Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, hoogfeest Kerkwijding

                      12/13 oktober 2019[1]

 

“Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel”.

Deze woorden van Petrus, uit onze tweede lezing, las ik als kind elke zondag en bij elke doordeweekse schoolmis, wanneer ik onze ruime, hoge, moderne parochiekerk binnenging, de Petrus en Paulus in Haarlem-Noord, gebouwd begin jaren zestig als bekroning van de naoorlogse buurt waarin ik ben geboren en getogen: de kerk waarin ik eerste communie heb gedaan, ben gevormd en de eerste keer de heilige Mis heb opgedragen.

Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel.

Deze woorden waren aangebracht in de zogenaamde hoeksteen, eerste steen van die kerk van mijn jeugd. Elke keer las ik ze als klein kind en elke keer begreep ik er niets van. Mijn vader was gasfitter en geen metselaar. Stenen voegen, de bouw, wat wist ik er van?

“Laat u als levende stenen voegen”. Wat moest ik me daarbij voorstellen: levende stenen?

 

De apostel Petrus ziet de kerkgemeenschap als een gebouw, samengesteld als stenen, geen losse stenen, maar stenen die zich laten voegen. Een steen die op zichzelf blijft betekent niets. Je kunt er over struikelen en iemand die kwaad is kan hem oprapen en ermee gaan gooien. Losse stenen: symbool van een samenleving die uiteengevallen is, waar mensen hun plaats niet meer kunnen vinden en gaan gooien met stenen, met harde woorden, die pijn doen, beschadigen of zelfs letterlijk stenen gaan gooien naar elkaar.

 

Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel.

Stenen zijn dode materie. Petrus nodigt ons uit levende stenen te worden, die zich laten voegen. Vandaag gedenken wij de wijding van ons kerkgebouw, precies vijf jaar geleden. Wij hebben ons laten voegen in dit ene gebouw. Wij bezaten veel meer stenen gebouwen. Nu bewonen wij er nog één. Velen hebben zich laten voegen. Mensen die vroeger andere kerken bezochten, mensen die de jaren door deze kerk bezochten, wij zijn een stukje opgeschoven om letterlijk en geestelijk ruimte te maken voor anderen. “Want mijn huis zal heten: Huis van gebed voor alle volken”.

 

Ook mensen uit andere landen en culturen hebben zich als levende stenen laten voegen. Ook al is Nederlands hun tweede taal en is Latijn heel vreemd, zij nemen hun plaats in. Zo wil God het ook, volgens de profeet Jesaja. Wij hoorden het in de eerste lezing. De tempel was er niet langer alleen voor de beperkte gemeenschap van de Israëlieten, maar voor alle volken.

 

Dat is de taak van onze kerkgemeenschap: de mensen, de volken, alle culturen te laten ervaren en voelen: God bekommert zich om je, is bezorgd om je, houdt van je. Christus wil jou op jouw weg begeleiden en voeden. Voor het oude Israël was dat ontzettend moeilijk te accepteren: dat de God van hun volk en cultuur hield van alle volken en culturen. De kerk van vandaag vindt dat vaak ook moeilijk. Dat zie je aan het verzet van sommige groepen in de kerk tegen de synode voor de Amazone-volken. Zoveel openheid voor vreemde culturen kunnen sommigen niet opbrengen. Toch leert dat ons de heilige Schrift. God wil zich niet beperken tot een intieme kring van getrouwen, van mensen die zichzelf uitverkoren en volmaakt voelen. Hij zoekt contact en verbond met alle mensen en wil allen begeleiden op hun levensweg. Alle culturen en alle generaties.

 

Gelukkig vinden gelovige mensen van vele culturen en achtergronden hier hun plaats: laten zij zich voegen als levende stenen en maken wij ruimte voor elkaar. Dat ruimte maken doet soms pijn. Niet altijd kun je zingen wat jou vanouds vertrouwd was. We mogen ernaar streven ook ruimte te maken voor andere vormen, teksten en melodieën.

Alle generaties. Mijn grootste zorg is het contact tussen de generaties. Het lukt onze kerk en ook onze parochie niet goed contact te krijgen met de jongste generaties. We zijn verplicht om eerlijk, nederig en zonder oordelen vooraf, te zoeken naar de redenen van deze kortsluiting. Wij volwassenen moeten niet onderling bedenken en bediscussiëren waaraan het ligt. We zullen moeten gaan luisteren naar de jongeren die wij kennen en tegenkomen. De kerk is er om alle culturen en generaties, ook de jongeren, te laten ervaren dat God van hen houdt, dat Christus hen wil begeleiden op hun levensweg; dat hun leven een richting, een doel heeft. Dat de kerk er niet op de eerste plaats is om zichzelf in stand, een succesverhaal te worden, maar om deze wereld en allen die erop wonen van dienst te zijn: Gods liefde en gerechtigheid te laten ervaren.

 

In het evangelie lezen wij dat Jezus naar de tempel is gegaan, het is winter. In december vieren de joden het tempelwijdingsfeest. Jezus hield van de tempel. Hij was als een steen die zich voegen liet. Petrus belijdt Jezus als de hoeksteen van het gebouw van de geloofsgemeenschap. Hij houdt ons bijeen. De grootste steen in onze kerk, de altaarsteen spreekt daarvan. Vijf jaar geleden heeft de bisschop die steen gezalfd met de heilige Olie, het chrisma. Nu vereren wij die altaarsteen als Christus Zelf. Maar pas op. Jezus is ook de steen die de bouwers hebben afgekeurd, de steen waaraan zij zich stoten. Jezus moet dat hebben voorvoeld. Ze zullen me eruit gooien, uit deze tempel, dat bolwerk van de mensen die zichzelf als volmaakten zien. Dat gevaar is er altijd: dat de gemeenschap in zichzelf gekeerd raakt, zichzelf als heilig en volmaakt gaat zien. Daar ging het Jezus niet om. Hij wilde de mensen bij elkaar houden, deze versnipperde mensheid die als losse stenen langs de kant van weg lag.

“Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. Ik geef hun eeuwig leven; zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan en niemand zal ze van Mij wegroven”.

Wij horen bij elkaar als huis van gebed voor alle volken. Levende stenen die zich voegen laten. Jezus wil ons hier waarachtig, eeuwig leven geven. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------

[1] Jesaja 56, 1.6-7; 1Petrus 2, 4-9; Johannes, 10, 22-30


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 5/6 oktober 2019

                       Zevenentwintigste zondag door het jaar[1]

 

 

Wie meer geloof wil kan beter naar de plaatsen gaan waar geloof is te oefenen, de kerk, het ontvangen van de sacramenten, het lezen van de Schrift, het gebed. Liturgie en diaconie, de dienstbaarheid, zeg maar de maaltijd klaarmaken, jezelf omgorden en bedienen, als broeders en zusters van elkaar, de ene Heer dienen en liefhebben en je naaste als jezelf. Moge zo ons geloof, zo licht als een mosterdzaadje, al onze zwaarheid en gewichtigheid verlichten en mogen we ons laten planten in een zee van beweging, geloof, dienstbaarheid en liefde.

 

 

 

VERKONDIGING

 

Een mosterdzaadje en de wortels van een moerbeiboom: groter tegenstelling kun je wel niet bedenken.

Jezus spreekt in dit evangelie niet tot alle mensen die Hem volgen, maar tot zijn inner circle, de apostelen, dat wil zeggen de mensen die Hij persoonlijk heeft uitgekozen en uitgezonden. Apostel betekent: gezondene, gezant, ambassadeur van Jezus. In Jezus’ tijd, in de volgende generatie van apostelen na Jezus en tot in onze dagen, dreigen de naaste leerlingen van Jezus te gaan lijken op moerbeibomen. Deze bomen, las ik ergens, bezitten een zeer uitgebreid wortelstelsel. Zij zijn bijna niet los te wrikken uit de aarde, stevig staand, geworteld, onbeweeglijk en vaak onbewogen. Kun je ooit die mensen, die onwrikbare gelovigen in beweging krijgen? Of laat ik niet te ver zoeken: zit het ook in mezelf, die onbeweeglijkheid; kan ik, wil ik van mijn plek komen? Of houd ik zelfverzekerd of stiekem onzeker, angstig en krampachtig vast aan mijn positie en bezit, gewoonte en inzicht, standpunt en waarheid?

 

We maken het mee in ons land. Soms lijkt de parlementaire en maatschappelijke discussie wel een gesprek tussen doven. De zogenaamde dialoog is dan alleen nog maar een gelegenheid je eigen mening rond te toeteren zonder te luisteren naar mensen met een andere mening. Ja, een enkeling gaat zover dat hij de microfoon uit de handen van de tegenstander rukt.

 

Zo onwrikbaar zijn als een moerbeiboom. Je maakt het ook mee in de kerk. Soms denk ik wel eens, bij sommige kerkelijke bijeenkomsten: we zijn formeel lid van dezelfde kerk, maar verstáán we elkaar nog wel, zijn we niet onuitgesproken uit elkaar gegaan, van elkaar afgesplitst?

 

Tegenover de niet te bewegen moerbeiboom stelt Jezus het mosterdzaadje. Nogmaals, de tegenstelling kon niet groter. U weet het, het mosterdzaadje is bijna niets, vederlicht, je blaast het zo weg, de wind voert het mee.

 

Die belangrijke apostelen vragen aan Jezus: “geef ons meer geloof”.

Zijn antwoord: word als een mosterdzaadje.

Dat wil zeggen: word zo licht, zo vatbaar voor de wind, de adem van de Geest, als een mosterdzaadje. Kom van je plaats, laat je meevoeren. ‘Naar verten die niemand weet’, zoals een mooi huwelijkslied zingt.

Vandaag mogen we denken aan grote voorbeelden van geloof die dat inderdaad deden.

Denk aan Theresia van Lisieux, die we 1 oktober herdachten: meisje uit een zwaartillend, burgerlijk milieu met een loodzware, zonde-bewuste geloofsbeleving. Haar hart werd op een kerstdag in haar jeugd, geraakt en bevrijd en ze steeg uit boven de benepenheid van haar omgeving.

Of denk aan sint Franciscus die we 4 oktober vierden. Hij wrikte zich los uit de hoge eisen die zijn koopman-vader aan hem stelde en bevrijdde zichzelf, zijn omgeving en de kerk van zijn dagen van verslaving aan geld, positie, bezit, luxe.

En denken we in deze oktoberdagen aan Maria. Het is de maand van de rozenkrans. Goed om die weer ter hand te nemen of ermee kennis te maken. Ook Maria maakte zich los uit al haar plannen, uit de omgeving die precies wist hoe een jonge vrouw moest leven; en als mosterdzaadje liet zij zich meevoeren door de kracht van de Geest, die haar moeder liet zijn van de Messias, een nieuw begin voor de mensheid.

‘Zie de dienares van de Heer, mij geschiede naar uw woord; laat het aan mij gebeuren, ik ben beschikbaar’. Zo was haar antwoord aan de hemel, aan de engel Gabriël.

 

Haar antwoord doet denken aan de slotwoorden van ons evangelie, woorden die Jezus ons in de mond legt: “Wij zijn maar gewone knechten; wij hebben alleen maar onze plicht gedaan”. Dat zou Jezus willen horen uit de mond van zijn apostelen, die zo graag meer geloof willen. En die min of meer heimelijk ook wel de baas willen zijn. Ze willen meer geloof. Ze twijfelen misschien wel, hebben veel geloofsvragen. Die mogen er zijn en die mag je uitspreken. Maar wie zoeken naar geloof verwijst Jezus naar de praktijk, naar de dagelijkse dienstbaarheid, naar onze dagelijkse opdracht zoals die van een ploeger en veehoeder. Wie meer geloof wil mag aan de slag, mag zo licht worden en zo beweeglijk en beweegbaar en zo bewogen als een mosterdzaadje, dat zich laat meevoeren, niet op zijn plek blijft. Wie meer geloof wil kan beter naar de plaatsen gaan waar geloof is te oefenen, de kerk, het ontvangen van de sacramenten, het lezen van de Schrift, het gebed. Liturgie en diaconie, de dienstbaarheid, zeg maar de maaltijd klaarmaken, jezelf omgorden en bedienen, als broeders en zusters van elkaar, de ene Heer dienen en liefhebben en je naaste als jezelf. Moge zo ons geloof, zo licht als een mosterdzaadje, al onze zwaarheid en gewichtigheid verlichten en mogen we ons laten planten in een zee van beweging, geloof, dienstbaarheid en liefde. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

 

----------------------------------------------------------

[1] Habakuk 1, 2-3; 2, 2-4; 2 Timoteüs 1, 6-8.13-14; Lucas 17, 5-10


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 23 september 2019

                        vijfentwintigste zondag door het jaar.[1]

                      

 

“Dan kopen wij de kleine man voor geld, de arme voor een paar schoenen…” De grote verleiding mensen als koopwaar te zien, als schakels in een verdienmodel. Denk aan die talloze pubers en jongeren die de verleiding niet kunnen weerstaan snel veel geld te verdienen met wheelen en dealen.

 

 

 

 

 

 

“Wanneer is de sabbat voorbij? dan kunnen wij ons graan uitstellen”.

Deze uitroep, deze vraag komt uit een cultuur, een samenleving waar de winkel en de markt nog af en toe gesloten werden, op sabbat, en bij ons op zondag. Even kon de stad, de buurt op adem komen, even niet winkelen, kopen, handelen. Even zomaar met onbevangen, beschouwende blik leven en genieten, een dag. Die tijd ligt, zeker in onze grote steden, achter ons. Als je wilt kun je 24 uur, zeven dagen per week bezig zijn met kopen en verkopen.

 

Tot zelfs de drugs kun je telefonisch bestellen en keurig, discreet bij je aan huis laten bezorgen, gewoon om je een beetje te vermaken, om die een beetje doorgedraaide wereld waar de winkels en webshops ons altijd verleiden, te ontvluchten.

Deze week werden wij bruut wakker uit onze roes: al die drugshandel in vrijheid en zogenaamde blijheid heeft een hoge prijs, het leven van een mens die zijn nek uitsteekt en niet de mammon, maar het recht dient.

 

Ik kon het niet laten te denken aan dat ene vers uit onze tweede lezing: “De mens Christus Jezus die zichzelf gegeven heeft als losprijs voor allen”.

Een dood die alles verandert, allen de adem doet inhouden. Hier is een mens die betaalt met zijn leven.

Onze kruisbeelden herinneren daaraan. Ze stemmen ons dankbaar jegens Jezus, dat Hij voor de mensen, voor ons deze dood heeft verduurd, en tegelijk zijn ze een aanklacht: dat mensen, dat onze zogenaamd lieve stad, dat wij het zover laten komen.

 

“Dan kopen wij de kleine man voor geld, de arme voor een paar schoenen…” De grote verleiding mensen als koopwaar te zien, als schakels in een verdienmodel. Denk aan die talloze pubers en jongeren die de verleiding niet kunnen weerstaan snel geld te verdienen met wheelen en dealen.

 

Jezus spreekt uitvoerig over het geld. Zoals wij, ziet ook de Heer dat het in het centrum staat van de aandacht van de mensen. ‘Money makes the world go round’.

Wij kunnen heel vroom zeggen dat wij geld niet belangrijk vinden, maar niets in ons leven, in onze maatschappij en in ons gedrag wijst daarop.

 

Het bevrijdende van Jezus is dat Hij dat ook niet afkeurt. Hij vertelt zelfs een gelijkenis om ons uit te leggen dat wij met veel overleg met het geld moeten omgaan. Jezus vraagt van ons niet wereldvreemd te zijn en als blanke zieltjes te leven in een vergeestelijkte wereld. De uitdaging is juist je hoofd en je hart erbij te houden in de omgang met -zoals Jezus het uitdrukt- de kinderen van de wereld die voortdurend met geld bezig te zijn. Wees betrouwbaar in de omgang met deze kleine, aardse zaken, dan zul je ook betrouwbaar zijn in de omgang met de meer geestelijke, menselijke, kwetsbare zaken van het leven, door Jezus “het waarachtige goed” genoemd.

 

“Gij kunt niet God dienen en de mammon”.

Dienen. Het woord dat hier staat heeft ook met ‘slaaf zijn’ te maken: slaaf zijn, onderworpen zijn, dienen. Met andere woorden dit ‘dienen’ is niet echt vrij gekozen, het is een soort van slaaf zijn, verslaafd zijn aan de mammon, de afgod van het geld, niet meer in vrijheid met geld omgaan. Je bezit het dan niet meer, maar het heeft bezit van je genomen. De mammon, het geld, het mag en moet er zijn en Jezus is zozeer mens geworden en heeft zich zozeer verbonden met ons aardse bestaan, dat Hij vindt dat je er mee kan omgaan, verstandig, met overleg, als een goed econoom, een tot in het kleinste bedrag betrouwbare penningmeester. Ermee omgaan, er niet in opgaan, als een verslaafde dienaar.

 

Nog even terug naar dat ene vers uit de tweede lezing, waarin de oude Paulus schrijft aan zijn jonge, getalenteerde medewerker Timoteüs: “Want God is één; één is ook de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus die zichzelf gegeven heeft als losprijs voor allen”.

Eén heeft de hoogste prijs betaald, niet zomaar een bedrag, maar losgeld. Dat is geld dat rijke mensen wel betalen om los, vrij te worden, een borgtocht, waardoor ze op zijn minst tijdelijk weer kunnen terugkeren naar hun luxe leven, hun met zwart geld gekochte villa; een bedrag dat ze als een fooi geven aan justitie.

Daarvan is hier geen sprake. Jezus heeft geen stukje van zijn goddelijke rijkdom ons toegeworpen. Heel zijn mens-zijn heeft Hij op het spel gezet. Zo zijn wij vrije mensen, we zijn gekocht en de prijs is betaald.

Laten we onze met lichaam en bloed bevochten vrijheid als de grootste rijkdom bewaren en met elkaar delen. Amen.         

 

Nico van der Peet

 

-------------------------------------------

[1] Amos 8, 4 - 7; 1 Timoteüs 2, 1-8; Lucas 16, 1-13


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 14/15 september 2019

                      24ste zondag door het jaar.[1]

 

 

Afbeelding: Caravaggio, de roeping van de tollenaar Matteüs

 

Wat is dat toch met die Jezus die zondaars ontvangt en met hen eet?

Jezus heeft een bijzondere strategie. Hij stelt niet allerlei voorwaarden aan de ontmoeting met Hem. Die zondaars aan de tafel met Jezus, hebben niet eerst gebiecht en boete gedaan. Het begint ermee dat Jezus hen ontvangt, aanvaardt zoals ze op dat moment zijn. Jezus ontvangt je zoals je bent en Hij wil maaltijd met jou houden. Hij is een en al openheid.

 

 

 

GEBED

 

Dichtbij is uw woord, Heer onze God, dichtbij is uw genade. Kom ons dan nu met macht en mildheid tegemoet. Sta niet toe dat wij doof zijn voor U, maar maak ons open en ontvankelijk voor Jezus Christus, uw Zoon, die komen zal, om ons te zoeken en te redden; die met U leeft in de eenheid van de heilige Geest, God, door alle eeuwen der eeuwen.

 

 

VERKONDIGING

 

Onder andere over bekering gaat het in de lezingen van vandaag. In de eerste lezing lijkt het wel te gaan over de bekering van God.

De Heer is er klaar mee. Het volk in de woestijn is tot zonde vervallen. De mensen hadden geen geduld meer. Ze waren dan wel bevrijd uit Egypte, maar het beloofde land was nog ver. Hoe kun je blijven geloven als je nooit eens wat ziet, als je nog geen glimp kunt zien aan de horizon van dat goede land, de toekomst die ons wacht? Ze hadden een afgodsbeeld gemaakt, een stierenbeeld van goud. Ze geloofden alleen nog maar mannelijke macht en rijkdom. Dan heb je tenminste iets.

 

De Heer toont zich verbitterd, gefrustreerd. “Ga naar beneden, want het volk dat jij, Mozes uit Egypte hebt geleid, is tot zonde vervallen”. De Heer wil er zelfs niet meer aan herinnerd worden dat Hij Zelf het volk heeft bevrijd. Verderop in het verhaal herinnert Mozes Hem daar even fijntjes aan: “Waarom, Heer, uw toorn laten woeden tegen het volk dat U met grote kracht en sterke hand uit Egypte hebt geleid?”

Hier toont zich de kracht van het gebed. Mozes dringt aan, herinnert God aan zijn grote daden van bevrijding. Mozes vindt verhoring. “Toen zag de Heer af van het onheil waarmee Hij zijn volk had bedreigd”.

 

Ook Paulus, in de tweede lezing, roemt op Gods barmhartigheid. Ik deugde niet, ik lasterde God vroeger, ik was een vervolger en geweldenaar, maar ik ontving barmhartigheid. Ik wist niet wat ik deed. Ik heb me bekeerd. Ik ben vergeven. “Ik ga weer naar mijn Vader”.

 

Tollenaars en zondaars van allerlei slag komen bij Jezus om naar Hem te luisteren. Zij staan open voor de woorden van Jezus, willen luisteren. Wie luistert is bereid te veranderen, zich te bekeren, om te keren, anders te gaan zien, te gaan leven.

Al die anderen, die klagen dat Jezus zijn tijd besteedt aan mensen die niet deugen, hebben geen bekering nodig, vinden zij zelf. Zij leven best goed, zij bidden, gaan naar de synagoge, houden zich aan de voorschriften.

Wat is dat toch met die Jezus die zondaars ontvangt en met hen eet?

 

Jezus heeft een bijzondere strategie. Hij stelt niet allerlei voorwaarden aan de ontmoeting met Hem. Die zondaars aan de tafel met Jezus, hebben niet eerst gebiecht en boete gedaan. Het begint ermee dat Jezus hen ontvangt, aanvaardt zoals ze op dat moment zijn. Jezus ontvangt je zoals je bent en Hij wil maaltijd met jou houden. Hij is een en al openheid.

Daar kunnen de vromen van zijn tijd (en van onze tijd?) niet tegen.

 

Omgaan met zonde.

Het woord zonde is erg taboe geworden. Vroeger wisten wij katholieken precies wat zonde was en wij waren er erg mee bezig. Er was een hele catalogus van zonden, vooral op het levensgebied van seksualiteit, en die moesten allemaal gebiecht worden. Eerder kon Jezus jou niet ontvangen en mocht jij geen maaltijd houden met Jezus en Hem ontvangen. We waren daar zo intens mee bezig, in de katechismusles, op de preekstoel en in de biechtstoel, dat er in de jaren zestig, rond het concilie, een enorme omslag kwam. Bijna van de ene dag op de andere wilden we er niets meer van weten. We waren verdwaald geraakt in oneindige rijtjes zonden, in de kleinste details van ons bestaan. We hadden het grote overzicht verloren, het fundament van onze band met God en met elkaar. De vreugde was verdwenen, het gevoel, de overtuiging geliefd te zijn, aanvaard te zijn.

 

Die vrome lui uit het evangelie weten niet wat ze meemaken, dat Jezus die foute lieden zomaar ontvangt, met hen aan tafel gaat. Wat gebeurt hier in Gods Naam? Hij aanvaardt de mensen, Hij aanvaardt u en mij zoals wij zijn, geworden zijn. Hij zoekt net zo lang totdat wij ons keren naar Hem.

 

Hij wordt vergeleken met een herder, die zo onverstandig, zo irrationeel handelt, dat hij zijn kudde in de wildenis achterlaat om slechts één verdwaald schaap te zoeken.

Wij hebben er tegenwoordig moeite mee met een schaap vergeleken te worden. Daar zijn we te mondig voor geworden. Maar als we daar even bovenuit komen dan mogen we weten: hoe verdwaald en verloren een mens zich ook kan weten en voelen, hoe verloren ik me ook kan voelen, soms, even, of lange tijd, er wordt naar mij gezocht, totdat ik gevonden ben. Ik ben de moeite waard, zozeer, dat alles en iedereen voor mij even achtergelaten kan worden. Als ik maar gevonden word.

 

Die zoekende God wordt ook vergeleken met een vrouw. Alle aspecten van het hart van God laat Jezus zien. Hij is man, herder en vrouw tegelijk. Toegegeven, een beetje stereotiep: zij is het huis aan het vegen, maar toch. Het is óók een vrouwenwereld, de wereld van God. Hoe onooglijk, het daglicht niet verdragend mijn bestaan soms of lange tijd ook kan zijn - als een pietepeuterig muntje, een drachme, een zilverstuk-  Zij is ernaar op zoek en Zij verheugt zich met al haar vriendinnen en buurvrouwen als hij gevonden is.

 

Mogen we die overtuiging tot ons toelaten: dat we aanvaard zijn. Mogen we aanvaarden dat wij aanvaard zijn, geliefd, uitgenodigd, met grote aandacht gezocht door de Goede Herder, die ons leven heeft gedeeld en zijn hart en ziel en heel zijn leven heeft gegeven, opdat wij eens en voorgoed gevonden zijn. Amen.

 

-----------------------------------------------------

[1] Exodus 32, 7-11. 13-14; 1Timoteüs 1, 12-17; Lucas 15, 1-10


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 8 september 2019.

                        Drieëntwintigste zondag door het jaar.[1]

 

 

GEBED

God, U hebt ons verlost en tot uw geliefde kinderen aangenomen. Zie in uw goedheid naar allen die U als een vader bemint. Geef hun die in Christus geloven de ware vrijheid en het erfdeel in het eeuwig leven. Door onze Heer Jezus Christus…

 

 

VERKONDIGING

Een menigte van mensen liep achter Jezus aan. Niets wijst erop dat Jezus campagne heeft gevoerd voor zichzelf. Hij was geen politicus die macht wilde, een zetel in de regering, laat staan volksleider wilde zijn. Maar Hij sprak met gezag, zoals geen van zijn tijdgenoten deed. Als vanzelf liep een menigte met Hem mee.

Maar wat zochten zij eigenlijk bij Jezus? Wat dachten zij bij Hem te vinden, door Hem te winnen; wat verlangden zij eigenlijk?

 

Enkele echtparen onder ons, onder wie onze diaken René en zijn vrouw Hannie gedenken vandaag hun trouwdag en het echtpaar Schoelitz, Karel en Ans, gedenken vandaag dat zij 55 jaar geleden zijn getrouwd. Van harte!

Vandaag is het op de dag af 29 jaar geleden dat ik tot priester werd gewijd, in de kathedraal van Haarlem.

 

Vandaag draait Jezus zich om naar u en mij. Wat heb jij toen verwacht, verlangd, toen jij je verbond met een mens, op jouw huwelijksdag, op jouw wijdinsdag?

Werd je mijn priester omdat je een positie zocht, een stuk zekerheid, vast werk, iets te vertellen te hebben in de gemeenschap, aanzien? Dat kunnen allemaal redenen zijn om Hem te volgen, om het sacrament van de wijding of van het huwelijk te vieren. Dat gevaar ligt op de loer voor wie de wijding heeft ontvangen: dat je je niet ontwikkelt tot- en je gedraagt als een herder, maar als een koele bestuurder, of erger als een religieuze politieagent, een kille toezichthouder. Sommigen scheppen daar behagen in, het geeft ze een gevoel van eigenwaarde. Misschien schuilt dat ook wel in mijn eigen hart en moet die geheime begeerte voortdurend in de gaten worden gehouden.

 

Vandaag draait Jezus Zich om naar u en mij.

Wat wil heel die menigte van Hem?

Willen zij met hart en ziel zijn leerlingen, zijn volgelingen, christenen zijn, of hebben zij een heel andere agenda, een dubbele agenda?

De Heer drukt zich stevig uit. “Als iemand naar Mij toekomt die zijn vader en moeder…ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij mijn leerling niet zijn”.

Je krijgt die woorden nauwelijks uit je mond.

Jezus, God is toch liefde. Hoe kan Hij toch zulke heftige vragen stellen?

 

Toen diaken René deze week de gezinsviering (van gisteravond) voorbereidde, kwam hij naar mij toe en zei hij mij: ‘maar dit kunnen we toch niet voorlezen aan de kinderen…?’

Ik twijfelde een beetje: mag ik de woorden van Jezus corrigeren?

Wat betekenen deze woorden?

 

Wat er staat in de grondtekst kun je met haten vertalen, maar ook: “wie Mij niet meer liefheeft dan vader en moeder ja dan zijn eigen leven, kan mijn leerling niet zijn.”

Dat klinkt al een stuk minder heftig en pijnigend.

Maar het blijft toch een enorme vraag.

‘Ga je helemaal voor mij of maar een klein beetje. Doe je mij er maar een beetje bij, als een vroom momentje op de dag of in de week?’

 

Die vragen mogen ook mensen die hun trouwdag of hun huwelijksdag gedenken zich stellen. Ga ik helemaal voor mijn vrouw, mijn man; staat hij of zij in het middelpunt van mijn leven?

Wie zo leeft heeft  - dacht ik - de mentaliteit die Jezus vandaag van ons vraagt. Als ik mijn huwelijk of mijn priesterschap zie als een band, een binding, een engagement zonder kleine lettertjes; als ik mijn positie, mijn invloed niet gebruik om vooral met mezelf, mijn voordeel, mijn carriėre, mijn welstand, mijn macht bezig te zijn.

 

Als ik maar de ogen van Jezus kan verdragen, nu Hij Zich vandaag omdraait en mij in de ogen ziet en mij vraagt: ga je helemaal voor mij?

Bereken je goed wat je nodig hebt om die toren te bouwen, die weg naar boven naar God en de weg naar beneden diep in jouw hart?

Zul je de strijd kunnen verduren met die krachten en opinies om jou heen die altijd met meer zijn dan jij, dubbel zo sterk als jij; die het naar de mens gesproken in de publieke opinie al lang gewonnen hebben.

 

Hoezeer staat jouw trouw als gehuwde, als priester wel niet onder druk; als vriend of vriendin die zich met deze enige geliefde heeft geëngageerd?Misschien is de lokroep van het geld, de carriėre wel veel verleidelijker dan deze ene geliefde, deze kwetsbare mens met wie je je op een goede dag hebt verbonden?

 

Uiteindelijk gaat het om het mooiste en kwetsbaarste in ons leven: de liefde. Jezus draait Zich vandaag om en kijkt ons aan, die bij de menigte horen die Hem volgen, - als gedoopte, gevormde, geëngageerde, gehuwde of gewijde christen. Zet je voor die liefde alles, ja jezelf, opzij?

Kun je alles wat jij bezit, wat bezit heeft genomen van jou, loslaten om weer leerling te worden van Jezus. Geen mens die alles wel gezien heeft en weet na al die 55 jaren of 35 of 29 jaren. Nee, steeds weer leerling in de leerschool van Jezus, de school van de liefde. Dat moge ons gegeven worden.

Amen.

 

---------------------------------------------------------

Wijsheid 9, 13-18b; psalm 90; Filemon 9b-10. 12-17; Lucas 14, 25-33


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 31 augustus/1 september 2019

                      22ste zondag door het jaar

                      Gebedsdag voor het behoud van de schepping.[1]

 

Er moet voldoende overblijven, het gastverblijf moet niet uitgewoond worden. Het wordt tijd uit de roes te ontwaken, soberheid is geboden.

 

  

Afbeelding: Giotto, Franciscus preekt tot de vogels

 

 

Jezus is te gast bij voorname mensen, geloofsgenoten, Farizeeën: zij waren de meest godsdienstige mensen van zijn dagen.

 

Gast zijn kan heel prettig zijn, maar ik vind niet altijd gemakkelijk. Als je bent uitgenodigd: hoe moet je je kleden, hoe laat moet je aankomen, naast wie zal je komen te zitten, ken ik iemand om ontspannen mee te kunnen praten?

Ik ben nogal eens te gast. Dat brengt mijn taak met zich mee. Meestal zie ik er een beetje tegen op. Ik heb niet zoveel flair. Ik heb niet het postuur om me in een groot gezelschap een beetje verborgen te houden tot de tijd is gekomen dat ik met goed fatsoen weer afscheid kan nemen. Ik ben wel een beetje afgunstig op een goede vriend, ook priester, die bij elk feest vanzelfsprekend een goede plaats afdwingt, door zijn uitstraling, zijn bravoure, zijn durf en flair.

Maar gelukkig, bijna altijd zijn de gastheer en of gastvrouw heel attent en komen naar me toe, stellen me op mijn gemak, geven me een plaats in het gezelschap. En meestal blijf ik langer dan ik me, om mezelf tevoren moed in te praten, had voorgenomen.

 

Een plaats vinden als gast aan andermans tafel, je plaats kennen, niet je hand leggen -bezitterig- op de beste plaats.

Vandaag is het Wereldgebedsdag voor het behoud van de schepping: een jaarlijkse dag van gebed en bezinning die paus Franciscus een paar jaar geleden heeft ingesteld. Hij vraagt dat gebed en die bezinning vol te houden tot 4 oktober, de feestdag van sint Franciscus, zijn patroon en de patroon van allen die de schepping zien als een gave, die we moeten koesteren en delen met de armen en met de komende generaties.

 

Wij vieren deze dag vanuit de gedachte dat wij allen gasten zijn aan de tafel van het leven, de wereld, de schepping. Wij zijn geen eigenaren, wij zijn gasten, uitgenodigd door de Schepper van het leven. We hebben het leven, onze plaats aan de tafel van het leven zomaar ontvangen, om niet. Wij kunnen zomaar leven in dit deel van de wereld, met zijn gematigde klimaat, met zijn overvloed.

 

Een gast blijft niet altijd. Na een beperkt verblijf vertrekt hij of zij weer. Zo ook wij. Een beperkte tijd, zeventig, of als wij sterk zijn tachtig en steeds meer mensen ook negentig jaar of meer, verblijven wij hier op aarde als gasten. Na ons komen nieuwe gasten, nieuwe generaties. Het is niet verantwoord onze periode als gasten te laten ontaarden in een slemppartij, in een orgie van consumptie en uitputting. Er moet voldoende overblijven, het gastverblijf moet niet uitgewoond worden. Het wordt tijd uit de roes te ontwaken, soberheid is geboden.

 

“Wanneer ge ergens genodigd wordt, ga dan op de minste plaats aanliggen”.

Woorden van Jezus, gesproken tot voorname mensen, hoge geestelijke mensen, die als vanzelfsprekend de goede plaatsen bezetten. Jezus, aan Wie de hoogste plaats toekwam, maar de laagste plaats heeft gekozen, heeft ze uitgesproken. Ergens lezen wij in het Nieuwe Testament: “Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen; Hij is aan de mensen gelijk geworden”.[2]

 

Deze dag herinnert ons eraan dat wij de natuurlijke neiging hebben de beste plaats te willen; dat het niet in onze natuur, in onze genen zit (zoals we dat tegenwoordig zeggen) om de ander vóór te laten gaan; dat wij daarvoor onszelf moeten overwinnen. Maar als je het een keer meemaakt, dat iemand zichzelf weet te overwinnen en de ander voor laat gaan, ruimte geeft aan onze welvoorziene dis of in de rij voor de bus, de trein, een zaal, dan gebeurt er iets bijzonders. Dan voel je, heel even, hoe deze wereld zou kunnen worden; hoe het zou zijn als wij Jezus zouden navolgen, als wij met Hem op de minste plaats zouden gaan aanschuiven.

 

“Als jij een gastmaal geeft, nodig dan armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit.”

Volgens Jezus zijn zij de bevoorrechte genodigden aan de tafel van de schepping. Hij heeft Zichzelf even kwetsbaar gemaakt als zij door als een vreemdeling in deze wereld een gastverblijf te vragen, vanaf zijn geboorte in schamele omstandigheden, tot zijn dood, als een uitgestotene buiten de stadspoort, de samenleving.

 

Mogen wij Hem herkennen bij het breken van het Brood en Hem in ons hart ontvangen bij de Communie en mogen wij Hem herkennen en ontvangen in de mensen die de minste plaatsen toegewezen hebben gekregen aan de tafel van het leven en mogen wij Hem als onze Gastheer begroeten, dit uur, nu wij te gast zijn aan zijn Tafel, en alle dagen en uren van ons leven. Amen.

 

 

-----------------------------------------------------------------------

[1] Ecclesiasticus 3, 17-18. 20. 28-29; Hebreeën 12, 18-19. 22-24a; Lucas 14, 1. 7-14

[2] Filippenzenbrief 2, 6-7


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 24/25 augustus 2019

                      Feest van Sint Augustinus, patroon van de parochie[1]

 

 

“Binnen in mij was U, ik was buiten en ik zocht U als een ziende blinde buiten mij en uitgestort als water liep ik van U weg en liep verloren…”

 

           

Een dag na mijn twintigste verjaardag trad ik in het klooster, de sint Adelbertabdij in Egmond-Binnen. Monnik wilde ik worden. Dat is iemand die zijn leven wil besteden aan de zoektocht naar God, iemand die alleen, met zichzelf leeft (monos), maar wel in een gemeenschap van medebroeders, onder leiding van een abt, die wordt aangesproken met Vader Abt. Bijna vier jaar ben ik gebleven. Door omstandigheden besloot ik na die periode het klooster weer te verlaten. Het waren bijzondere, onvergetelijke, leerzame jaren. Nog steeds heb ik goed contact met de monniken. Af en toe kom ik er en schuif ik weer even aan in de rij, in het koor, in de refter. Een enkele monnik daar noemt me per ongeluk nog wel eens ‘broeder Nico’.

 

Zo hoort het ook, zegt Jezus. “Gij hebt maar één meester en gij zijt allen broeders”.

In zo’n klooster van benedictijnen: monniken die de Regel van de grote monniksvader sint Benedictus volgen en ook beïnvloed zijn door de kloosterregel van sint Augustinus, bestaat het gevaar dat de abt, Vader Abt, erg belangrijk wordt. In het verleden groeiden zij uit tot potentaten. Er ontstaat dan iets van een kruiperige gehoorzaamheid. De broeders dachten niet meer zelf na, maar voerden de bevelen uit van de abt.

 

In de jaren zestig van de vorige eeuw was dit niet meer houdbaar. Dat gold trouwens ook in heel de cultuur. Het gezag van vaders werd onder kritiek gesteld. Gehoorzaamheid werd iets verdachts. Toen sloegen de mensen door naar de andere kant. Er ontstond zelfs iets van een vaderloos tijdperk. Laatst hoorde ik over een vader die aan zijn zoontje vroeg, toen hij op een zonnig terras iets wilde gaan drinken: “Waar wil je graag zitten?” Het jochie priemde zijn vinger in de richting van een door twee mensen bezet tafeltje. De vader vroeg hen, tot hun ontzetting: “Zou u ergens anders willen gaan zitten? Mijn zoon heeft een willetje, hoor. Anders zal hij net zo lang zeuren en klagen tot hij zijn zin krijgt.”

 

Soms moet een vader, een moeder van kinderen, optreden. Anders wordt het kind een grillig, onhandelbaar wezen dat geen enkele richting of doel vindt in zijn leven.

Maar de vader mag het denken en voelen van een kind niet overnemen. De abten van deze wereld hebben dat ook geleerd. Zij moeten goed luisteren naar hun broeders. Het gaat niet om vader abt, het gaat niet om de bisschop en ook niet over de pastoor, maar het gaat om Christus. “Laat u geen leraar noemen; gij hebt maar één leraar, de Christus”.

 

Dat was de grote ontdekking van sint Augustinus, de patroon van onze kerk en van onze parochie. Je hebt maar één leraar, de Christus. Hij zag Jezus als een innerlijke leraar, innerlijke magister. Bij alle stappen die ik zet in mijn leven ga ik te rade bij Christus. Ik luister naar zijn woorden. Ik ontmoet Hem in het sacrament. Ik word stil. Ik wacht met het nemen van besluiten. Ik laat me niet onder druk zetten door welk schreeuwend, onhandelbaar, autoritair mens ook. Ik ga mijn hart na en probeer te ontdekken welke beslissing mij innerlijk rust geeft, vrede, vreugde, dankaar, liefdevol. Augustinus ontdekte: “Onrustig is mijn hart tot het rust vindt in u”. Die rust is niet alleen iets voor ná dit aardse leven. Naar die rust mag ik reeds in mijn leven op zoek gaan. En ik zal niet eerder beslissen totdat ik die rust, die innerlijke vrede, liefde en blijdschap heb gevonden.

 

Voor de heilige Augustinus was dat een moeilijke, langdurige zoektocht. Eerst zocht hij bij allerlei leermeesters en al op heel jonge leeftijd was hij ook zelf een gezocht leraar. Maar hij bleef een stuurloos kind die aan allerlei tafeltjes op diverse zonnige terrassen ging zitten, maar nergens echt prettig zat. Zijn onrustige hart bleef zoeken. “Binnen in mij was U, ik was buiten en ik zocht U als een ziende blinde buiten mij en uitgestort als water liep ik van U weg en liep verloren…”

 

Zo kan het gaan met een begaafde jongeman zoals Augustinus was, een leergierige, intelligente Noord-Afrikaan.

Ook hij stak de Middellandse Zee over en vond zijn stek in Rome, in Milaan. En later weer keerde hij terug naar zijn vaderland. Op een dag vond hij de plek waar hij rust vond, in Hippo, stadje in het huidige Algerije. Daar vond hij zijn taak, zijn huis. Hij werd er tot zijn verrassing bisschop, een soort vader dus van de mensen.

Wees daar voorzichtig mee, zegt Jezus. De mensen mogen niet te veel naar jou opzien. Een goede vader maakt van de mensen broeders en zusters, een gemeenschap. Alleen als het nodig is, als een stuurloos kind te veel ruimte opeist of zelfs anderen dreigt hun plaats onder de zon af te nemen, moet hij optreden. Maar verder moet hij hen vormen tot zusters en broeders, die Christus leren kennen, naar zijn woord luisteren, zondag na zondag, elke dag van hun leven. Hem navolgen, zijn liefde die tot het uiterste, tot God, die liefde is; die zijn Zoon, onze enige Meester en Leraar, naar ons toegestuurd heeft om de verhoudingen weer goed te maken.

Laten wij met sint Augustinus Hem alleen gehoorzamen en met elkaar, als parochiegemeenschap ook, leven als zusters en broeders. Amen.

 

Nico van der Peet

 

 -----------------------------------------------

[1] Jesaja 66, 18-21; 1Johannes 4, 7-16; Matteüs 23, 8-12