Preekarchief

Verkondiging Christus Koning (laatste zondag van het liturgisch jaar)

                      21 november 2021

  

Wie betrouwbaar is is ook kwetsbaar. De zeventiende eeuwse schilder Caravaggio heeft die kwetsbaarheid ongekend mooi en aangrijpende geschilderd.

Wie het niet op een akkoordje gooit met de waarheid kan het heel zwaar krijgen in zijn leven.

“Hiertoe werd Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid. Al wie uit de waarheid is luistert naar mijn stem.”

Jezus heerst dus niet zozeer over een land, een geografisch aanwijsbaar gebied, maar over mensen die zoeken naar waarheid; mensen die in de onrust, de wanorde, de chaos van deze wereld en van hun innerlijk

naar waarheid zoeken, een betrouwbaar woord zoeken,

naar een betrouwbare persoon verlangen.

 

Mensen van mijn leeftijd en ouder zijn geboren en opgegroeid in een wereld, een maatschappij waarin betrouwbare waarheden werden verkondigd, en beleefd. Wij kunnen het ons nu bijna niet meer voorstellen, maar ons volk was verdeeld in enkele groepen, die elk zijn eigen waarheid, waarden en normen had, met leiders, meestal mannen, die deze wisten te verwoorden en als het mee zat ook oprecht beleefden en voorleefden.

Van dat overzichtelijke landschap, van die kosmos (dat betekent geordende omgeving, het Griekse woord voor wereld, dat in ons evangelie wordt gebruikt), van die kosmos is weinig meer over.

Wij wisten dit al en in deze corona-crisis wordt dit weten nog veel duidelijker. Waar de leiders van die verschillende groepen waarin ons volk was onderverdeeld, vroeger met elkaar overlegden, afspraken maakten, compromissen sloten, staan zij nu vaak geharnast tegenover elkaar. Onvoorstelbaar harde woorden vallen, zelfs in ’s lands vergaderzaal in Den Haag, vreselijke vergelijkingen worden gemaakt, weinig rustig overleg, veel geschreeuw en zelfs bedreiging. Er is nieuws en er is nepnieuws, er is waarheid die leugen blijkt, verkondigers van waarheid blijken na verloop van tijd onbetrouwbaar, - in de maatschappij, de politiek en ja, ook in onze kerk.

 

In het antwoord dat Jezus geeft op de vraag van Pilatus: “U bent toch koning?” zegt Jezus letterlijk: “U zégt dat ik koning ben”.

Al eerder zegt Jezus dat het de mensen zijn die dit beweren: “anderen die over Mij hebben gesproken”. Er gingen verhalen de ronde over Jezus: dat Hij de nieuwe, lang verhoopte en verwachte koning zou zijn van het arme, onderdrukte, onvrije volk. “U zégt dat ik koning ben”.

 

Alles wijst erop dat Jezus geen koning wilde zijn zoals de mensen gewend waren: een koning voor wie soldaten strijden.

Jezus wijst het geweld af. Hij ondergaat het liever dan dat Hij het gebruikt. In de eerste eeuwen na Jezus weigerden christen geworden jonge mannen geweld te gebruiken, als soldaat bloed te vergieten. Niet weinigen van die jonge christen-soldaten in het Romeinse leger stierven de martelaarsdood met Jezus voor ogen, die het zwaard, het geweld afwees. Denk aan de jonge soldatenmartelaren Vincentius, Pancratius en Sebastiaan. Zij ondergingen liever geweld dan het anderen aan te doen.

 

Als er dan toch over koningschap van Jezus moet worden gesproken dan is het niet een koningschap van deze kosmos, van deze wereld. Als dat het wel was dan ‘zouden mijn dienaars er wel voor gestreden hebben dat ik niet word uitgeleverd’.

Waartoe is Jezus dan gekomen, wat voor soort koning is Hij dan wel, als Hij er geen leger op na houdt, geen paleis, geen kring van knikkende en knielende hovelingen, die voortdurend naar zijn ogen kijken?

 

In dit ongeordende, soms chaotische lawaai waarin wij leven, zien wij naar Jezus, vandaag bijzonder op dit Christus Koningfeest en als het goed is al onze dagen. “Al wie uit de waarheid is, luistert naar mijn stem.”

In ons christelijk, katholiek geloof staat de liefde centraal en de vergeving en ook dus de waarheid. Wie waarheid zoekt, wie betrouwbaarheid zoekt, wie Iemand zoekt die deze niet alleen meet woorden verkondigt maar op de eerste plaats beleeft, komt bij Jezus uit.

 

De openbaring van Johannes, de tweede lezing van vandaag noemt Jezus: de getrouwe getuige.

Wie betrouwbaar is is ook kwetsbaar. De zeventiende eeuwse schilder Caravaggio heeft die kwetsbaarheid ongekend mooi en aangrijpende geschilderd, zie de voorplaat van uw boekje.

Wie het niet op een akkoordje gooit met de waarheid kan het heel zwaar krijgen in zijn leven. Dat ervaren mensen die niet meedoen met de schijn en de leugen, de klokkenluiders bijvoorbeeld van deze wereld, de mensen die niet langer hun mond houden omwille van een laffe, lieve vrede.

Maar wie zulke mensen kent weet ook: alleen zij zijn werkelijk vrije mensen. Zij gaan niet langer gebukt onder onwaarachtigheid, ondraaglijke spanningen en toneelspel.

 

Zo staat vandaag Jezus geboeid voor zijn rechter Pilatus.

Wij noemen diens naam elke zondag in de geloofsbelijdenis:

“Hij, Jezus, heeft geleden onder Pontius Pilatus”.

Hij heeft geleden onder het nepnieuws, de leugen, de verloochening van zijn eigen leerlingen. Zoals Hij nog steeds lijdt onder leden van zijn kerk die de leugen en de doofpot in stand houden.  Vandaag belijden wij ook dat zijn keuze voor de waarheid heeft overwonnen: “Elk oog zal Hem aanschouwen”, hoorden wij, “ook zij die Hem doorstoken hebben”.

 

Vandaag, op de laatste zondag van het liturgisch jaar, mogen we weer een innerlijke beslissing nemen, dat alleen de betrouwbare getuige Jezus de koning zal zijn van ons leven, van ons hart, van onze beslissingen en van onze plannen. Zo moge het zijn. Amen.

 

Nico van der Peet


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 14 november 2021

                      33ste zondag door het jaar[1] Werelddag van de Armen, 

                      Zondag van de Caritas

 

Hoe erg de ellende van mensen en van deze wereld ook kan zijn, je mag je ogen en je hart omhoog heffen naar Jezus, die al die ellende voor ons heeft doorstaan en heeft overwonnen. Naar die overwinning zijn wij onderweg.

 

Elke vrijdagmorgen, zo tegen de tijd dat ik de kerk open voor de heilige Mis om 12 uur, vormt zich voor de pastorie en het Antoniushuis een lange rij: niet om naar de eucharistie te komen (die mag wel wat beter bezocht worden, als ik zo vrij mag zijn), maar voor de wekelijkse processie op weg naar de voedselbank voor bewoners van het Floradorp en de Bloemenbuurt.

Al op donderdag beginnen de voorbereidingen. Uit allerlei busjes en auto’s worden dozen met voedselproducten geladen. Deze voedseluitdeling op vrijdag is ontstaan tijdens de Coronacrisis. Daarvoor was al de voedselbank opgericht die gerund wordt door het Leefkringhuis waarmee onze parochie vanouds bevriend is en waarvoor onze parochie door uw ruimhartigheid ook inzamelt, voedsel en geld voor luiers.

 

Onze PCI verschaft straatarme mensen, illegaal hier verblijvende, die werkelijk niets hebben, in stilte (maar vandaag zeg ik het maar eens) boodschappen, opdat zij tenminste af en toe iets beters te eten hebben. Amsterdam 2021.

Honderden mensen in de rij voor voedseluitdeling.

Mensen die geen werk hebben, die niet kunnen werken, mensen die hun baan hebben verloren, of hun partner, door overlijden of scheiding, verslaafden, daklozen. Niet zelden mensen die nog maar korte tijd geleden well to do waren.

En niet te vergeten: verwaarloosde, met de nek aangekeken illegalen.

 

Een enkele keer loop ik even binnen in het Antoniushuis en ervaar de gedrevenheid van de initiatiefnemers en de vrijwilligers, zelf ook meestal leden van de doelgroep.

Elke week zie ik het tafereel vanuit mijn werkkamer op de eerste verdieping van het pastoraal centrum. Soms een beetje beschaamd. Wat heb ik het goed. Volgens de maatstaven van onze welvaartsmaatschappij ben ik niet rijk, maar ik kom niets te kort.

 

Vandaag vieren we de zondag van de caritas, de diaconale zondag. Deze werelddag van de armen is door de paus ingesteld. Hij was vrijdag in Assisi, meer bepaald in de Santa Maria degli Angeli-basiliek, samen met honderden arme mensen. Hij heeft niet veel gezegd. Enkele uren van zijn kostbare tijd in zijn overzette agenda had hij vrijgespeeld om te luisteren naar deze mensen. Wat goed. Hij kwam niet om iets aan hen te geven, maar om iets te ontvangen: hun verhaal, hun levenservaring, de gevoelens van hun hart, hun hoop op een betere toekomst, hun verdriet en frustratie over hun verleden en heden, hun dagelijkse strijd. Is dat niet het ware voedsel waarvan een mens moet leven: dat er iemand naar u, jou, mij luistert? Soms geven we de armen alleen maar geld en goed. Dat is te weinig.

 

Soms moet hij of zij eerst formulieren invullen, door vragenlijsten heen, want stel je voor dat hij of zij ten onrechte geholpen wordt, of te veel krijgt. Stel je voor dat er ook maar één euro misbruikt wordt. ‘Tot de laatste cent zul je terugbetalen’. Hoe anders rijke mensen en volken: dat zij verspillen, uitstoten, vervuilen, daar kraait geen haan naar.

 

Wat een voorbeeld: een paar uur luisteren naar de armen.

Dat is pas caritas. Dat woord betekent: gevende liefde. Er is natuurlijk ook de begeerte, de liefde, de amor, die de ander wil omhelzen, bezitten. Die mag er ook zijn tussen de mensen, maar vandaag dus de caritas.

 

Gevende liefde. De Hebreeënbrief spreekt erover.

Alleen in deze brief wordt Jezus priester, hogepriester genoemd.

Hij heeft -zoals in Jezus’ tijd de taak was van de hogepriester - geen offerdier op het altaar gelegd. Hij heeft Zichzelf laten offeren, op het altaar van het kruis.

Christs zet geen dier, geen ander mens op het spel. Nee, ‘Hij is voor altijd gezeten aan de rechterhand van God na één enkel offer voor de zonden te hebben gebracht’. Ik vind dat zo’n super-zin. In onze kerken en huiskamers zie je meestal het kruisbeeld. Maar dit beeld van Christus is minstens even mooi: gezeten aan de rechterhand van God.

Hoe erg de ellende van mensen en van deze wereld ook kan zijn, je mag je ogen en je hart omhoog heffen naar Jezus, die al die ellende voor ons heeft doorstaan en heeft overwonnen. Naar die overwinning zijn wij onderweg.

 

In het evangelie spreekt Jezus over al die aardse ellende. Heel herkenbaar dunkt mij. De hemelse heerscharen zullen in verwarring geraken, tekenen aan zon, maan, sterren. Verwarring alom. Is dat het einde van de wereld? Nee, er gebeurt nog iets heel anders. Opnieuw horen wij over de Mensenzoon die zal komen op de wolken met macht en heerlijkheid. Visionaire taal die vol hoop is. Het einde is geen gruwelijke ondergang, maar de Mens die komt, die recht doet, die zijn uitverkorenen verzamelt, bijeen brengt, niet langer verloren laat lopen in deze wereld, verwaarloosd, geminacht.

Nog een mooi, hoopvol beeld in dit wat stugge evangelie: de twijgen van de vijgenboom worden zacht en beginnen uit te botten, de zomer is in aantocht, de grote zomer, de volle bloei en overwinning van het leven op de harde winter van de dood. Alle woorden die gezegd zijn, geleefd zijn, voorgedaan, zij zullen niet voorbijgaan.

 

Daniël, de profeet, is al even hoopvol. De aartsengel Michaël zal opstaan om de meest kwetsbare, de kinderen van Gods volk, te beschermen. Zelfs de doden die slapen in het stof, zullen ontwaken en er zal eindelijk worden recht gesproken, wat deze wereld krom heeft gebogen.

 

Er is hoop, horen wij in deze laatste weken van het liturgisch jaar. De laatste dingen hebben niet het laatste woord. Vanaf de rechterhand van de Vader, zeggen wij dadelijk in de geloofsbelijdenis, zal Hij komen oordelen de levenden en de doden. Hij komt om recht te doen. Mogen wij daarop vooruitlopen, op deze zondag van de Caritas, deze dag van de armen. Mogen wij luisteren naar hun verhaal, luisteren naar elkaars armoede en gemis, elkaars nood lenigen, nood aan goed en geld, aan luisteren en meegevoel.

In het spoor van Hem die Zichzelf aan ons geeft, zijn hart, zijn lichaam en bloed, om ons tot zijn levende, diaconale, liefdevolle lichaam te maken.

Amen.

 

Nico van der Peet

 

--------------------------------------------------

[1] Daniël 12, 1-3; Hebreeën 10, 11-14.18; Marcus 13, 24-32


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, zondag 7 november 2021

                      hoogfeest van Sint Willibrord[1]

 

 

Sint Willibrord, missionaris afkomstig van de Britse eilanden, koos voor het vreemdeling zijn in een voor hem nieuwe wereld, deze delta aan de Noordzee. Hij voer de Rijn op en bouwde na een tijd een klein kerkje in Utrecht, waar nu de Domkerk staat. Het plaatje, het ruiterstandbeeld in Utrecht beeldt het goed uit. Een man die een groot deel van zijn leven in het zadel zat. Hij begon hier bij nul.

De elf leerlingen zijn na de verrijzenis van Jezus terug in Galilea, bij de berg die Jezus hun had aangewezen. Elf leerlingen. Het heilige getal van de twaalf stammen, de twaalf apostelen is geschonden. Judas Iskariot is niet meer. Een beschadigde gemeenschap staat daar aan de voet van de berg. Alsof dat niet al erg genoeg is zijn zij het onderling niet eens. De verrezen Jezus is in hun midden. “Toen zij Hem zagen, wierpen zij zich in aanbidding neer, sommigen echter twijfelden”. Geloven is altijd een innerlijk proces van zoeken, vragen, twijfelen, bidden én overgave. Daar hoef je niet mee te zitten, dat mag. Alleen zo kan je geloof authentiek worden, gelouterd, gezuiverd, oprecht.

 

De elf apostelen waren teruggegaan naar hun land van herkomst, Galilea. Daar moesten zij na Jezus’ dood en verrijzenis opnieuw beginnen.

Af en toe ga ik terug naar de stad, de buurt van mijn jeugd, de stad waar ik de eerste pastorale aanstelling kreeg, war ik priester gewijd ben. Laats liep ik nog eens door de straat waar ik geboren ben, kort nadat mijn enige zus het huis van ons gezin had verlaten. Voor ons drieën, mijn zus, mijn broer en voor mij een beetje emotioneel gebeuren. Nog één keer liep ik door de straat en keek naar mijn geboortehuis en liep door naar de plaats waar ooit de parochiekerk stond, waar ik ben gedoopt, gevormd, eerste heilige Communie heb gedaan, mijn eerste heilige Mis heb opgedragen. De plaats waar de katholieke lagere school stond, Dominicus Savio en later Pius X. Het hele complex is van gedaante veranderd. Er staat nu keurige, dertien-in -een-dozijn appartementsgebouwen. De fraaie neo-romaanse zestiger jaren parochiekerk is afgebroken.

 

“Wij zien oog in oog de terugkeer van de Heer naar Sion…Barst los in jubel, allen samen, puinen van Jeruzalem, want de Heer heeft zijn volk getroost”

Jesaja, de grote profeet, mocht het zeggen. Hij had het moeten meemaken dat de tempel in puin was gesmeten, in brand gezet. De godsdienst lag in puin. Geen spoor meer te bekennen van tempel, liturgie en God. Hoe God verdween toen uit Jeruzalem, nu uit Haarlem-Noord. U hoort het: mijn sentimental journey naar mijn geboortegrand bracht mij niet alleen vreugde.

 

Maar Jesaja roept mij tot de orde. “De Heer keert terug naar Sion”. Of met de woorden van de verrezen Heer: “Zie, Ik ben met u tot aan de voleinding van de wereld”.

Vandaag vieren wij het hoogfeest van Sint Willibrord, missionaris afkomstig van de Britse eilanden, die koos voor het vreemdeling zijn in een voor hem nieuwe wereld, deze delta aan de Noordzee. Hij voer de Rijn op en bouwde na een tijd een klein kerkje in Utrecht, waar nu de Domkerk staat. Het plaatje, het ruiterstandbeeld in Utrecht beeldt het goed uit. Een man die een groot deel van zijn leven in het zadel zat. Hij begon hier bij nul. Niemand kende God en Jezus. In 695 werd hij in de Sint Caeciliabasiliek in Rome tot bisschop gewijd, door paus Sergius. Hij begon in een tijd waarin de kerk nog één was. Oost en West en heel Europa vormden nog één kerk. De Catholica was ongebroken.

 

Vandaar is het goed vandaag stil te staan bij de oecumene. Willibrord verbindt protestanten en katholieken. Samen beheren wij zijn erfgoed. U weet het denk ik wel. de oecumenische beweging staat op een laag pitje. Elke kerk houdt vast aan haar eigen identiteit, juist nu het christendom krimpt. Elke kerk, elke parochie heeft genoeg aan haar eigen zorgen. Eerder zijn zij geneigd elkaar vliegen af te vangen, te bewijzen hoe relevant en maatschappelijk actief zij zijn. Dat vind ik een beetje verdacht. Alsof men niet meer echt gelooft in de boodschap. Nu velen niet meer geloven willen kerkelijke mensen laten zien hoe belangrijk zij zijn voor de maatschappij. Beter lijkt het me eerlijk na te gaan hoe het staat met ons geloof, ieder persoonlijk en wij als gemeenschap.

 

De paus heeft alle katholieken gevraagd die bezinning aan te gaan, een soort van synode, kerkelijke vergadering te houden. Wat is de stand van ons geloof, onze band met God? Wat staat de kerk voor? Hoe kunnen wij vanuit ons christelijk, katholiek geloof, bijdragen aan een menselijke samenleving, het behoud, de redding van onze aarde?

Diaken René en ik zullen in de eerste helft van januari geïnteresseerde parochianen uitnodigen voor zo’n geloofsbezinning, geloofsgesprek. We worden gevraagd onze resultaten te delen met het bisdom en met de wereldkerk. Deze paus wil graag ook luisteren naar ons, gewone gelovigen.

 

“Gedenkt uw leiders die u het eerst het woord van God verkondigd hebben,” vraagt de Hebreeënbrief van ons. Ga weer terug naar uw, naar jouw Galilea. Voor mij is dat een straat in Haarlem-Noord, voor ieder van ons is dat een andere straat, school, parochie, gemeenschap.

Denk weer eens terug wie het was, wie het waren die u, jou voor het eerst het woord van God, de persoon van Jezus hebben verkondigd, voorgeleefd. Keer daarnaar in de geest of fysiek weer eens terug. Wat hebben zij in mij uitgezaaid, wat is ervan geworden? Wat kan ik doen om het vuur van het begin weer te laten opflakkeren of zelfs oplaaien in mijn hart, mijn ziel, mijn geest, mijn handelen? Ondanks alle puinen, zoals in mijn straat, waar alle zichtbare tekenen van God en de Kerk zijn afgebroken.

 

De Hebreeënbrief zegt: “Jezus Christus is dezelfde gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid.”

Hij blijft bij zijn volk, zijn kerk, ook in Nederland, mogen wij geloven, hopen en vertrouwen.

“Zie, Ik ben met u, tot aan de voleinding van de wereld”

Volgens de evangelist Matteüs waren deze woorden de laatste die Jezus op aarde uitsprak. Hij belooft niet de kerk in stand te houden zoals zij ooit was of nu is. Hij belooft met ons te zijn. Mogen wij met Hem zijn, Hem meedragen in ons hart en in onze manier van leven; mogen wij Hem doorgeven en voorleven aan een nieuwe generatie. Zo moge het zijn. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

-------------------------------------------------------

[1] Jesaja 52, 7-10; Hebreeën 13, 7-9a. 15-17a; Matteüs 28, 16-20


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 24 oktober 2021

                      Dertigste zondag door het jaar. Wereldmissiedag.[1]

 

De blinde, die Jezus in verband brengt met David, blijkt dus - misschien wel als enige - ziende te zijn. Niet met de ogen van zijn lichaam, maar met zijn hart en zijn ziel. Meer dan wie ook voelt hij aan Wie daar onderweg is, Wie daar voorbijkomt.

 Nog één halte, dan is het einddoel van de reis, de weg van Jezus bereikt.

Meteen na het evangelie van vandaag lezen wij in het Marcus-evangelie, dat Jezus Jeruzalem binnengaat, zes dagen voor zijn lijden en sterven op het Kruis.

 

Nog één halte, Jericho.

Een heerlijke stad, gelegen in de woestijn. Na een lange tocht door het lege, afmattende woestijnlandschap, een oase. De stad is laag gelegen, er is volop water, er zijn herbergen. Je kunt er heerlijk opsteken, drinken en eten, tot rust komen.

 

Niets van dat alles lezen wij.

Meteen na de vermelding van zijn aankomst horen wij over het vertrek van Jezus. Hij is onderweg, op weg naar Jeruzalem, de Stad van vrede, niets en niemand kan hem stoppen.

Iedereen die bij Hem hoort moet niet treuzelen, niet eindeloos keuvelen en eten en drinken en veilig binnen blijven. Hij of zij moet onderweg zijn.

Gods volk is onderweg of zij is niet.

 

Iedereen is onderweg behalve één.

Een man zit langs de weg: een blinde bedelaar, Bartimeus.

Zijn naam betekent: zoon van Timeus.

Deze man heeft zelfs geen eigen, persoonlijke naam.

Hij lijkt wel bezit van zijn verleden, zijn vader.

Hij bezit niets, hij bedelt.

Hij kan niet meekomen op de weg die Jezus en de menigte gaan.

Hij kan de weg niet zien, hij kan niet opstaan en volgen.

 

Hij kan alleen maar roepen.

Hij komt in zijn liturgie - om zo te zeggen - niet verder dan het Kyrie eleison, dat hij daar ook herhaaldelijk, roept, zingt, ja ‘krijst’, -staat er eigenlijk.

Niet de mooie achtste of elfde Mis, of een Mis van Perosi, maar een schreeuw om ontferming, barmhartigheid, aandacht.

 

Wie goed kan luisteren hoort op zijn levensweg voortdurend het Kyrie.

Niet alleen in de kerk of op klassieke cd’s of op radio 4.

Maar in zijn of haar gewone leven.

Vaak durven mensen niet zo heel duidelijk te roepen en te vragen om aandacht. Vaak zijn mensen te verlegen, zij schamen zich voor hun armoede, hun eenzaam langs de kant van de weg zitten.

 

De laatste tijd komt het een beetje naar buiten rond de talloze gezinnen, alleenstaande ouders, kinderen die getroffen zijn door de toeslagen-affaire, vernederend, ten hemel schreiend.

Jarenlang zaten zij met stomheid geslagen langs de kant van de weg van onze over-rijke, soms genadeloze samenleving, waarvan de bestuurders in principe iedereen wantrouwen, vooral de kleinen en de armen.

 

Vandaag is het Missiezondag, Wereldmissiedag.

Missie is meer dan de opgave van de altijd alerte en actieve Missie en Ontwikkelingsgroep waarover wij ons als parochie mogen verheugen.

De Kerk is missie. Zij moet voortdurend luisteren naar de Kyrie eleisons die opstijgen uit de monden van mensen, groepen, volken dichtbij en ver weg. Vandaag richt zich onze aandacht, ons gebed, onze ondersteuning op Guinee, op de kerkgemeenschap aldaar, de mensen die werken aan een humaan bestaan met oog en hart voor de armen.

 

Maar dat luisteren naar mensen aan de kant van de weg is elke dag nodig. Ook ik moet Jezus navolgen in zijn houding.

Hij heeft haast, Hij moet verder naar zijn bestemming, Hij wil geen moment van zijn kostbare leven verliezen.

Maar Hij houdt halt, niet om eens lekker te chillen in Jericho, maar voor die ene, bedelende, blinde man, die alleen maar kan roepen:

“Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij”.

 

Bartimeus loopt vooruit op het Sanctus, het Heilig, het Hosanna, dat enkele dagen later zal klinken in de straten van Jeruzalem: “Hosanna: gezegend die komt in de naam van de Heer. Geprezen het komende koninkrijk van onze vader David”. Dat zullen de kleine mensen van Jeruzalem zingen.

 

De blinde, die Jezus in verband brengt met David, blijkt dus - misschien wel als enige - ziende te zijn. Niet met de ogen van zijn lichaam, maar met zijn hart en zijn ziel. Meer dan wie ook voelt hij aan Wie daar onderweg is, Wie daar voorbijkomt. De ogen van zijn hart zijn opengegaan voor Jezus.

Hij wijst de weg naar de stad van vrede, naar de toekomst,

ja, Hij is de weg.

Nu moet Bartimeüs nog moed verzamelen,

opstaan, de stap durven zetten naar die onzekere weg, wanneer hij geroepen wordt.

 

“Heb goede moed! Sta op, Hij roept u”

Hoe werkt die genezing nu eigenlijk?

Er gebeurt iets opmerkelijks. “Hij wierp zijn mantel af, sprong overeind en kwam naar Jezus toe”.

Het moet op de tast zijn geweest, aarzelend,

om niet te struikelen, niet op te botsen tegen één van de vele mensen die daar waren. Maar hij heeft eindelijk de moed gevonden zijn marginale plaats in het leven achter zich te laten.

Tastend en zoekend begint hij te geloven dat hij erbij hoort, geroepen is.

 

Jezus gedraagt zich niet als een weldoener, die wel eens even de portemonnee trekt; geen gebedsgenezer die wel even de handen zal opleggen, Jezus doet niet aan religieus spektakel.

 

Hij behandelt de gemarginaliseerde arme blinde niet als een geval, een dossier waaraan men nog niet eerder is toegekomen,

maar als een mens, een moedige, opgestane, geroepen mens.

Jezus doet helemaal niets,

Hij wéét ook niet wat goed is voor die man, althans Hij zegt het niet.

 

Hij stelt een vraag, de meest tedere vraag die je maar kunt stellen.

“Wat wilt u dat Ik voor u doe?”

 

“Mijn meester, maak dat ik zien kan”

En dan nog doet Jezus niets. En daarmee doet Hij alles.

Hij erkent de man in zijn waardigheid, zijn kracht, zijn moed, zijn vertrouwen.

“Ga, uw geloof heeft u gered”.

Niet mijn wondermacht, mijn portemonnee, mijn liefdadigheid,

maar uw geloof, uw vertrouwen heeft u gered.

 

Wat ging Bartimeus, ziende geworden, moedig, opgestaan, geroepen, nu doen?

Het ervan nemen in de stad, van het leven genieten, want dat had hij nu wel verdiend?

“Hij sloot zich bij Hem aan op zijn weg.”

 

Hij had de Zoon van David, de man van de toekomst, van de stad van vrede gevonden; de weg, de waarheid en het leven.

Mogen ook onze ogen, ons hart, onze ziel open gaan en mogen ook wij en heel de kerkgemeenschap Hem volgen op zijn weg, vrij geworden, genezen van onze onbeweeglijkheid. Zo moge het zijn.

Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

--------------------------------------------------------

[1] Jeremia 31, 1-17; psalm 126; Hebreeën 5, 1-6; Marcus 10, 46-52


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, zondag 17 oktober 2021

                      Feest van Kerkwijding (12 oktober 2014)[1]

 

En Jezus? “Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen”.

 

Afgelopen woensdag was ik te gast in de Breitneracademie, de hogeschool voor vormgeving en kunst aan het Overhoeksplein, gevestigd in een oud gebouw van Shell. Een unheimische plek, een verveloos industrieel gebouw, waar jonge mensen die de kunst in willen, het toneel op willen of regisseur worden, hun opleiding krijgen. Een van de examenkandidaten had me uitgenodigd om haar proefstuk te komen zien. Een kort toneelstuk naar een werk van Samuel Becket, een van de grootste toneelschrijvers van de 20ste eeuw. Mooie, moeilijke, niet altijd erg vrolijk stemmende stukken die gaan over de absurde aspecten van ons leven en over de menselijke zoektocht naar zin.

 

Alles was in dat oude Shellgebouw anders dan anders. Er was geen zaal, er was alleen maar podium. Daarin waren ongeveer twintig gaten uitgezaagd. Wij, het twintigkoppige publiek, moesten diep bukken en ons hoofd door een van de gaten steken. Daarna werd een stoel onder ieder van ons geschoven. Een beklemmende ervaring kan ik u zeggen. Dat was ook wel de bedoeling.

 

De prachtig spelende jonge actrice acteerde vanuit haar eigen gat in het podium het ochtendritueel van een vrouw alleen, staande voor de spiegel. Ze begon met een zeer geconcentreerd uitgesproken ochtendgebed en zij lachte onder Gods oog de dag tegemoet, ging eindeloos lang haar tanden poetsen, daarna haar goede voornemens voor de dag uitspreken, de stand van zichzelf opnemen: ‘het gaat goed, niet slechter, niet beter, gewoon goed, geen pijn, ja een beetje hoofdpijn, migraine soms’.

 

Door onze geïsoleerde positie werden wij als toeschouwer ook acteur, ieder van ons alleen, onbeweeglijk op zijn eigen plaats, niet echt in staat elkaar naderbij te komen. Ieder op zichzelf. Ik moest denken aan mijn woning en hoe ik heel soms bedenk als ik ’s morgens voor de spiegel sta bij het scheren en tanden poetsen, dat in het grote flatgebouw waarin ik woon er talloze mensen zijn, staande op hetzelfde uur voor hun spiegel tanden poetsend, nadenkend over de al of niet verkwikkende slaap van de nacht, hoe zij zich voelen, peinzend over de to do list van de pas aangebroken dag. Ieder in zijn/haar eigen gat van het podium van het leven.

 

Vandaag vieren wij de gedachtenis van de wijding van ons kerkgebouw, 12 oktober 2014. De kerk vindt dat je die dag elk jaar plechtig, feestelijk hoort te vieren. Heel goed, lijkt mij. Ons kerkgebouw. We hebben er in Noord nog maar één die als katholieke kerk gebruikt wordt. We moeten er zuinig op zijn en heel dankbaar. Eén van de leden van het Stephanuskoor, vandaag voor het eerst weer zingend in de liturgie sinds maart vorig jaar, één van de leden zei mij onlangs dat voor haar de kerk haar tweede huis is.

 

Eenmaal per week of vaker, of wat minder vaak, verlaten u en ik onze eigen woning, waar we alleen zijn of met onze partner of met ons gezin, doorbreken wij de afzondering van ons eigen bestaan, of met het toneelstuk van woensdag, ontworstelen wij ons aan ons eigen gat op het levenstoneel.

 

Om dit huis te betreden en te delen met tientallen andere mensen, die wij niet zelfstandig uit eigen voorkeur hebben gekozen, maar die wij hier aantreffen. Mensen van allerlei achtergrond, jong en oud, hier geboren of elders, met partner, gezin of alleen. Wat ons bijeenbrengt is het woord van de Bijbel, van Jezus vooral, zijn maaltijd, zijn communie met ons en wij met elkaar in zijn aanwezigheid. “Vandaag wil Ik, Jezus, in jullie huis te gast zijn”.

 

Het evangelie van Kerkwijding is dat van Zacheüs. Hij ziet niet vast in een gat, maar is wel schijnbaar hopeloos, uitzichtloos alleen. Maar een mens kan niet alleen blijven. Zacheüs, lichamelijk en geestelijk een klein mannetje, zoekt zoals iedere mens, een uitzicht, een uitkomst, een uitweg. Hij klimt hoog in de boom.

 

Hij is niet thuis in de samenleving van de kleine stad Jericho. Een stad als een oase in de woestijn. Het zou daar zo mooi kunnen zijn. Er is water en vruchtbaarheid genoeg. Maar alle mensen staan op zichzelf. Zij hebben de samenleving verdeeld in de good guys en de bad guys. Rechtvaardigen en zondaars. Iedereen weet onuitgesproken feilloos bij welke groep zij of hij behoort.

En Jezus? “Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen”. Bij een man die gefaald heeft, zozeer voor zichzelf heeft gekozen, zijn rijkdom, zijn welvaart dat hij gruwelijk eenzaam is geworden, vastgeklonken in zijn eigen gat, geen kant kan hij op. Juist bij hem gaat Jezus op bezoek. Opvallend is dat Zacheus geen biecht spreekt. Jezus verwijt hem niets, houdt geen donderpreek: ‘jij lelijke afperser van jouw arme volk’. Zijn aanwezigheid in dat zondige tolhuis is voldoende om Zacheus tot inkeer te brengen. Elkaar ontmoeten in dat ene huis waar Jezus onze gast is.

 

“De Mensenzoon is gekomen om te zoeken, en om te redden wat verloren is.” Laten wij dit huis blijven bezoeken, dit ‘tweede huis’ van ons, dat heil ten deel valt door de aanwezigheid van Jezus die bij ons te gast wil zijn, wie wij ook zijn, opdat wij mensen met nieuw uitzicht worden, los gekomen uit ons isolement, onze beslotenheid, - kerkgemeenschap geworden en daaraan steeds weer bouwend. Zo moge het zijn. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------------------------

[1] 1Koningen 8, 22-23. 27-30; psalm 84; Efeziërsbrief 2, 19-22; Lucas 19, 1-10


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 10 oktober 2021

                                              28ste zondag door het jaar[1]

 

“Jezus, hem aankijkend, hield van hem.”

Het is net alsof de zon opgaat boven een bewolkt,

nauwkeurig, stipt, dor leven.

“Het woord van God ontleedt de bedoelingen en gedachten van de mensen”,zegt de Hebreeënbrief.

Oef.

“Geen schepsel is voor God verborgen, alles ligt open en bloot voor zijn ogen.”

Ja, ja, doe er nog maar een schepje bovenop.

Geen toneelstukjes, geen ingestudeerde glimlachjes. Voor God ligt alles open en bloot.

 

Dan lijkt God wel heel streng en zonder genade.

Niet weinigen zijn met zo’n bespiedende, alziende god opgegroeid. Veelal werden zij er niet vrolijk en gelukkig van. Niet weinigen hebben met kerk en godsdienst gebroken omdat zij zo niet verder konden in hun leven.

Zij moesten zich wel bevrijden van zo’n heftige, ongenadig alles ziende, alles keurende en veroordelende god.

 

Die godsbeelden gaan nog steeds rond. Ook in onze eigen katholieke kerk. Er zijn nieuwe bewegingen van gelovigen die zo radicaal zijn in hun geloofsopvattingen en in hun religieuze praktijken, dat zij neerzien op de massa van gelovigen, die volgens hen te gewoontjes zijn, te lauw, niet precies volgens de voorschriften van moraal, geloof en liturgie.

 

Zou die persoon die voor Jezus neerknielde ook zo iemand zijn geweest?

Jezus is onderweg, Hij is in beweging, Hij heeft een weg af te leggen, een taak, een missie te volbrengen.

Die man niet. Hij beweegt niet, hij knielt neer.

Dat lijkt heel vroom.

Maar was dat wel zo?

Wat wil hij daarmee?

Nou, hij is nogal ambitieus.

Hij wil het eeuwig leven verwerven. Toe maar. Eeuwig leven.

 

Jezus wijst de ambitieuze, knielende man heel praktisch en nuchter op de geboden. Een soort biechtspiegel houdt Jezus hem voor.

Niet doden, geen echtbreuk plegen niet stelen, niet vals getuigen, niet liegen, een ander niet te kort doen, je vader en moeder eren.

Zo praktisch, menselijk is God dienen, Jezus volgen.

In aanbidding neerknielen is goed en af en toe heilzaam, maar het is toch vooral de weg gaan van de geboden, de menselijkheid, de dienstbaarheid. Dat is leven, eeuwig leven.

 

“Dat alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af."

Een gelovig, godsdienstig man die zich daarvan heel bewust is. Zie eens: alle geboden heb ik onderhouden.

 

Maar toch, iets zit er niet goed, niet lekker. Hij is niet voldaan.

“Eén ding ontbreekt u.”

Maar voordat Jezus dat tegen hem zegt gebeurt volgens mij het meest wezenlijke.

Ik herhaal het zinnetje nog even en dan in mijn vertaling:

“Jezus, hem aankijkend, hield van hem.”

 

Het is net alsof de zon opgaat boven een bewolkt, nauwkeurig, stipt, dor leven.

“Jezus, hem aankijkend, hield van hem.”

Zo kijkt Hij naar u en naar mij,

die zo goed en zo kwaad als het gaat

Jezus volgen op zijn weg,

de geboden onderhouden,

goed doen voor onze naasten,

bidden en naar de kerk gaan, niet liegen en bedriegen.

 

“Eén ding ontbreekt u.”

Maak je los, maak je vrij. Bevrijd je van je bezittingen, je bezetenheid, je verslaving. Ontdoe je daarvan. Geef het aan de armen. Dat is jouw schat in de hemel.

 

De weg van de liefde dus. Niet blijven staan bij het nauwkeurig de geboden en regels volgen, hoe nodig die ook zijn. Maar een stap verder zetten dan het nukkig, onverzettelijk, fantasieloos leven.

 

De weg van de liefde.

Eergisteren stond ik aan het altaar van de abdijkerk van de benedictijnen in Oosterhout en daarna aan het graf van een oude monnik, die mij heel dierbaar was. Twee maanden eerder reisde ik naar hem toe om met hem de eucharistie te vieren. Dat wilde hij graag nog een keer.

Een precies volgens de Regel van sint Benedictus levende priester- monnik. Bovendien was hij een voortreffelijk zanger. Zijn heldere tenor had ook wel de zaal van de opera kunnen vullen en verwarmen. Maar Hij had voor het klooster gekozen en de lofzang voor God.

‘Zie. ik heb alles prijsgegeven om U te volgen.’

 

Dat doet elke monnik. En eigenijk alle gelovigen, alle gedoopten. Maar de vraag is natuurlijk hoe je dat doet.

Wanneer je deze oude man ontmoette dan voelde je: hij leeft op de weg van de liefde. Ooit had hij ervaren en beseft dat de Iemand hem aankijkend van hem hield.

Hij leefde eigenlijk aan de regel, aan de regels voorbij in het land van de liefde.

Op zijn oude dag had hij het moeten meemaken dat hij en zijn weinig overgebleven medebroeders het te groot geworden kloostergebouw moesten verlaten.

 

“Zie, wij hebben alles prijsgegeven om U te volgen.”

Maar de blijmoedigheid bleef bij hem. Hij wist dat hij Jezus niet moest ophouden op zijn weg, maar Hem moest volgen.

“Kom dan terug om Mij te volgen”

Pas wanneer je innerlijk vrij bent geworden, en vertrouwt op de liefde en niet langer op jouw nauwgezet volgen van de geboden, pas dan kun je volgeling zijn van Jezus.

 

In de oorspronkelijke tekst staan: acoliet zijn.

Beste acolieten, misdienaars. Zo vrij dus als jullie zijn, die zondagmorgen je bed, je huis, je computer en telefoon loslaat om de weg te gaan naar het altaar, Jezus te volgen.

 

In ons hart mogen wij dat allemaal zijn.

Acoliet zijn van Hem die ons aankijkend van ons houdt.

Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

 

--------------------------------------------------------

[1] Wijsheid 7, 7-11; psalm 90; Hebreeën 4, 12-13; Marcus 10, 17-30


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 3 oktober 2021

                      27ste zondag door het jaar[1]

 

Verantwoording nemen, iets opschrijven, jezelf uitspreken, jouw falen onder woorden brengen. Alleen dan léér je iets van je mislukking, alleen dan geef je de ander en jezelf een kans om na rouwen en uithuilen en machteloos tobben, opnieuw te beginnen.

Een week geleden was ik in Rome. De aanleiding was een huwelijk. Een vrouw en een man uit onze parochie wilden graag trouwen in de Eeuwige Stad. Natuurlijk was ik tot dit offer bereid en maakte tijd en vloog het koppel achterna. Voor geïnteresseerden noem ik de naam van de kerk: Santa Maria in Trastevere: een beeldschone, oeroude basiliek, de eerste kerk in Rome toegewijd aan Maria.

 

Zoals in ons tijdsgewricht wel vaker gebeurd was hun levensvolgorde een beetje andersom. Hun drie heel jonge zoontjes begeleiden hun ouders de kerk in, naar het altaar toe. Een filmisch mooi beeld in een zon-doorschenen middeleeuwse ruimte, waar Maria in mozaïek als dé koninklijke bruid is afgebeeld.

In de preek kon ik het niet laten de psalm van vandaag te citeren: “Als olijventakken rond de stam, zo staan uw zonen om uw tafel”.

De drie olijftakjes gaven geen kik, wel liepen zij veel heen en weer, om de zetels van hun ouders heen en wanneer het orgel speelde deden zij soms een dansje.

 

“Het is niet goed dat de mens alleen blijft. Ik ga een hulp voor hem maken die mij hem past”.

Een hulp. Letterlijk staat er: een tegenover. Zo zijn wij gemaakt. Onze ogen ziende recht voor ons uit, om de ander to ontwaren, te aanschouwen, voor haar, voor hem tegenover te zijn. Ik wórd pas iemand als een ander mij aanziet.

 

De mens heeft in wezen alles, vertelt het boek Genesis. De aarde is rijk en vruchtbaar; er zijn de vele dieren die hij een naam mag geven. Hij heeft alles wat zijn hartje begeert, maar hij is alleen, niemand die hem antwoord heeft. Of met de woorden van ons communielied dadelijk: “Zoals van meet af aan een mens geen antwoord vindt, als hij niet door een mens ten diepste wordt bemind, zo zult gij nu voortaan in liefde en in leed elkanders antwoord zijn, één lichaam en één geest”.

 

Maar de mens dreigt een hard hart te hebben, zegt Jezus in het evangelie. Wegens de hardheid, de dorheid, de onbeweeglijkheid en de onbewogenheid van jullie hart heeft Mozes iets geregeld om van je vrouw af te komen. Dat was al een heel stuk menselijker dan eerst. De vrouw had in die tijd nauwelijks rechten. Mozes dwong de man, in geval van verwijdering, scheiding, haar niet als een pakketje terug af te leveren bij haar familie, maar een brief te schrijven waarin hij zijn redenen aangeeft, opdat die vrouw een gezicht kreeg, een nieuwe kans om te worden verwelkomd door haar familie, een nieuwe stap te kunnen zetten naar haar toekomst.

 

Het mensenhart, kan hard zijn, dor, onbuigzaam, onbewogen en onbeweeglijk.

Tussen haakjes: de Schrift spreekt hier van ‘mens’ en nog niet van ‘man’ of ‘vrouw’. Nu is gender vandaag nogal een ding. Maar hier spreekt de bijbel gender-neutraal. Die hardheid zit in ons menselijk wezen.

 

Daarom is de Schepper opnieuw aan zijn mensen gaan werken, of zeg liever maar gaan sjorren, hoorden wij in de eerste lezing. God treedt heel drastisch op. Wanneer de mens eindelijk eens zijn regie verliest en in slaap valt, begint hij aan hem te wrikken en te trekken. Een goddelijke chirurg die het pantser van de mens openmaakt, hem wat zachter maakt,  wat meer mens van vlees en bloed maakt dan alleen maar harde botten en ribben. Zo ontstaat er ruimte in zijn harde lijf en ziel.

 

Ruimte voor de ander, een tegenover. Hij laat hij zich eindelijk in de ogen zien en hij leert ‘ja, ik wil’ te zeggen tegen zijn tegenover, zijn geliefde en zij tegen hem. Niet alleen maar mijn eigen wil doen en goddelijke gang gaan, maar ‘ja, ik wil’ tot die ene ander, die u, jou, mij als tegenover is gegeven. Dat geldt dus eigenlijk voor iedere mens, getrouwd of alleen gaand. Mij valt vaak op hoezeer alléén gaande mensen  een en al openheid, opmerkzaamheid, liefde zijn voor anderen. Het huwelijk wordt liever geen ontoegankelijk bastion, geen gesloten, ongastvrij huis, bijvoorbeeld uit angst de ander te verliezen. Dan zou het zijn doel voorbij schieten.

 

Maar het kan ook na verloop van tijd tegenvallen, of zelfs misgaan, de crisis kan te groot zijn om het uit te houden. Wat meestal wel is aan te raden, het te verduren, er samen doorheen te gaan, elkaar ook in die duistere tijd te leren kennen. Maar soms is het niet te doen. Of de oude onbuigzaamheid of zelfs hardheid kan terugkeren.

 

Jezus wordt door de farizeeën gedwongen zich daarover uit te spreken. Het hoort bij onze levens dat er mislukking is, crisis of zelfs scheiding. Zoals gezegd, ook dan wil Jezus dat wij humaan en omzichtig met elkaar omgaan. Niet de ander als een object wegsturen, wegpesten, laten vallen. Maar verantwoording nemen, iets opschrijven, jezelf uitspreken, jouw falen onder woorden brengen. Alleen dan léér je iets van je mislukking, je falen, alleen dan geeft je de ander en jezelf een kans om na rouwen en uithuilen en machteloos tobben, opnieuw te beginnen.

 

Het was heerlijk om na jaren weer in Rome te zijn. Ons bruidspaar ben ik heel dankbaar dat zij mij voor deze dienstreis hebben gevraagd. De stad leek wel in een feestroes. In vele kerken waar ik binnenging vorig weekend waren huwelijksvieringen gaande. Het leek na het feest-loze corona-jaar wel een inhaalslag.

 

Het huwelijk. Onze kerk leert dat het een sacrament is, een heilig teken. Dat mensen die ‘ja, ik wil’ tegen elkaar zeggen iets laten zien en voelen van Gods ‘ja’ tegen ons, van Jezus’ ‘ja, niet mijn wil maar uw wil geschiede’.

Zo moge het voor ons allen zijn. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

--------------------------------------------------------

[1] Genesis 2, 18-24; psalm 128; Hebreeën 2, 9-11; Marcus 10, 2-16


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 19 september 2021

                      25ste zondag door het jaar[1]

 

Jezus’ leerlingen willen helemaal niet weten van lijden en sterven en die verrijzenis…is dat wel te geloven?

Zij willen liever baden in de zon van zijn succes en niet delen in de duisternis van zijn verwerping en lijden.

Zo wordt de godsdienst tot een lieve, vrij nietszeggende levensbeschouwing, waarin de echte vragen van het leven, en het sterven en het opstaan onder het tapijt geveegd worden.

“Wie zo’n kind opneemt…”

 

Een kennis van mij, Rogier geheten, een man van middelbare leeftijd, getrouwd, kinderen, zet zich naast zijn drukke baan in voor kinderen in Syrische vluchtelingenkampen, geboren uit moeders die zich hebben laten verleiden daarheen te gaan.

Rogier vindt: die kinderen, geboren uit deze moeders, staan daarbuiten.

Zij staan buiten de volwassen strijd over de vraag wie de grootste is.

Als wij hen niet opnemen dan wijzen wij de onschuld, de menselijkheid, onze eigen kwetsbaarheid, het kind in ons, af.

 

Bijna wanhopig moet Jezus ervan zijn geworden: het onbegrip van zijn leerlingen. Ook in zijn vroegste kerkgemeenschap kwamen zij niet verder dan met elkaar ruzie te maken over de macht.

Wie is er de baas, wie heeft het voor het zeggen?

Zij hadden de Heer die dienaar was in hun midden, maar zelf waren ze bezig met het verdelen van de baantjes, de macht.

Bijna wanhopig moet Jezus er van zijn geworden.

De dienstbaarheid werd al gauw vergeten.

Zijn kerkgemeenschap begreep deze dienaar uit Nazareth niet.

 

En dat terwijl Jezus toch zijn uiterste best had gedaan.

Tijdens hun tocht door zijn vaderland Galilea was Hij bezig zijn leerlingen te onderrichten.

“De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van de mensen en zij zullen Hem doden; maar drie dagen na zijn dood zal Hij weer opstaan.”

 

Zij begrepen het niet en durfden er niet naar te vragen.

Onbegrip, zwijgen.

Onbegrip tussen mensen, tussen generaties, tussen echtgenoten, partners. Dat is menselijk, zo kan het soms gaan.

Maar zwijgen, niet de moeite de andere deelgenoot te maken van je gedachten, meningen, gevoelens.

Zo gaan we helaas soms met elkaar om.

Laten we de moeilijke onderwerpen maar niet op tafel leggen en bespreken. Laten wij het een beetje vaag en zogenaamd gezellig houden.

 

Zijn leerlingen willen helemaal niet weten van lijden en sterven en die verrijzenis…is dat wel te geloven?

Zij willen liever baden in de zon van zijn succes en niet in de duisternis van zijn verwerping en lijden.

Zo wordt de godsdienst tot een lieve, vrij nietszeggende levensbeschouwing, waarin de echte vragen van het leven, en het sterven en het opstaan onder het tapijt geveegd worden.

 

Bijna wanhopig geworden over zoveel onbegrip zette Jezus een kind in hun volwassen, berekenende, carrière- beluste midden.

“Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam neemt Mij op; en wie Mij opneemt neemt niet Mij op, maar Hem die Mij gezonden heeft”.

 

Een kind staat nog buiten de rat-race, de machtsstrijd van ons volwassen leven. Het is nog vol verwachting en vertrouwen afhankelijk van zijn ouders en verzorgers. Het is nog onbevangen.

 

Jezus is bezig zijn leerlingen te onderrichten. Hij identificeert zichzelf met een kind. “Wie een kind als dit opneemt, neemt Mij op”.

De leerlingen moeten nog veel leren. Bij het doopsel werden wij gezalfd met de heilige olie van de geloofsleerlingen. Wij blijven leerlingen. O wee, als wij denken dat wij het wel weten, dat niemand ons meer iets hoeft te vertellen. Wie zo denkt is pas echt dom.

 

In de maand oktober wil paus Franciscus in alle bisdommen van de wereldkerk, in alle parochies een synode beginnen. Hij wil zoveel mogelijk gelovigen betrekken bij een open overleg over de gemeenschap, de deelname en de missie van alle gelovigen van de kerk. Na alle mislukking en falen van de kerk moet zij haar roeping en missie weer ontdekken.

 

De paus ontmoet onder zijn medebisschoppen niet al te veel enthousiasme. In onze kerk waar gehoorzaamheid en controle centraal lijken te staan, willen velen liever geen gesprek. Zoals toen de apostelen: zij begrepen Jezus niet en hielden liever hun mond en waren liever bezig met hun eigen positie, plaats en invloed.

Terwijl Jezus geloofde dat alleen dienstbaarheid, de onbevangenheid en het gedurfde vertrouwen van een kind, de mensheid, de kerk, de wereld kon redden. 

Vandaag staan wij als parochiegemeenschap nog eens stil bij de 100-ste verjaardag van de heer Jan van Hecke.

 

Wat mij altijd in hem treft is zijn dienstbaarheid: aan zijn lieve vrouw, die hij, zelf op hoge leeftijd gekomen, tot het einde met zijn liefde en zorg heeft omringd. Ziin dienstbaarheid aan zijn gezin en aan de kerkgemeenschap. Week na week gewoon er zijn, pandemie of niet, vanzelfsprekend, onbevangen, vrolijk en ontvankelijk als een kind van God, deelnemend aan de lofzang.

 

Leven als een kind van God.

Dat leven is niet aan leeftijd gebonden.

Laten wij in Gods aanwezigheid onszelf onderzoeken of dat kind nog ergens in ons leeft of tot leven kan komen, - dat kind dat niet de baas wil spelen maar vreugde vindt in dienstbaarheid en vertrouwen.

Zo moge het zijn. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

-----------------

[1] Marcus 9, 30-37


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 5 september 2021

                      23ste zondag door het jaar.[1]

 

Wij christenen zijn mensen die zijn geopend, bij ons doopsel al, toen de priester of diaken onze zintuigen heeft aangeraakt: ‘effeta, ga open’.

Wij werden door het doopsel genezen van de doofheid van het egoïsme en de stomheid van de geslotenheid en van de zonde.

 

Het kan een mens goed doen een keertje op reis te gaan. De afgelopen anderhalf jaar hebben we niet veel mogelijkheden daartoe gehad. Het kan je verrijken, een beetje ruimer leren zien, leren meer open te staan voor wie anders zijn dan jezelf.

 

Jezus is naar het buitenland geweest. Voor een orthodox levende joodse man was dit geen vanzelfsprekendheid. Men bleef liever in eigen kring van geloofsgenoten die ook volgens de Tora, de wet van Mozes leven, koosjer leven, koken en zich voeden. We weten niet wat Jezus ertoe gebracht heeft, maar Hij is de grens overgegaan, fysiek en geestelijk, godsdienstig. Hij heeft de smeekbede van een Syrische vrouw beantwoord, Zich haar lot aangetrokken en dat van haar bezeten dochtertje. Jezus is open gegaan voor de roep, de roeping van de vreemdelinge.

 

Wij treffen de Heer vandaag bijna terug in het land, het beloofde land, in de streek van Dekapolis, de tien steden. Ook nog niet geheel koosjer gebied. Zoals gezegd: er is iets met Hem gebeurd. De smeekbede van de vreemdelinge heeft Hem veranderd.

 

“Men bracht een doofstomme bij Hem en smeekte Hem dat Hij deze de hand zou opleggen”.

Laten we even stilstaan bij dit verzoek. Ze vragen Jezus niet méér dan de ongelukkige man, die hier helemaal wordt teruggebracht tot zijn handicap, de hand op te leggen.

Teruggebracht tot zijn doofstom zijn.

Hoe ellendig is dat toch, het gevoel te krijgen van de mensen dat je samenvalt met jouw ziekte of doof-zijn, sprakeloos zijn, jouw huidskleur, jouw lengte, geaardheid, achtergrond.

Jouw eigenheid, jouw gedachtenwereld, jouw mogelijkheden worden helemaal voorbijgezien.

Je wordt teruggebracht tot een probleem, een aandoening, een handicap.

 

Dit evangelie van die doofstomme man, in zichzelf opgesloten, heeft het ook over ons.

Soms sluiten we ons op in onszelf, zijn we als ontoegankelijke en ongastvrije eilanden. Soms hebben anderen ons zo gemaakt, soms kiezen we er uit angst of verlegenheid zélf voor.

Soms kan een gezin, een familie gesloten zijn; soms kan een parochie gesloten zijn, alleen met zichzelf bezig, haar eigen ideeën, verlangens, plannen. Soms kan een land gesloten zijn: het wil de stem van de mensen buiten in nood liever niet horen. We hebben genoeg aan onszelf. Eventueel, als het niet anders kan, kopen we ze af met veel of weinig geld.

 

Jezus doet méér dan het opleggen van zijn handen, zoals gevraagd.

Hij neemt de man terzijde, buiten de kring van het volk en raakt Hem intens aan, steekt hem de vingers in de oren en raakt zijn tong met speeksel aan. Een drastische therapie.

Ooit vertelde een vrouw mij dat zij jaren lang niet had gesproken met mensen en zeker niet in groepen. Zij kon het niet. Ja, zij kon wel spreken, over het weer en de hoogte van de prijzen. Maar niet over wat er in haar leefde, haar gevoelens, haar probleem, haar eenzaamheid, wanhoop. Het had jaren van zorgvuldige therapie gekost, individueel en in een groep. Iemand had haar terzijde genomen, had zich de moeite getroost zich in haar te verdiepen, ópen te gaan voor haar, haar niet alleen als een probleem te zien, maar als mens met mogelijkheden voor de toekomst. Haar oren geopend, haar tong losgemaakt.

 

Wij christenen zijn mensen die zijn geopend, bij ons doopsel al, toen de priester of diaken onze zintuigen heeft aangeraakt: ‘effeta, ga open’.

Wij werden door het doopsel genezen van de doofheid van het egoïsme en de stomheid van de geslotenheid en van de zonde. We werden opgenomen in de wereldwijde familie van de kerk. Daar kunnen we zondag na zondag, dag na dag, luisteren naar Jezus’ oproep om open te gaan voor zijn bevrijdend, genezend, verlossend Woord, dat misschien wel in ons begraven ligt onder de doornen van zorgen, vooroordelen, misleidingen van de wereld om ons heen.

 

Geve God dat wij weer open gaan, onze sprakeloosheid loslaten en ons laten bevrijden uit de eenzaamheid, het egoïsme en de geslotenheid van ons bestaan. Zo moge het zijn. Amen.

 

Nico van der Peet 

 

 

-------------------------------------------

[1] Jesaja 35, 4-7a; Jakobus 2, 1-5; Marcus 7, 31-37


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, zondag 29 augustus 2021

                       Patroonsfeest Sint Augustinus[1]

 

Er wás iets met Augustinus. Hij was niet voldaan, er was onrust in zijn hart.

Zo kan het gaan met ons: je hebt veel, je kunt veel, je bent geliefd, maar er is een stem in je die je zegt dat je onder de maat leeft, dat er méér is.

 

“Vaar nu naar het diepe”, vraagt Jezus aan Petrus.

Maar Petrus ziet het niet zitten. Heel de nacht heeft hij gezwoegd zonder iets te vangen.

 

De patroon van onze kerk en parochie, de heilige Augustinus, zag het ook niet zitten om naar het diepe te varen, om de oppervlakte van het bestaan achter zich te laten.

Later schrijft hij, jaren na zijn doop in het jaar 387, jaren nadat hij bisschop was geworden van het Noord-Afrikaanse stadje Hippo, - later schrijft hij dat hij al heel lang een innerlijke stem had gehoord, een ‘drive’ had gevoeld.

Die stem, die drive maakten hem wel onrustig. Maar lange tijd deed hij er niets mee. "Morgen is er weer een dag”. In het Latijn is het woord voor morgen: ‘cras’. Augustinus schrijft: ‘ik leek wel een vogel: ik bleef maar zeggen ‘cras, cras’, morgen zal ik veranderen, luisteren naar die innerlijke stem, iets doen met die onrust in mij, zal ik me bekeren, zal ik eindelijk naar het diepe varen, samen met Jezus, die - zoals bij Petrus - al in zijn boot was gestapt.

 

Dat staat daar mooi: “Jezus stapte in één van de boten, die van Simon (Petrus) en vroeg hem een eindje van wal te steken.

Aan de ene kant ís Jezus er gewoon. Hij vraagt niet of Hij aan boord mag komen, Hij stapt gewoon in.

Maar daarna vraagt Hij beleefd aan Petrus of hij een eindje van wal wil steken, in beweging wil komen, een beetje. Rustig aan, dan breekt het lijntje niet. Zo wordt een mens, zo wordt u en word ik geroepen om mijn veilige oever de verlaten en van wal te steken.

 

Petrus had er een zware nacht op zitten. Met zijn maten had hij de netten uitgeworpen.

Doodmoe, zonder resultaat, zonder vangst, leven aan de oppervlakte, - stoere mannen, maar diep in hun hart een beetje bang, een beetje een leeg bestaan leidend.

Aan de kant blijvend, over alles en iedereen een mening, met een kratje bier bij de hand roepend dat dit alles hier van jou is en dat je alles wilt houden zoals het is.

 

Augustinus van Hippo is de man van de zoekers.

Zoon van een vader die geestelijk ook een beetje aan de kant bleef staan, alle opties open hield en zich pas liet dopen op zijn sterfbed.

Hoe anders was zijn moeder Monica. Wat een vrouw. Zij was op jongere leeftijd al naar het diepe, naar de doop gevaren en had een grote vangst gedaan: een opgewekt, krachtig, vruchtbaar geloof. Met het hele volk zong zij onder leiding van de bisschop, Ambrosius, in de kerk van  haar woonplaats Milaan de liederen, de hymnen. Dat was toen iets nieuws. Heel het volk zong vanuit de diepte van zijn hart.

 

Hoe verlangen we daarna in onze dagen: weer allen samen te mogen zingen: psalmen, hymnen, liederen. We zijn blij met de leden van nota bene het Monicakoor, die het voorlopig op zich nemen. Maar we zien uit naar de dag dat allen mee kunnen zingen. Zoals Monica deed, dag na dag.

 

Monica was een sterke vrouw met een krachtige wil. Ze besteedde veel tijd aan gebed voor haar zoon.

 

Waarvoor bidt een moeder?

Dat haar zoon gelukkig wordt natuurlijk; dat hij leeft uit vertrouwen, geloof; dat hij niet alleen gaat voor geld en carrière; dat hij een mens van liefde wordt, die zichzelf kan geven; dat hij niet (diep in zijn hart) angstig aan de kant blijft staan, zijn leven niet uit de verf komt.

 

Monica was in de buurt van haar zeer talentvolle zoon, die bezig was met een mooie loopbaan als docent, dichtbij het keizerlijke hof. Een goede betrekking, een gezocht geleerde en spreker, een knappe filosoof.

Bovendien had hij een leuke vriendin met wie hij een kind had, Adeodatus, -‘door God geven’ betekent zijn naam.

Maar nergens noemt hij later de naam van die vriendin, de moeder van hun zoon, alsof zij niet méér was voor de oppervlakkige jonge Augustinus, dan een accessoire in zijn mannelijk bestaan.

 

Maar er wás dus iets. Hij was niet voldaan, er was onrust in zijn hart.

Zo kan het gaan met ons: je hebt veel, je kunt veel, je bent geliefd, maar er is een stem in je die je zegt dat je onder de maat leeft, dat er méér is.

Niet méér geld of roem, niet oppervlakkig en denigrerend met je vriendin, met medemensen omgaan, maar een leven van een heel andere orde: een diepte, die je nog niet hebt durven bevaren, doorschouwen, op je laten inwerken.

 

Jezus zit al bij jou in de boot van jouw leven, je hoeft alleen nog maar naar Hem te luisteren, ín te gaan op zijn verzoek om een stukje samen uit te varen.

 

De patroon van onze parochie en van onze kerk past goed bij onze tijd, waarin zo veel mensen zijn die blijven afwachten, toekijken.

Hoe fijn is het dat er mensen zijn die naar Jezus luisteren en naar het diepe durven varen. Wat fijn dat er ook in onze tijd mensen zijn die niet alleen protesteren tegen het onbekende, tegen de onbekende mensen en meningen, maar die bij zichzelf beginnen; die niet preken tegen alles en iedereen, overal een mening over hebben, maar zelf niet bereid zijn te veranderen.

 

Zoals Petrus. “Bij het zien van die grote vangst viel Simon Petrus Jezus te voet en zei: ‘Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens.’”

 

Een zondig mens. Dat kan zoiets betekenen als: ‘ik kan mijzelf niet redden, ik heb barmhartigheid nodig; ik, stoere visser, heb liefde nodig, anders ben ik nergens’.

 

Die vergeving, die liefde, die barmhartigheid kunnen wij niet zelf organiseren. Daarvoor heb je een ander nodig, daarvoor heb je dé Ander nodig, anders blijven we altijd in het pierebad en komen we aan het diepe nooit toe.

 

Vandaag bidden we op voorspraak van de heilige Augustinus: dat u en ik en wij als Augustinus-gemeenschap niet te vlug tevreden zijn; dat wij bevrijd worden van de mislukkingen van lange nachten, en dat wij ons door de Heer laten roepen en durven uitvaren naar het diepe. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-------------------------------------------------------------------

[1] Deuteronomium 4, 1-2. 6-8; Jakobus 1, 17-18, 21b.-22.27; Lucas 5, 1-11

Afbeelding: John Nava, Augustinus van Hippo, Corpus Christikerk, Ohio, USA


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 22 augustus 2021,

                                               21-ste zondag door het jaar[1]

 

Zoals Jezus Zich helemaal heeft gegeven, zelfs zijn leven heeft losgelaten uit liefde, zo moet de verhouding zijn tussen man en vrouw, tussen christenen.

Hij nodigt ons uit onszelf los te maken van al het vertrouwde, ons autonome bestaan, ons egocentrisme, eventueel ons narcisme, onze eigenwaan, onze zelfzucht. “Daarom zal de man vader en moeder verlaten om zich te hechten aan zijn vrouw en die die zullen één vlees zijn”.

Voor vandaag heb ik iets gedaan wat ik nog nooit heb gedaan: ik heb gesneden in de Heilige Schrift.

Een paar regeltjes uit de tweede lezing heb ik u bespaard.

Die lezing begint met, u herinnert het zich nog goed: “Broeders en zusters, weest elkander onderdanig uit ontzag voor Christus”.

 

Die zin is op zich al heftig genoeg voor ons, zelfbewuste, niet al te onderdanige 21ste eeuwse mensen.

Na deze pittige zin zoemt Paulus in op de vrouwen en daarna op de mannen. Ook dat valt velen van ons niet mee.

In de trein worden wij niet meer ‘dames en heren’ genoemd, maar: ‘beste reizigers'.

Sommigen zijn daar boos over, ik niet zo erg.

“Reizigers” spreekt mij, bijbellezer, wel aan.

Ons leven is een reis.

In de trein beleef je dat een beetje méér dan anders.

Wij hebben hier geen blijvende woonplaats.

Wij zijn onderweg naar ons vaderland.

Wij zijn - om met sint Augustinus te spreken - wij zijn nog niet ‘in patria’ maar wij zijn hier ‘in via’, onderweg.

 

Vrouwen en mannen. Paulus drukt zich bepaald niet non-binair uit.

Hoewel, zo begint hij wel. Beide groepen, broeders en zusters, worden uitgenodigd elkaar onderdanig te zijn uit ontzag voor Christus.

 

Daarna komt dan het stukje dat ik er even uitgesneden hebt.

Dat heb ik gedaan, omdat u misschien anders zo geschrokken of geërgerd was dat u niet meer verder had geluisterd.

Er staat - ik onthul het u nu toch maar - :

“Vrouwen, weest onderdanig aan uw man als aan de Heer.

Want de man is het hoofd van de vrouw

zoals Christus het hoofd is van de kerk”.

 

Drie jaar geleden werd deze zin ook gelezen, ook in de Vlaamse TV-mis. Diezelfde dag maakte een Vlaams politicus, die zelden in een kerk is gesignaleerd en nooit ook maar de geringste interesse heeft getoond in het kerkelijk leven, groot misbaar. Die kerk moest haar kop eens houden met al haar achterhaalde teksten.

Onderdanig zijn aan elkaar. De vrouw aan de man, zegt Paulus. Zoals de kerkgemeenschap aan Christus. Paulus vergelijkt de kerk met een bruid en Christus met de Bruidegom. Zoals een lied zingt: “Christus, de Herder, roept de zijnen; de Bruidegom begroet zijn bruid”.

Zo was het in Paulus’ tijd.

En de mannen: die moeten toch ook onderdanig zijn.

Ja, dát krijgt Paulus nu niet zo uitdrukkelijk uit zijn pen. Daarin is hij een kind van zijn tijd. En dat zou ook niet kloppen voor de Bruidegom Christus. Die is niet onderdanig aan zijn bruid, de Kerk.

 

Maar hoe is die verhouding dan wel?

“Hij is de Verlosser van zijn Bruid:

“Mannen, hebt uw vrouw lief zoals Christus de kerkgemeenschap heeft liefgehad: Hij heeft zich voor haar overgeleverd om haar te heiligen, heel te maken, haar reinigend, wassend door het waterbad met het woord.

Is dat niet mooi? Christus als een moderne bruidegom, echtgenoot, die zijn bruid wast, zalft, heelt?

Paulus schrijft hier natuurlijk over de doop. Eigenlijk is Paulus zijn autoritaire, patriarchale tijd hier vooruit.

De Bruidegom, de man is een en al tedere, ja - als ik het zeggen mag - vrouwelijke zorg voor zijn partner, zijn bruid.

 

Zoals Jezus Zich helemaal heeft gegeven, zelfs zijn leven heeft losgelaten uit liefde, zo moet de verhouding zijn tussen man en vrouw, tussen christenen.

Hij nodigt ons uit onszelf los te maken van al het vertrouwde, ons autonome bestaan, ons egocentrisme, eventueel ons narcisme, onze eigenwaan, onze zelfzucht. “Daarom zal de man vader en moeder verlaten om zich te hechten aan zijn vrouw en die die zullen één vlees zijn”.

 

Kom daar nog eens om. Dat zijn grote woorden.

Wie durft dat nog in onze tijd?

Wij, 21ste eeuwers, lijken soms wel bibberende kinderen die aan de rand van het zwembad staan en niet durven te springen.

 

“Deze taal stuit iemand tegen de borst. Wie is nog in staat naar Hem, Jezus, te luisteren?”

 

Jezus had over Zichzelf gesproken als over het Brood dat uit de hemel is neergedaald. ‘Wie dit brood eet, zal leven in eeuwigheid. Mijn woorden zijn geest en leven’.

Jezus geeft Zichzelf als brood, laat Zich breken, eten, zodanig dat wie eten zijn levende lichaam worden, zijn gemeenschap, zijn bruid.

 

Soms zie je het in mensen om je heen. Dat ze pas gelukkig worden als zij zichzelf verliezen, zich geven aan de ander. Dat zij pas zichzelf worden als zij zich verheugen om het geluk van de ander. Mensen worden daar mooier van, stralend, worden om zo te zeggen een ander mens.

Zo heeft Jezus het gedaan. Hij straalde van een nieuw licht, het licht van de een mens die Zichzelf heeft gegeven, zichzelf heeft verloren en als nieuw is opgestaan.

 

Voor heel wat mensen gaat dat veel te ver.

“Tengevolge hiervan trokken velen van zijn leerlingen zich terug en verlieten zijn gezelschap”.

Zij kiezen voor zichzelf. Jezus belet het hen niet. Hij excommuniceert hen niet, veroordeelt niet. Hij laat hun de keuze. Je kunt en mag mensen niets opdringen; er mag geen gewetensdwang of - drang zijn.

 

Zo was het ook in de dagen van Jezus’ naamgenoot Jozua, eeuwen vóór Jozua, Josjua, Jezus van Nazareth.

Wie wil je dienen in jouw leven?

De God die bevrijdt uit verslaving en onderdrukking

of de afgoden die overal om je heen zijn,

die jou zogenaamd verwennen maar jou eigenlijk enorm onvrij houden?

 

Jozua zegt: “Ik en mijn familie, wij dienen de Heer”.

Hij dringt niets op. Hij kiest zelf en probeert zo geloofwaardig mogelijk zijn keuze, mét zijn gezin, trouw te blijven.

Meer kunnen u en ik ook niet. Wel kunnen wij zo goed mogelijk uit liefde onszelf geven.

“Weest elkaar onderdanig uit ontzag voor Christus…zoals Christus zijn gemeenschap heeft liefgehad. Dit geheim van liefde heeft een diepe zin”, zegt Paulus.

“Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.”

 

Laten wij naar Jezus gaan, laten we voor Jezus gaan, laten we voor elkaar gaan (een beetje nieuwe vertaling van: elkaar onderdanig zijn), laten we voor elkaar gaan en laten we geloven en weten dat Hij de Heilige van God, dé Mens om voor te leven. Amen.

 

Nico van der Peet 

 

--------------------------------------------------------

[1] Jozua 24, 1-2a.15-17.18b; Efeziërs 5, 21-32; Johannes 6, 60-69

Afbeelding: Rafaël, de verloving van Maria en Jozef (1504)


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, zondag 15 augustus 2020

                       Hoogfeest Maria Tenhemelopneming.[1]

 

God neemt Maria op, Hij neemt haar en ons aan, aanvaardt ons zoals wij zijn, laat ons niet verloren gaan in het bederf van de dood (…)

Nu is het onze taak even hoopvol te zijn als deze Vrouw: dragers van toekomst van gerechtigheid en vrijheid te zijn. Nu is het onze taak het perspectief op de hemel vast te houden.

 

Een Vrouw.

Bekleed met de zon, de maan onder haar voeten,

en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren.

 

Johannes, in zijn openbaring, zijn apokalyps, onthult ons niet wie zij is.

De katholieke traditie heeft in haar altijd Maria herkend, de moeder van de Messias, Jezus, Zoon van God. De gelovigen gingen Maria de Moeder van God noemen, ook in hun gebeden. “Heilige Maria, Moeder van God, bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood.”

 

In die Vrouw, met haar kroon van twaalf sterren, kun je ook de vertegenwoordigster herkennen van de geloofsgemeenschap van Israël: de twaalf sterren verwijzen naar de twaalf zonen van Jakob, Israël, de twaalf stammen.

In die Vrouw kun je ook de kerkgemeenschap herkennen, ook wel eens ‘het nieuwe Israël’ genoemd, mede-erfgenamen van de eerste geloofsgemeenschap van de Israëlieten.

 

Toen verscheen aan de hemel een ander teken: een grote vuurrode Draak.

De openbaring van Johannes vertelt niet zozeer over de toekomst maar vooral over het heden. We denken dat de draak de grote machthebber voorstelt van de tijd van Johannes en Jezus: het almachtige Romeinse keizerrijk, dat die weerloze vrouw, die op het punt staat te gaan baren, bedreigt en haar kind wil verslinden. Een zeer concreet gebeuren dus, verhuld in visionaire taal. Want het was gevaarlijk kritisch te zijn op die

draak van een machthebber. Je moest geheimtaal gebruiken. Zoals dat in sommige wereldmachten nog steeds moet. Alle kritiek wordt de kop in gedrukt, de kwetsbare, menselijke toekomst van gerechtigheid en vrijheid dreigt te worden verslonden.

 

Maar de Vrouw ontkomt en baart haar Kind…dat ijlings in veiligheid wordt gebracht.

God behoedt het Kind. God behoudt de toekomst. Hij bewaart die veilig voor de mensen, totdat die een kans krijgt.

Sommige mensen werken die toekomst van gerechtigheid en vrijheid tegen. Zij zijn angstig. Zij willen alles in de hand houden, hun positie, hun macht; ze willen met alle macht hun economische en financiële belangen verdedigen. God wacht op een kans. Zijn almacht bestaat er niet in dat Hij met geweld zijn wil oplegt. Dat zou de mensen kleinéren en degraderen tot marionetten in een goddelijk poppenspel. Zijn almacht is die van het geduld, zijn trouw, zijn getrouw wachten tot mensen tot inkeer, tot bekering komen en zijn wachten beantwoorden, hun verantwoordelijkheid nemen.

 

Het hoogfeest van vandaag gaat over de toekomst, over de bestemming van de mens. Maria Tenhemelopneming. Hij laat Maria, deze eerste gelovige van de geloofsgemeenschap van Jezus, niet verloren gaan. Hij neemt haar op. Ons feest heet dan ook niet Maria Hemelvaart, maar Tenhemelopneming. Zij kan het niet zelf, zoals Jezus Zélf opsteeg naar de Vader. God neemt haar op, Hij neemt haar en ons aan, aanvaardt ons zoals wij zijn, laat ons niet verloren gaan in het bederf van de dood.

Het gaat vandaag over de hemel, de toekomst.

Paulus schrijft, in de tweede lezing: “De laatste vijand die vernietigd wordt is de dood”.

Wij leven in de tijd van de secularisatie, de ontkerkelijking. Het religieuze gewaad waarin onze samenleving ooit was gehuld, is grotendeels verdwenen. We staan geestelijk, innerlijk een beetje ontkleed. Soms voelt het koud en guur aan in een puur seculiere wereld. En daarmee is ook het perspectief op de hemel verdwenen. De mensen zijn achtergelaten in een hier-beneden zonder perspectief, op hemel, op toekomst, ook over de dood heen.

Deze afwezigheid van perspectief wekt de behoefte op de leegte, het ontbreken van een toekomst te vullen met consumptie. Maar het is een leegte die nooit gevuld raakt. Wij zien dat: de productie, en de daarmee gepaard gaande uitputting van de aarde gaan maar door, ondanks alle waarschuwingen die het klimaat ons geeft. Wij blijven maar bezig de leegte te vullen.

 

De Vrouw, Maria staat hier tegenover. Zij is de Vrouw van de toekomst. Zij staat aan de drempel van een nieuwe toekomst. Zij draagt het Kind in haar schoot en draagt het Kind, de toekomst van gerechtigheid en vrijheid, de wereld binnen. Evenals haar nicht Elisabeth, die menselijk gesproken te oud is om nog een kind te baren, Maria is er eigenlijk nog niet aan toe. God is vol verrassing. Hij heeft deze vrouwen gevraagd die toekomst de wereld in te dragen.

 

De Vrouw staat daar als vertegenwoordigster van heel de gelovige gemeenschap van Israël en van de Kerk. Nu is het onze taak even hoopvol te zijn als deze Vrouw: dragers van toekomst van gerechtigheid en vrijheid te zijn. Nu is het onze taak het perspectief op de hemel vast te houden. Ons wordt gevraagd ons niet te gedragen als de draak, die onze oude manier van leven koste wat het kost willen behouden, tot elke prijs, ook al betekent dat de vernieling van de aarde, het klimaat, de vrijheid, de gerechtigheid voor de armen en de meest kwetsbare mensen van deze wereld.

 

Maria Tenhemelopneming.

Onze kerk belijdt dat Maria die toekomst definitief is ingegaan. Zij staat daar, haar leven is bekroond. “Wij groeten U, o Koningin”, werd voor ons gezongen. Haar aardse leven kreeg zin, niet door macht, bezit, consumptie, maar door haar geloof, dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer is voorzegd.

Op haar voorspraak vragen wij om meer geloof in de toekomst, in de hemel. Zij zong daarvan: “Heersers, draken ontneemt Hij hun troon, maar Hij verheft de geringen. Die hongeren overlaadt Hij met gaven, maar rijken zendt Hij heen met lege handen.”

Het geloof van Maria in de toekomst moge ons bezielen: het perspectief op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar gerechtigheid zal wonen.

Amen.

 

Nico van der Peet

------------------------------------------------------------

[1] Apokalyps 11, 19a; 12, 1 - 6.10ab; 1 Kor. 15, 20-26; Lucas 1, 39 - 56