Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 11/12 januari 2020

                       Feest van de Doop van der Heer[1]

 

 

Geef dat ik het kan loslaten, onder ogen zien zoals ik ben met mijn beperktheid, mijn sterfelijkheid, dat ik die uit handen kan geven aan U, aan U kan toevertrouwen. Dat ik niet alles zelf in de hand moet houden. Dat ik niet zelf de regie moet hebben en houden over mijn leven, maar dat U mij regisseert, dat wil zeggen het beste uit mij haalt, en mij zegt, nadat ik me heb durven onderdompelen, heb durven loslaten en geven: ‘Jij bent mijn zoon, mijn dochter, mijn veelgeliefde.’

 

 

Wij hoorden het goed: Johannes wilde niet dat Jezus Zich liet dopen. “Ik heb uw doopsel nodig, en Gij komt tot mij?”

Voor Johannes is de keuze van Jezus een groot vraagteken.

Johannes had de burgers van zijn land opgeroepen hun gewone leven even achter zich te laten, naar de grens van het land te komen, naar de woestijn en de rivier de Jordaan. Neem even afstand. Een beetje retraite zouden wij misschien zeggen. ‘Bezin je, bekeer je.’ Het gaat om het je losmaken van zonde.

 

 

Velen haken dan af als het over zonde gaat. Vooral ouderen. In hun jeugd, op school, in de kerk, in het klooster, in de biechtstoel en vanaf de preekstoel werd de zonde uitvoerig besproken, in al zijn verschijningsvormen. Op den duur kon bijna niemand er meer iets mee. Toen kwam het grote zwijgen over de zonde.

 

Johannes de Doper doorbreekt het zwijgen. Hij lokt de burgers weg uit hun huizen, uit hun eigen gedachten. ‘Kom naar de oever, dompel je onder.’

Waren die burgers van Jeruzalem en omstreken dan zo zondig? Zijn wij dan zo zondig?

 

Geen mens is natuurlijk volmaakt. Af en toe glijd ik uit, soms letterlijk, meestal figuurlijk, in mijn omgang met medemensen. Een scherp woord, een oordeel is zo uitgesproken, soms weet je amper wat je doet en aanricht. Maar bij een ander kan het als een pijl scherp doel treffen. Dat zijn de kleine zonden. Gelukkig komen wij aan heel grote zonden in ons leven meestal niet toe. Houden zo, zou ik zeggen.

 

Maar ik denk dat Johannes de Doper het niet heeft over de kleine overtredingen, waarvoor een gele kaart nog te streng is, onze kleinmenselijke zondetjes, die overigens alles bij elkaar best kunnen schuren en pijn doen en leed veroorzaken. Ik denk dat Johannes op iets anders doelt. Dé zonde. Die heeft weinig of niets van doen met de uit-de-suikerpot-snoepen-zondetjes. Die zonde waarover Johannes spreekt heeft te maken met wie wij zijn. Mensen die weet hebben van leven, van liefhebben, boven zichzelf uitstijgen, maar ook een diepe ervaring hebben van on-af zijn, het niet halen, beperkt zijn, sterfelijk zijn. Kijk mij in stilte, voor bijna iedereen verborgen, tobben met mijzelf, met mijn relaties, met vrienden en kennissen, met mijn kwetsbaarheid, mijn eindigheid, met God.

 

Die mensen nodigde Johannes uit naar de Jordaan te komen, het water in te stappen, zich onder te dompelen. Heel dat getob, tekortschieten, onaf zijn, beperkt, sterfelijk zijn af te wassen; het onder te ogen te zien en jezelf, je naaste, God nieuw te aanvaarden. ‘Neem mij aan zoals ik ben, heb genade met me.’

 

In een vorig leven (ik was net twintig) wilde ik monnik worden. Ik heb het zelfs gebracht tot een eerste gelofte. Met uitgestrekte armen moest je dan voor de abt en het altaar gaan staan en zingen (een regel uit psalm 119): “Neem mij, Heer, zoals ik hier nu ben; sla uw leven als een mantel van licht om mij heen; verlaat mij nooit en doe met mij zoals uw hart U ingeeft”.

Zoiets wil Johannes de Doper de mensen laten meemaken. Dat zij diep gaan met zichzelf, zich laten gaan in de diepte, zich laten dopen.

 

Dat wil Jezus ook. Hij komt naar de Jordaan. We denken zelfs dat Hij leerling wilde worden van Johannes. Maar de Doper wil het niet: ‘ik moet uw leerling zijn, ik heb uw doopsel nodig.’

Hij weet: deze Jezus is helemaal mens zoals wij, maar in Hem is een unieke verdieping. Die stem die Jezus hoort noemt die verdieping bij name: “Dit is mijn Zoon…”Hier staat God Zelf in onze diepte, in ons beperkte, sterfelijke bestaan. Wij zijn niet langer alleen gelaten, in leven en sterven.

 

“Neem mij, Heer, zoals ik hier nu ben. Sla uw leven als een mantel van licht om mij heen”.

Neem mij aan…maar laat er iets met mijn gebeuren. Geef dat ik het kan loslaten, onder ogen zien zoals ik ben met mijn beperktheid, mijn sterfelijkheid, dat ik die uit handen kan geven aan U, aan U kan toevertrouwen. Dat ik niet alles zelf in de hand moet houden. Dat ik niet zelf de regie moet hebben en houden over mijn leven, maar dat U mij regisseert, dat wil zeggen het beste uit mij haalt, en mij zegt, nadat ik me heb durven onderdompelen, heb durven loslaten en geven: ‘Jij bent mijn zoon, mijn dochter, mijn veelgeliefde.’ Amen.

 

Nico van der Peet

 

------------------------------------------------------

[1] Jesaja 42, 1-4. 6-7; Handelingen 10, 34-38; Matteüs 3, 13-17


Verkondiging Openbaring des Heren[1], zondag 5 januari 2020.

                        De Nieuwe Augustinus.

 

 

Over twee koningen vertelt het evangelie van deze feestdag van Driekoningen.

We horen over wijzen uit het oosten (we weten niet precies hoeveel het er waren en waar zij precies vandaan kwamen; het evangelie komt niet verder dan ‘het oosten’), over wijzen die een pasgeboren koning zoeken. Je kunt ook lezen: een geboren koning. Zij zijn op zoek naar een koning die het ook echt is. Niet eentje die zich als koning heeft verkleed, voor veel geld een paleis laat bouwen of renoveren, zich als een koning gedraagt. Geen staatshoofd die met veel precies uitgekiend geweld zijn tegenstander elimineert, op het politieke toneel met vuur speelt, maar een koning die het van nature, van binnen, in zijn hart en ziel, in zijn geest en mentaliteit ook echt ís. Die mensen kun je vinden in deze wereld, als je goed zoekt, als je zo wijs bent dat je geduldig zoekt. Driekoningen is het feest van de zoekers.

 

Zij zeggen: “wij hebben zijn ster in het oosten gezien en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen”. Theologen en geschiedkundigen hebben zich suf gedacht over die ster. Onze bisschop schrijft over oude Chinese teksten waarin over zo’n ster in die jaren wordt geschreven. ‘Zie je’, schrijft hij, ‘het is dus echt gebeurd’. Als de bisschop het schrijft wil ik het geloven.

Maar wat heb ik eigenlijk gewonnen als het bewezen wordt? Wat doet dat met mij? Kom ik er zelf door in beweging?

Toch lijkt dat me de bedoeling. Wij vieren onze christelijke feesten om zelf veranderd te worden, in beweging te komen, anders te gaan zien, te gaan leven, ons te bekeren. Christelijk geloof is geen archeologie of een geschiedkundige studie. Het geloof wil mij verlossen, bevrijden, in beweging brengen, meer mens maken. Zo menselijk maken als Jezus, in wie God mens is geworden.

Elk jaar vieren wij het feest van deze wijze mensen die op zoek waren naar de geboren koning, opdat wij zelf per jaar steeds wijzer worden, steeds beter zoeken.

 

Zij zoeken naar de geboren koning in een wereld die geregeerd wordt door een man die koning geworden is, die zichzelf omhooggewerkt heeft, alles op alles heeft gezet om in de gunst van de keizer te komen. Daarin is Herodes over lijken gegaan, zelfs over de lijken van de kleine jongetjes van Bethlehem, die hij na ons verhaal van vandaag zal laten vermoorden, omdat hij zeker wil zijn die jonge, geboren koning uit te schakelen, nog voordat mensen Hem zullen vinden, liefhebben, volgen, hun leven door Hem laten veranderen.

 

Maar wij weten het: deze geboren koning zal voorlopig aan het geweld van Herodes ontkomen. De wijzen uit het oosten hebben geluisterd naar de droom die hen waarschuwt. Ga niet terug naar die koning Herodes, die sluwe vos, die probeerde jullie voor zijn karretje te spannen. Kies een andere weg naar huis. De volgende voor Jezus reddende droom krijgt Jozef: vlucht met de Moeder en het Kind naar Egypte. Duik onder tot het geweld voorbij is. Duik onder zoals in later eeuwen talloze joodse kinderen en volwassenen moesten onderduiken voor de Herodes van hun dagen.

 

De wijzen uit het oosten en Jozef hebben geluisterd naar hun reddende dromen. De wijzen hebben ook geluisterd naar de bijbel. U hoorde het. De geschrokken Herodes laat alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk naar zijn paleis komen. Is dat ergens te lezen waar die geboren koning geboren moest worden? Hier in het paleis van Jeruzalem is niemand als koning geboren. “Naar Bethlehem moet ge dan gaan”. Niet naar Jeruzalem, niet naar het keizerlijke Rome of het presidentiële Washington, maar naar Bethlehem, de stad van David, laag gelegen in tegenstelling tot het hoogverheven Jeruzalem, even verderop. “Daar zal een leidsman tevoorschijn treden, die herder zal zijn over mijn volk Israël”.

 

“Over mijn volk Israël.”

Zeker, de Israëlieten gaan voor. Eerst mochten de herders van Bethlehem Jezus bezoeken. Vandaag zijn de wijze mensen van buiten, uit de andere volkeren, zijn ook wij aan de beurt. Aan de beurt om te knielen niet voor de wereldleiders die met vuur en geweld spelen, maar voor een ander zicht op de wereld, dat van het Kind, geboren uit een koninklijke familie van herders, die met liefdevolle, vaste hand de schapen leiden. Een herder die goud ten geschenke krijgt: het goud voor de koning. En wierook: omdat Hij van God komt. En mirre, dat je de doden meegeeft: op een dag zal Hij niet meer kunnen ontkomen aan de koning van deze wereld, de Herodes van zijn dagen, die Hem zal laten doden. Als een herder die tot in de dood trouw blijft aan zijn mensen.

Mogen wij deze geboren koning volgen, mogen wij wijze mensen worden, moge onze wereld met wijsheid bestuurd worden. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------------------

[1] Jesaja 60, 1 - 6; psalm 72; Efeziërs 3, 2 - 3a. 5 - 6; Matteüs 2, 1 - 12


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Kerstmis 2018, Dagmis[1]

 

 

Onze paus Franciscus gaf er deze week een reden voor. Hij zei in zijn kersttoespraak tot de leden van de curie, geestelijken die hem bijstaan in zijn dienst aan de wereldkerk -zonder met zijn ogen te knipperen- dat onze katholieke kerk 200 jaar achterloopt.

Hij zei vervolgens dat wij geen tijdperk van verandering meemaken maar dat wij een verandering van tijdperk meemaken.

 

 

“Zij zien, oog in oog, de terugkeer van de Heer naar Sion.”

Jesaja komt woorden te kort om het onvoorstelbare te vertellen: de terugkeer van de Heer naar Sion, de berg waarop de stad Jeruzalem en de tempel, de woonplaats van Gods aanwezigheid, was gebouwd. God was verdwenen uit de levens van de mensen. De stad was ontvolkt, de bewoners in ballingschap ver weg. Waar is God gebleven? Waar kan Hij nog wonen als zijn woonplaats, zijn tempel tot een ruïne is vervallen?

 

Tallozen van onze landgenoten hebben het meegemaakt, bijvoorbeeld de vele christenen uit het Midden-Oosten, Irak, Syrië, die hun land, hun stad, hun huis, de dierbare kerkgebouwen van hun traditie achter zich hebben gelaten en weggetrokken zijn op de vlucht voor oorlog, onderdrukking, achterstelling. Oeroude christelijke gemeenschappen in het Heilig Land, het land waar Jezus is geboren, is opgegroeid, gekruisigd is en uit de dood is verrezen, zijn gedecimeerd.

 

Mij valt het altijd op en het sticht en maakt indruk op me, om te ervaren hoe deze mensen, een nieuw leven begonnen ver weg van hun vaderland, God hebben meegedragen, meegenomen naar ons land. Ons land, waar God wel aan het verdwijnen leek, denk aan het boek van Geert Mak, ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’. In ons land, dat zijn christelijke godsdienst wel leek te verliezen in een proces van massale ontkerkelijking en secularisering, lijkt God terug te keren, juist ook door deze mensen. In ons land waar het heel moeilijk blijkt de godsdienst over te dragen aan nieuwe generaties.

 

Onze paus Franciscus gaf er deze week een reden voor. Hij zei in zijn kersttoespraak tot de leden van de curie, geestelijken die hem bijstaan in zijn dienst aan de wereldkerk -zonder met zijn ogen te knipperen- dat onze katholieke kerk 200 jaar achterloopt.

Hij zei vervolgens dat wij geen tijdperk van verandering meemaken maar dat wij een verandering van tijdperk meemaken. Heel onze visie op de wereld en beleving van de wereld is aan het veranderen. Die grote verandering van de wereld is 200 jaar geleden, bij de Franse Revolutie en de Verlichting, al begonnen. De kerk heeft deze grote verandering afgehouden, zich er tegen verzet en de laatste halve eeuw laat zij die schoorvoetend tot zich doordringen. Franciscus nodigt ons uit niet bang te zijn voor dit nieuwe tijdperk. Wie alles wil behouden zal alles verliezen. Wie als christen, als kerk zichzelf wil blijven als volgeling van Jezus, zal zelf helemaal moeten veranderen, of beter en meer bijbels, gelovig gezegd: zich moeten bekeren.

 

“Zij zien, oog in oog, de terugkeer van de Heer naar Sion.”

Vandaag vieren wij dat God naar u en mij, naar deze wereld is teruggekeerd; dat Hij tot leven wil komen in onze levens; dat Hij voor ons wil gaan leven; dat wij om een goede christen te zijn ons niet hoeven af te keren van deze wereld. Integendeel, wij vieren op Kerstmis dat de Zoon van God zichzelf voor deze wereld heeft gegeven. Het Woord, het eeuwige Woord van God, waarmee Hij de werkelijkheid tot leven heeft geroepen, is vlees geworden. In deze wereld, niet in een gedroomde wereld, een land van ooit toen alles zogezegd nog goed was en overzichtelijk, maar in deze wereld, deze soms onbegrijpelijke, chaotische wereld die vreest voor haar toekomst, die bang is dat het klimaatprobleem en de migratie uit de hand lopen.

 

In deze wereld die dringend redding, heil en genade nodig heeft, past het niet dat de kerk van Jezus met zichzelf en haar onveranderlijke opvattingen bezig is. Het past onze kerk zoals Jezus dienstbaar te zijn aan deze wereld, aan de redding van ons klimaat, aan een menswaardige behandeling van al die mensen die met de ziel onder hun arm en hun God in hun hart op drift zijn geraakt, een goed heenkomen zoeken. Zoals Maria en Jozef met hun Kind, in de velden van Bethlehem, waar geen plaats was in de herberg, het gastverblijf. “Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet”.

 

Toen, ruim 2000 jaar geleden, is de Heer teruggekeerd naar Sion. Hij keert vandaag terug naar u en mij, die al 200 jaar achter lopen, zegt de paus. We hoeven niet bang te zijn om onszelf te verliezen, als wij alles wat wij zelf hebben bedacht aan vormgeving, regelgeving, durven los te laten. Zo kunnen we onszelf blijven of onszelf weer opnieuw ontdekken als christenen, broeders en zusters van Jezus, het Woord dat in u en mij vlees wil worden. Amen.

 

---------------------------------------------

[1] Jesaja 52, 7-10; Hebreeën 1, 1-6; Johannes 1, 1-18


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus,

                      Nachtmissen van Kerstmis, dinsdag 24 december 2019[1]

 

Jozef en Maria wonen in de marge van het grote rijk. Maar aan de ambtenarij, de belastingdienst ook in die dagen ontsnapt geen mens. Zij moeten er aan geloven en op reis gaan naar de stad van Jozef, Betlehem. Een kleine stad te midden van uitgestrekte velden, stad eerder van herders dan van ambtenaren en militairen.

 

 

Afbeelding:  Rafaël, huwelijk van Maria en Jozef

 

 

 

Jezus werd geboren in de dagen van keizer Augustus, op een toppunt van de geschiedenis. Eigenlijk ging het heel goed met de wereld. Augustus was de tweede leider van het enorme Romeinse rijk, de zich caesar, keizer liet noemen. En anders dan zijn voorganger Julius Caesar wist hij na een kort ziekbed in zijn bed te sterven, dat wil zeggen: hij werd niet vermoord.

 

Hij had de wind eronder, zouden wij zeggen. Iedereen boog voor hem, sidderde voor hem, was  - zeg maar - doodsbang voor hem. Zo houd je de macht in handen: door mensen bang te maken. Augustus was de eerste keizer die dat alles nog niet genoeg vond. Eigenlijk was zijn naam, die hij van zijn ouders had ontvangen: Octavianus. Dat was hem te gewoon. Bijna op het toppunt van zijn macht gekomen nam hij een nieuwe naam aan, of liever, die liet hij zich geven door de Romeinse senaat, gezelschap van gewichtige heren uit rijke families: Augustus moest hij voortaan heten: ‘verhevene’, ‘boven de aardse werkelijkheid uitgetilde’ betekent die naam. De achtste maand van ons jaar is naar hem vernoemd. “Bijna op het toppunt van zijn macht”, zei ik. Want zelfs die schitterende nieuwe naam was voor hem nog niet genoeg. Nog tijdens zijn leven liet hij zichzelf vergoddelijken. Overal in het rijk werden standbeelden voor de goddelijke Augustus opgericht. Ieder die over hem sprak of hem naderde moest hem goddelijke eer brengen, zich voor hem neerwerpen, voor hem wierook branden. Daarom is het zo betekenisvol dat vorsten van verre landen naar de pasgeboren Jezus komen onder andere met wierook. U kunt het zien bij onze prachtige kerststal: die ene koning die Jezus knielend wierook aanbidt. Dit Kind is de ware vorst, God uit God.

 

Nu moet gezegd worden dat Augustus er inderdaad de wind onder had. Hij wist in de wereld van die dagen vrede te brengen, de Pax Romana. Vergelijk het maar met de vrede die wij 75 jaar hebben gekend na de tweede wereldoorlog. Ook wel de Pax Americana genoemd. Een vrede geschapen, in stand gehouden door middel van samen optrekken van vele landen en ook wel een beetje opgelegd door afschrikking, door een zekere bangmakerij. Een vrede om niettemin dankbaar voor te zijn en om te koesteren, juist in onze dagen nu dat samen optrekken steeds minder gebeurt en steeds meer mensen alleen maar voor hun eigen land, cultuur, volk en identiteit willen opkomen.

 

In zo’n wereld werd Jezus gebeuren, onder het bewind van Augustus die zichzelf ook ‘Kyrios’ liet noemen, ‘Heer’, een soort goddelijke titel, die wij tegenkomen in ons Kyrie eleison, Heer, God, ontferm U over ons. Eigenlijk kwam die uitroep uit de troonzaal van de keizer. De vroege christenen weigerden die goddelijke titel aan een sterfelijk mens te geven, ook al was hij keizer. De eerste christenen waren best een beetje revolutionair: zij reserveerden deze titel voor de ene onzichtbare God van Israël en voor zijn eniggeboren Zoon. Daarom zingen wij aan het begin van elke heilige Mis: Kyrie eleison, Christe eleison.

 

Augustus had overal vrede gebracht, dat wil zeggen volken aan zijn macht onderworpen. Nu wilde hij wel eens weten, vertelt ons evangelie, hoeveel mensen er woonde in zijn onmetelijk rijk en ook: hoeveel belasting hij zou kunnen heffen van al deze inwoners, om zijn enorme imperium in stand te kunnen houden.

 

Ons Kerstevangelie vertelt dus over de grote internationale politiek. Hoe warm wij onze kerk en onze huiskamers ook aankleden en verlichten in deze donkere dagen voor Kerstmis, de wereld waarin de Kyrios Christus geboren wordt, is behoorlijk kil en hard, ook al is er vrede, vrede door afschrikking met harde hand. De burgers worden een nummer, zij krijgen een nummer, in onze dagen eufemistisch een burgerservicenummer genoemd. Ze worden in kaart gebracht, geregistreerd, aangeslagen. Zo komt de internationale politiek de levens binnen van gewone mensen zoals u en ik, zoals in het leven van Maria en Jozef.

 

Zij wonen in de marge van het grote rijk. Maar aan de ambtenarij, de belastingdienst ook in die dagen ontsnapt geen mens. Zij moeten er aan geloven en op reis gaan naar de stad van Jozef, Betlehem. Een kleine stad te midden van uitgestrekte velden, stad eerder van herders dan van ambtenaren en militairen. Herders: mensen die een groot deel van hun leven doorbrengen onder de open hemel, dag en nacht bij hun kudde, hun schapen. Paus Franciscus heeft gezegd dat echte herders ruiken naar de schapen. Zij kunnen hun kudde niet van alzo hoge van al zo veer beschermen en leiding geven. Zij moeten dichtbij hen blijven. Dat was een overduidelijke hint aan de herders, de pastores van de kerk. Maar wij christenen mogen het ons allen aantrekken. Wij kunnen de bescherming van elkaar, de zorg voor elkaar, onze kinderen en onze ouderen niet buiten ons gezichtsveld zetten, we moeten dicht bij elkaar blijven. Geen verhevene, augustus, hoog boven de  gewone dagelijkse werkelijkheid, maar te midden van de schapen. Dat is de wereld waarin Jezus geboren wordt. In de herberg, het gastverblijf, de caravanserai, waarin mensen en dieren op reis veilig kunnen overnachten, is er voor hem en zijn ouders geen plaats. Hij wordt geboren onder de open hemel, waaruit hij is neergedaald, tussen zijn schapen, zijn mensen. Hij wordt door Maria neergelegd in een kribbe, een voederbak, Hij die later het levende brood wordt genoemd dat uit de hemel is neergedaald. Hij voedt het hongerige hart en de verlangende ziel van ieder die zoekt naar echt leven.

 

Twee werelden vanavond: die van de hoogverheven, van zichzelf vervulde, zichzelf vergoddelijkte mens Augustus en die van de op aarde neergedaalde, mensgeworden Zoon van God.

Wij allen leven in beide werelden. De wereld van de afschrikking, de moeizaam bewaarde en bevochten vrede, die voortdurend bedreigd wordt door onzeker makende gebeurtenissen en leiders. Tegelijk worden wij gevraagd burgers te worden en de blijven van de wereld van Jezus, aan wie goddelijke eer toekomt, maar die heel menselijk nabij komt deze Kerstavond. De mens verheft zichzelf, wil worden als een god, maar vanavond vieren wij: God wordt omwille van ons een mens. Laten wij zoveel mogelijk in zijn wereld leven en alleen voor Hem door de knieën gaan. Amen.

 

Nico van der Peet

 

------------------------------------------

[1] Jesaja 9, 1-3.5-6; Titus 2, 11-14; Lucas 2, 1-14


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 21/22 december 2019.

                      Vierde zondag van de Advent[1]

 

Jozef en Maria, twee verloofden. Zij wonen nog niet onder één dak. Zij zijn verloofd, zij hebben elkaar een belofte gedaan. Een onopvallend leven zoals ontelbaar velen dat leiden. ‘Met jou wil ik verder. Als het zover is spreken wij onze definitieve belofte uit, wonen we onder één dak, met Gods wil krijgen wij kinderen.’

Maar hun onopvallende leven, vol van belofte en liefde, wordt doorbroken. Hun levensplan wordt verstoord. Maria is zwanger, staat er, zwanger van de Heilige Geest.

 

 

 Afbeelding: Piero della Francesca, Madonna del parto (1455)

 Opstandigheid en gehoorzaamheid strijden vandaag om de eerste plaats in de lezingen van deze vierde adventszondag.

 

 

 

Opstandigheid.

De eerste lezing vertelt een kort, beslissend gesprek tussen de profeet Jesaja en Achaz, koning van het zuidelijk deel van Israël, Juda, in de achtste eeuw voor Christus. Hij leefde bijna drie millennia geleden, maar zijn houding, zijn mentaliteit zijn heel modern, heel bekend voor ons. Achaz en zijn  koninkrijk zijn in het nauw gedreven, machtige vijanden bedreigen het land; de koning aanbidt afgoden, goud, zilver, geld en goed.

 

Maar de Heer laat zijn angstige volk niet los. Daar meldt zich de profeet voor een audiëntie. Jesaja zoekt het oor van de koning. Wat zegt hij Achaz? ‘Ga door de knieën, majesteit, ga bidden voor uw volk en voor uzelf. Vraag de Heer om uitkomst, een teken, geef je gewonnen, vertrouw je broze leven en dat van je volk toe aan God.’

Het antwoord van Achaz is verbijsterend: ‘ik vraag niets aan God, ik hoef geen teken.’ Hij weigert het gebed. Hij trekt zijn eigen plan. Hij rekent niet op God. ‘Ik moet het zelf doen.’ Alsof God een concurrent zou zijn. Alsof je zwak zou zijn als je bidt tot God, zijn hulp inroept. Wie goed bidt komt zelf ook in actie. Wie zich terugtrekt in de binnenkamer van het gebed wordt juist geconfronteerd met zijn persoonlijke verantwoordelijkheid. Het lijkt erop of Achaz die ontvlucht. Hij ziet het niet meer zitten. Hij denkt: ‘het zal mijn tijd wel duren’. Hij komt in opstand tegen de profeet en keert zich af van God.

 

We moeten de opstandige, weerspannige koning niet te hard vallen: laat ik liever mezelf onderzoeken. Reken ik nog wel op God, vraag ik Hem nog om een teken, vertrouw ik mijn leven kog aan Hem toe of ga ik - als ik eerlijk ben - gewoon mijn eigen gang, trek ik mijn persoonlijke plan? Zoals toen koning Achaz.

Ook al weigert hij een teken, God blijft het toch proberen. Ook als mensen niet meewerken zet God zijn redding, zijn liefde door. De jonge vrouw zal, tegen alle ongeloof van de machtigen in, ontvangen en een zoon baren: God-met-ons.

 

Gehoorzaamheid.

Paulus heeft het over de gehoorzaamheid van het geloof. Gehoorzaamheid is in onze autonome levens niet zo’n geliefd begrip meer. Vroeger werd er te veel gehoorzaamheid geëist, te pas en te onpas. Nu willen we er niets meer van weten. Vandaag gaat het over opstandigheid én over gehoorzaamheid. Hoe de gehoorzaamheid van het geloof werkt lezen wij in het evangelie. Dat speelt zich niet af in de audiëntiezaal van een koning, maar in een eenvoudige woning in Nazareth. Jozef en Maria, twee verloofden. Zij wonen nog niet onder één dak. Zij zijn verloofd, zij hebben elkaar een belofte gedaan. Een onopvallend leven zoals ontelbaar velen dat leiden. ‘Met jou wil ik verder. Als het zover is spreken wij onze definitieve belofte uit, wonen we onder één dak, met Gods wil krijgen wij kinderen.’

 

Maar hun onopvallende leven, vol van belofte en liefde, wordt doorbroken. Hun levensplan wordt verstoord. Maria is zwanger, staat er, zwanger van de Heilige Geest.

Jozef is ontdaan. Hij rechtschapen, lezen wij, hij is een rechtvaardige. Volgens de bijbel vormen de onopvallende rechtvaardige mensen de ruggengraat van de wereld. Zonder rechtvaardigen zou de wereld te gronde gaan aan de geldingsdrang van de machtigen en narcisten. Maar Jozef weet te wachten. Ondanks de verwarring vat hij de slaap en krijgt een droom. Nog voordat hij als een macho met de vuist op tafel heeft kunnen slaan, is hij gehoorzaam aan de droom, die voor hem als een engel, een bode, een boodschap is van God. Wat hoort Jozef? “Wees niet bang, neem Maria tot je, Jozef, sta aan haar zijde, laat haar niet alleen, laat jouw persoonlijke agenda even liggen en luister naar jouw leven, de stem van jouw hart en geweten en zorg voor de moeder en het kind, als was het van jouzelf.’

 

Het evangelie, de liturgie van deze vierde adventszondag presenteert ons, enkele dagen voor Kerstmis, het uur van Maria en haar Kind, de wettige vader van Jezus, de bruidegom van Maria. In Jozef, de rechtvaardige, toont zich de nieuwe mens, die met vertrouwen en moed naar de toekomst kijkt en niet zijn eigen project volgt, maar zich geheel toevertrouwt aan God, luistert naar-, gehoorzaamheid is aan de stem die spreekt in zijn hart, zijn geweten, zijn droom.

 

Tenslotte, wat velen bezighoudt: er staat dat Maria ‘zwanger is van de Heilige Geest’.

We horen het goed: de Bijbel gaat niet over de zwangerschap van het lichaam, maar om haar in verwachting zijn van de Heilige Geest. “De heilige Maria, altijd maagd”. Het evangelie verkondigt ons dat we de redding van de mens, de wereld niet moeten verwachten van de macht, het bruisen van het bloed en de wil van mannen, maar van de kracht, het doorzettingsvermogen, de liefde van de Heilige Geest, die werkt in een gelovige, moedige vrouw als Maria en in een rechtvaardige, luisterende man als Jozef.

Mogen wij de gehoorzaamheid, de geloofskracht en rechtvaardigheid van Jozef en Maria navolgen. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-------------------------------------------------

[1] Jesaja 7, 10-14; Romeinenbrief 1, 1-7; Matteüs 1, 18-24


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 14/15 december 2019,

                      derde zondag van de advent, ‘Gaudete/Verheugt u’[1]

                    

Kijk naar het geduld van de boer, zegt Jacobus.

Denk dan even niet aan de boer op zijn trekker op de snelweg. Maar aan de boer die geduldig in weer en wind zijn land ploegt, inzaait en een lange winter met geduldig vertrouwen uitziet naar de oogst. Zoals mijn opa was, landbouwer op zijn uitgestrekte akker in de Haarlemmermeer.

 

 

De derde zondag van de advent wordt ‘vreugdezondag’ genoemd, naar het eerste woord, de eerste uitroep van deze zondag; “Gaudete”. Verheugt u, wees blij.

Deze zondag klonk deze kreet in een oorspronkelijke verwoording en toonhoogte, in het Latijn, en gregoriaans gezongen.

 

Waaruit bestaat de vreugde van een christen?

De profeet Jesaja geeft vandaag een antwoord.

Jesaja is de profeet van de ballingschap. Met zijn gelovige volk zat hij in de put, in de depressie van de ballingschap. De tempel verwoest, de stad ontvolkt, een groot deel van de geloofsgemeenschap gedeporteerd. Het stond er buitengewoon slecht voor met de godsdienst en met het volk.

Tegen de stroom in roept hij met ons ‘Gaudete’ uit: “Woestijn en steppe zullen zich verheugen…De steppe zal bloeien…Die door de Heer verlost zijn, zullen weer terugkeren.”

 

Onze kerk, in crisis, in terugloop, met leegstaande kerkgebouwen en teruglopende aantallen kerkgangers, mag stilstaan bij het geloof, de hoop, het visoen van Jesaja. Jarenlang had het volk in ballingschap gezeten. Geen woord van God werd meer gehoord. Totdat iemand zijn mond opendoet en weer over God gaat spreken.

 

Het volk had alle bijzaken verloren, de schitterende tempel, het gouden vaatwerk, de luisterrijke liturgie, de verfijnde kleding van de hoge geestelijken, de paleizen der koningen, de luxe recepties en exquise hapjes: kortom alles waaraan gewone mensen zich vergapen, om stil te blijven, klein te blijven, onder de indruk van de macht.

 

Zo is het ook wel met ons katholieke geloof en kerk. Alle uiterlijkheden zijn wij aan het verliezen. Over God wordt steeds minder gehoord, in de scholen, in de families en gezinnen en als je niet uitkijkt zelfs in kerkelijke kringen. Veel spreekt men daar over gebouwen, over geld, over een vasthouden aan uiterlijke tekenen, onveranderlijke formuleringen en verfijnde kleding.

Maar over God en over de naaste medemens die beeld is van God?

 

Er was in de ballingschap in Babel jarenlange stilte geweest. In de religieuze kaalslag sprak niemand meer over God.

Die arme gelovigen, beroofd van alle vroegere zekerheden, moesten geduld hebben. Daarover spreekt de apostel Jacobus. “Heb geduld tot de komst van de Heer”.

Kijk naar het geduld van de boer, zegt Jacobus.

Denk dan even niet aan de boer op zijn trekker op de snelweg. Maar aan de boer die geduldig in weer en wind zijn land ploegt, inzaait en een lange winter met geduldig vertrouwen uitziet naar de oogst. Zoals mijn opa was, landbouwer op zijn uitgestrekte akker in de Haarlemmermeer.

 

Wij kunnen de toekomst, de komst van de Heer, de ervaring van God, de beleving van godsdienst niet uit de grond trekken.

Onze diaken René en ik probeerden dat wel.

We organiseerden de eerste heilige Communie, hielden goed georganiseerde bijeenkomsten en een schitterende feestelijke viering.

Maar wij moesten eerlijk onder ogen zien: die arme kinderen figureerden in een door ons en een door ouders gewild schouwspel. Kinderen noch ouders kregen de tijd, de ruimte, de kans om iets te leren ervaren van een band met God, met Jezus, met zijn levende lichaam, de kerkgemeenschap. Wij zijn daarmee voorlopig gestopt. Voor het eerst hebben wij dit jaar 2019 geen eerste heilige Communie georganiseerd of gevierd.

 

Jesaja leert ons: het moet eerst stil worden. We moeten zoals het arme volk toen in ballingschap eerst rustig ons bezinnen. In welke tijd en toestand zijn wij nu terecht gekomen? We kunnen wel van alles aan die kinderen en hun ouders vragen, maar eerst moeten wij ons eerlijk deze vraag stellen: wat beleef ik nu eigenlijk zélf als ik de communie ontvang?

Neem ik de heilige Hostie aan en doe ik die zonder veel nadenken in mijn mond en ga weer zitten, min of meer geduldig het volgende lied afwachtend? Of is die heilige Communie voor mij werkelijk een ontmoeting met de Heer, die Zichzelf als brood voor mij gegeven heeft en nog geeft, die mijn ziel, mijn kwetsbare leven voedt en sterkt, bij mij is op mijn onzekere levensweg?

Een parochiaan legde het mij deze week voor. ‘Laten we toch eens nadenken over de manier waarop we te communie gaan, de heilige Hostie ontvangen. Vraag de mensen toch eens dit rustig eerbiedig te doen, niet achteloos in het loopje door,  terwijl je je weer omdraait, maar aandachtig, je innerlijk oog en hart gericht op Hem die je ontvangt. Ik breng u bij deze met instemming zijn hartekreet over.

 

Diaken René heeft het vorige week aan de ouders van toekomstige eerste communicanten uitgelegd. We moeten wachten; weken en maanden, misschien vele maanden nemen om die vragen rustig onder ogen te zien, te groeien, geduldig, naar een persoonlijke band, groeien zoals het zaad in de aarde. We nemen de tijd totdat zij, hun kinderen en wij allen weer persoonlijk ervaren wat het betekent de Heer te ontvangen, met Hem een persoonlijke band te hebben, met zijn kerkgemeenschap. “Heb geduld tot de komst van de Heer…neem een voorbeeld aan de lijdzaamheid en het geduld van de profeten…”

 

Wij kunnen het geloof, de ervaring van God en zijn Zoon en zijn lichaam, de kerk, niet uit de grond trekken, zoals de boer, mijn grootvader zijn gewas niet uit de akker kan trekken.

 

Jezus wijst op Johannes de Doper. Hij zit in de gevangenis. Daar zal hij tenslotte ook eindigen, onthoofd door een gril van in fijne gewaden geklede mensen die wonen in de paleizen der koningen.

Johannes krijgt van Jezus een antwoord op zijn vragen: zie eens hoe het evangelie, hoe het geloof werkt in mensen, hoe zij zien, in beweging komen, genezen en horen, de blijde boodschap.

Zo is de vreugde van de christen: geloven dat het groeien kan in de harten van de mensen, in ons, die de lange winter uithouden, en hopen op, geloven in de verrassende nieuwe groei en bloei.

Amen.

 

Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------

[1] Jesaja 35, 1-6a.10; Jacobus 5, 7-10; Matteüs 11, 2-11


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, vooravond eerste zondag van de advent, 30 november 2019[1]

 

In zijn encycliek Laudato Si’ roept paus Franciscus de bestuurders van de volken en ons allen op om  waakzaam te zijn.  Hij noemt de aarde ons gemeenschappelijk huis, dat dreigt onbewoonbaar te worden. Wees zo waakzaam voor ons gemeenschappelijke huis dat de aarde is, zoals je waakzaam bent over jouw eigen huis. Alles zet je op alarm om inbraak te voorkomen. Wees zo ook waakzaam over onze aarde, over de kwetsbare mensen. Zo zorgzaam en vooruitziend als Noach. De mensen lachten hem uit, maar hij was trouw aan zijn levensroeping: een ark van redding te bouwen voor alles wat leeft.

 

 

 

Jezus spreekt over de dagen van Noach: de man die de ark bouwde. Hij had ingezien, begrepen, gehoord dat deze aarde het niet meer zou volhouden. Hij verwachtte een grote vloed die alles zou meesleuren. Wie de mensen, de wereld, de schepping, onze planeet wil redden moet niet talmen. Hij moet een ark gaan timmeren. De ark staat voor redding, bescherming tegen de ondergang. Ook het mandje waarin Mozes door zijn moeder en zusje werd gelegd om te ontkomen aan de moordzucht van Farao, was een ark. Hetzelfde woord lees je daar als bij de grote ark van Noach. Zijn tijdgenoten verklaarden hem voor gek. ‘Ga toch leven en genieten, Noach. Het leven is kort. Neem het ervan. Maak je toch niet druk. Geloof al die alárm-verhalen toch niet.’

 

Ook wij beleven een tijd waarin velen alarm slaan. Zo kunnen we niet doorgaan. De aarde kan onze manier van leven niet langer aan. Wij zijn opgegroeid met de overtuiging dat de mens heer is van de schepping, de bekroning van al wat bestaat. Maar de opvattingen over de mens op deze aarde zijn veranderd. Hij heeft de aarde niet beheerd, behoed om door te kunnen geven aan nieuwe generaties, hij heeft haar gebruikt, zoveel mogelijk rijkdommen aan haar onttrokken, hij heeft haar vervuild.

 

In zijn encycliek Laudato Si’ roept paus Franciscus de bestuurders van de volken en ons allen op om  waakzaam te zijn.  Hij noemt de aarde ons gemeenschappelijk huis, dat dreigt onbewoonbaar te worden. Wees zo waakzaam voor ons gemeenschappelijke huis dat de aarde is, zoals je waakzaam bent over jouw eigen huis. Alles zet je op alarm om inbraak te voorkomen. Wees zo ook waakzaam over onze aarde, over de kwetsbare mensen. Zo zorgzaam en vooruitziend als Noach. De mensen lachten hem uit, maar hij was trouw aan zijn levensroeping: een ark van redding te bouwen voor alles wat leeft.

 

Maar de waakzaamheid waarover Jezus spreekt beoogt nog iets anders. Of beter: Iemand anders. Iemand met een hoofdletter. Uiteindelijk leven wij in de verwachting van de komst van de Mensenzoon. Onverwacht zal Hij komen. Niemand weet precies wanneer. Daarom moet de gelovige een mens zijn bij wie de ander altijd ontvangen kan worden. De Mensenzoon, Christus, laat zich ontmoeten in iedere medemens die aanklopt aan mijn deur, aan de deur van mijn hart. Bij de wederkomst van de Heer hoeven we niet alleen te denken aan een punt in de tijd dichtbij of over duizenden jaren. Nu al komt Hij naar ons toe. Wat wij aan de minsten van onze medemensen hebben gedaan, hebben wij aan Hem gedaan.

In de adventstijd mogen wij oefenen in verlangen. Nu het steeds donkerder wordt om ons heen leert het geloof, leert de liturgie ons verlangen naar het licht, verlangen naar de komst van Hem die het Licht van der wereld is. Vandaar ook onze adventskrans.  Langzaam wordt de duisternis overwonnen. 

 

Oefenen in verlangen. In de advent horen wij ook de prachtige woorden vol van verlangen van de profeten voor Jezus, die uitzagen naar de komst van de Messias, de komst van de Redder. Vandaag hoorden wij bij de profeet Jesaja een prachtig voorbeeld.  “Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers, hun speren tot sikkels”. Een gedroomde toekomst. De Realpolitiker geloven er niet in. De adventstijd leert ons weer ons cynisme en ongeloof opzij te zetten en vurig te verlangen naar licht, naar gerechtigheid, naar vrede. Denk aan de nabestaanden van vermoorde mensen in Suriname, die tientallen jaren hun verlangen naar recht en waarheid hebben gekoesterd, standvastig zijn gebleven, uitziende naar licht aan het einde van een lange tunnel.

 

Jezus beveelt ons het geloof en de trouw aan van Noach. Niemand kon hem afhouden van zijn grote reddingsactie. Wij zien met hem uit naar de grote reddingsactie die God is begonnen door zijn Zoon naar onze wereld te zenden. Laten wij de deur van ons hart voor Hem openzetten en voor allen die zoals Jezus kwetsbaar zijn en klein en onze hulp en gastvrijheid nodig hebben.

 

Nico van der Peet

 

 ---------------------------------------------------

[1] Jesaja 2, 1-5; Romeinenbrief 13, 11-14; Matteus 24, 37-44