redden. Wij dachten misschien stiekem dat we onszelf konden bevrijden. Laten we ons in ons gemis van deze dag en van deze weken dit weer te binnen brengen: Hij alleen kan ons redden. Amen.


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                       Witte Donderdag, 9 april 2020, livestream[1]

 

Het paasverhaal van Israël, dat wij hoorden uit het boek Exodus in de eerste lezing, spreekt over de plaag waardoor Egypte werd getroffen. Het was de tiende en de laatste plaag: de dood zelf ging rond door Egypte, door die enorme samenleving, die prachtige cultuur met zijn formidabele tempels en paleizen, zijn landbouw aan de oevers van de Nijl, die tallozen kon voeden.

In Egypte ging het om de economie, om het machtsvertoon van de farao, de almachtige tot god verheven koning. Mensen waren volkomen ondergeschikt gemaakt aan de economie. De Egyptenaren zelf en zeker ook de tweede rang-burgers, de Israëlieten. Zij waren niet meer dan slaven van een economisch systeem dat mensen ziet als wegwerp-wezens. Voor jou een ander.

Deze week hoorde ik over daklozen in Las Vegas. Ook zij worden door de plaag van onze dagen, het corona-virus, geslagen. Zij kunnen niet langer ongecontroleerd rondzwerven door de stad, veel te gevaarlijk, voor de burgers in hun huizen en appartementen. Wat moest er met die daklozen gebeuren? Er verscheen een foto: zij waren in een parkeergarage samengebracht, in quarantaine. En de hotels waren leeg. Maar de daklozen kunnen niet in een hotel. De wegwerpcultuur in praktijk.

 

Onze eerste lezing vertelt: zo kon het niet doorgaan in Egypte. Er kwamen plagen, de een na de ander. Er kwam hagel en storm, er vloeide bloed, er waren overstromingen.

Alsof de aarde het onrecht niet langer kon dragen. Uiteindelijk ging de dood rond.

 

Het paasfeest, dat vanavond begint, viert de bevrijding uit Egypte. De tot slaaf gemaakte mens vindt haar en zijn waardigheid terug. Weg uit het land van de angst, weg uit die wegwerp-cultuur waar de mens onderworpen is aan de harde wetten van de economie, de financiële markten.

 

Wij hoorden in de eerste lezing over de laatste maaltijd in Egypte. Gods mensen talmen niet langer. Vlug eten zij hun laatste avondmaal.

Ook wij gedenken vanavond het laatste avondmaal, de beslissende maaltijd van Jezus met zijn leerlingen. Jezus wist dat zijn uur gekomen was; dat er voor Hem niet langer plaats was in deze oude wereld. Op het moment dat de paaslammeren in de tempel geslacht werden voor de viering van het paasmaal, de bevrijding uit Egypte, zal Hij als een lam naar de slachtbank worden geleid. Hij is het ware lam, dat wegdraagt de zonden der wereld.

 

Wij willen met Jezus afscheid nemen van een oude, onleefbare wereld, waar mensen, soms van de beginnende vrucht in de schoot tot soms in de hoge ouderdom als wegwerp-mensen worden beschouwd, of tweederangs. Wie de economie in de weg zit, wie alleen maar kost, ja wat moeten we daar eigenlijk mee? Dit paasfeest, deze tijd van een grote plaag die langs onze huizen gaat, wordt voor ons allen hopelijk een kans om ons te bekeren; om weer te leren dat leven meer is dan economie, dan geld verdienen, dan welvaart, dan eindeloos de wereld overvliegen. Dat er schoonheid en waardigheid schuilt in het dankbaar bezien en beleven van ons bestaan; dat de aarde, de bodem, de lucht niet alleen maar gebruikt moeten worden, maar vooral bewaard, bewonderd, gekoesterd om die zo gaaf mogelijk door te geven aan een nieuwe generatie.

 

Daarvoor heeft Jezus Zichzelf gegeven, zich als brood laten breken en als een beker wijn laten uitschenken. Laten wij met Hem pasen vieren, het oude angstland verlaten en op weg gaan naar een leven in humaniteit en ware vrijheid; ons brood van ellende wezenlijk veranderd, getranssubstantieerd in een levend lichaam. Amen.

 

 

[1] Ex., 12, 1-8.11-14; 1 Kor., 11, 23-26; Joh., 13,1-15


Verkondiging Palmzondag, 5 april 2020 (livestream)[1]

 

Jezus gaat gezeten op een ezel Jeruzalem binnen, op een lastdier. In een tijd zonder pick-up trucks, waarin je achteloos je bagage, je spullen in kunt gooien,

werden de ezels beladen met goederen, koopwaar, bezittingen of nam daarop een mens plaats.

 

 

“Zeg aan de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt tot u,

zachtmoedig en gezeten op een ezel,

op een veulen, het jong van een lastdier."

Dat zijn woorden uit het eerste, zogenaamde oude testament. Jezus was een joodse man, Hij verlangde met heel zijn volk naar de komst van de profeet, de Messias. Zijn volk was een volk van verlangen naar een goede toekomst, waarin het niet langer onderdrukt zou worden door de grootmacht, het Romeinse rijk. Het waren dan ook de Joden niet die Jezus hebben veroordeeld. Hert waren de Romeinen. Zij wilden dat verlangen naar een menselijke, rechtvaardige toekomst hardhandig de kop in drukken. Daarom moest Jezus sterven.

Ons Matteüsevangelie zegt dat ‘heel het volk’ de veroordeling van Jezus wilde. Dat is inkleuring van Matteüs, vele jaren later, wanneer de geloofsgemeenschap van Israël innerlijk verdeeld zal zijn over de vraag of Jezus de Messias was.

Jezus is ter dood gebracht door de Romeinen. In de hoogste regionen van de gemeenschap van Israël, de hogepriesterlijke familie en omgeving, waren er Israëlieten die samenspanden met de Romeinen, met Pontius Pilatus, de Romeinse stadhouder. Zij vreesden de populariteit van Jezus bij het gewone volk, de armen, de vrouwen, de tollenaars, de zondaars. Dus niet 'heel het volk’ wilde van Jezus af. Integendeel.

 

De gewone mensen begroetten Jezus als de profeet, de messiaanse koning, die niet in een limousine maar in een eenvoudige fiat uno zou plaatsnemen, neemt u mij niet kwalijk: niet op een paard van de machtigen maar op de ezel van de gewone man.

 

Jezus is als de man uit de profeet Jesaja, die zijn gezicht niet afgewend had van wie hem smaadden en bespuwden. Hij zou ook zijn andere wang toekeren. Paulus gaat nog een stapje verder. Jezus is op de plaats gaan staan van de meest kwetsbare mensen: de slaven. “Hij heeft het bestaan van een slaaf op zich genomen”. In de indrukwekkende Suriname-tentoonstelling, onlangs in de Nieuwe Kerk, kon je iets meekrijgen van wat slavernij voor individuele mensen en voor een heel volk kan betekenen.

Jezus wás geen slaaf, maar Hij is op hun plaats gaan staan. Niet vanuit de hoogte, vanuit zijn comfortzone heeft hij solidariteit betuigd, als het ware - zoals wij dat kunnen - van achter het computerscherm met één muisklik, maar Hij heeft hun lot gedeeld. Hij, de Heer, de Messias, de Zoon van God, is dienaar geworden.

In onze ongekende, moeilijke dagen ontdekken wij eindelijk weer dat dienaar zijn, dat dienstbaarheid de hoogste waarde is in ons leven en samenleven. Eindelijk ontdekken we weer dat je op dienstbaarheid, op zorg en op schoonmaakwerk niet moet bezuinigen, maar dat je daarin de grootst mogelijke investeringen moet doen. Heel mijn priesterleven zie ik ziekenverzorgers en schoonmakers in wekelijkse bezoeken aan verpleeghuizen. Ook ik had vaak volgens mijzelf zó’n belangrijke, drukke agenda dat ik weinig oog en tijd voor hen had. Nu ontvangen zij eindelijk de waardering die zij al veel eerder hadden moeten krijgen.

 

Jezus praat niet met de machtigen. Hij zwijgt voor Pilatus. Hij verdedigt zichzelf niet. Hij zegt liever niets. Laat je niet in met de machtigen. Spreek liever met, leef liever met de mensen die niet machtig zijn, die jou niets kunnen teruggeven.

Pilatus’ vrouw heeft haar machtige echtgenoot gewaarschuwd. Deze man is een rechtvaardige, raak Hem niet aan. Probeer van zijn machteloosheid te leren, zijn overmacht van liefde.

 

In het lijdensverhaal zien wij Jezus als gevangene. “Geboeid leidde men Hem weg”.

Judas ziet het gebeuren. Hij krijgt wroeging. Op twee manieren kun je daarmee omgaan.

Judas wanhoopt, ziet geen uitweg meer. Petrus, die Jezus driemaal heeft verloochend, krijgt ook wroeging. Wat doet Hij? Hij gaat huilen, bittere tranen schreit hij. En uiteindelijk schenkt de Heer hem vergeving. Je mag altijd een nieuw begin maken, hoe diep je ook gezonken bent.

 

Laten wij ons met Petrus omkeren en kiezen voor een Heer die plaatsneemt op een lastdier, die de machtigen niet naar de mond praat; die op de plaats van de dienaressen en dienaren van deze wereld is gaan staan. Laten we ons tot deze geboeide Mens bekeren en met Hem uit deze oude wereld tot een nieuw, menselijk, bevrijd leven opstaan. Amen.

 

 

---------------------------------------------------

[1] Mt., 21, 1-11; Jes., 50, 4-7; Fil., 2, 6-11; Matteüs 27, 1-50