Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, zondag 30 mei 2021.

                      Hoogfeest Allerheiligste Drieëenheid[1]

 

De diepste zin van je leven is geen veilig bezit dat je in een gouden doosje kunt stoppen en af en toe even open kan maken, zoals je wel doet met een doosje overheerlijke bonbons om er af en toe van te proeven.

Wij vieren de allerheiligste Drieëenheid, Vader, Zoon en Heilige Geest.

Dit hoogfeest zou mij in de verleiding kunnen brengen te gaan preken over diepzinnige theologische uitspraken over God. Over wie God is in Zichzelf, zijn innerlijk, zijn geheim.

 

Toen ik theologie studeerde kreeg ik enkele maanden les van een heel bevlogen vrouw. Zij verving een zieke docent. Zij was toen al op leeftijd en tegelijk bijzonder energiek en gedreven. Zij onderwees ons in de leer over Christus en over de Drieëenheid.

Zij drukte ons op het hart: over het geheim over wie God is in Zichzelf kunnen wij niet spreken. Dat geheim is als de achterkant van de maan, die wij nooit kunnen zien. Wij kennen God alleen in zijn daden die Hij in de geschiedenis voor de mensen heeft gedaan en die Hij nog doet. Wie God is naar buiten toe. In de theologie heet dat de heilseconomie. Dat heeft niets met handel en geld te maken, maar met het handelen van God in verleden en heden.

 

Eigelijk is het ook zo met de mensen, met u, jou en mij. Wie wij ten diepste zijn dat kan een ander niet zien. En misschien ken ik mijzelf ook niet helemaal. Het getuigt ook van menselijk respect en eerbied dat je niet wilt binnendringen in het diepste innerlijk van de ander, zelfs niet als zij of hij jouw echtgenoot, levenspartner is. Als het goed gaat in onze relaties ontvangen wij het handelen, de daden, de meningen, de levenswijze van de ander met groot respect en geduld en wij doen een stapje terug als het gaat over haar of zijn diepste wezen, zijn of haar innerlijk, waarvoor hij of zij zelf vaak ook geen woorden heeft.

 

In de afgelopen weken las ik een roman van de Noorse schrijver Jon Fosse, deel twee van een drieluik. “Ik is een ander”, heet die roman, naar de titel van een gedicht van Arthur Rimbaud, die zijn gedichten de stem noemde van een ander. Wat ik opschrijf is mij eigenlijk doorgegeven, aangereikt, ingefluisterd door een stem boven mij uit.

 

Die Noorse schrijver is heel bijzonder. Heel zijn boek is een innerlijk gesprek. Wat er een hele dag door zijn hoofd en zijn hart gaat schrijft hij op. Zoals wij allemaal eigenlijk de hele dag in ons hoofd en hart allerlei gedachten heen en weer laten gaan zoals de eb en de vloed van de zee.

Die man in die roman, Asle geheten, is ook schilder, een heel verdienstelijk schilder. Hij verdient er ook goed mee. Mensen kopen zijn schilderijen graag. Maar er zijn enkele schilderijen die hij niet wil verkopen. Daarop heeft hij geschilderd, schrijft hij, “wat ik niet zeggen en afbeelden kan”. Goede, echte kunst gaat over wat eigenijk niet goed te zeggen en af te beelden valt, over het diepste van ons leven, van ons liefhebben en over onze eindigheid, onze dood.

De schilder, Asle, kreeg lucratieve opdrachten om de mooie, vaal luxueuze huizen van dorpsgenoten te schilderen. Met die schilderijen konden zij dan pronken op verjaardagsfeestjes. Hij zegt tegen een vriend die ook zo’n poenig schilderijtje wil: ‘ik ben daar mee gestopt, zo kan ik niet meer schilderen, ik moet schilderen wat ik nog niet gezien of gehoord heb.’ “Wat geen oog heeft gezien en oor heeft gehoord, dat heeft God bereid voor wie Hem liefhebben”, zegt de Heilige Schrift.

Die schilder zegt: “hoe meer over God beweerd wordt dat Hij zo of zo is, hoe meer Hij zich verborgen houdt, denk ik, ja, dat God zich openbaart door zich verborgen te houden…God spreekt stilzwijgend uit alles wat er is, en dat stilzwijgen werd pas verbroken toen het Woord in de wereld kwam, toen Christus ter wereld kwam, pas toen konden Gods woorden gehoord worden (…) maar geloof ik daar werkelijk in?”

 

Het hoogfeest van de heilige Drieëenheid is heel mooi maar het is dus ook een hachelijke onderneming. Voor het diepste wezen van God kun je misschien wel beter je hoofd buigen dan je uitputten in woorden. De monniken en monialen doen dat dan ook de hele dag. Aan het einde van elke psalm zingen zij: “Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest”. Bij die woorden gaan ze staan en buigen zij diep.

 

Ook de Heilige Schrift vandaag vertelt eigenlijk niets over Gods diepste innerlijk, maar alleen over zijn daden voor de mensen.  Het boek Deuteronomium zegt: “Ga de oude tijden maar na die u zijn voorafgegaan…”

Kijk maar terug in jouw leven: hoe je geleid bent, juist ook toen je stond voor grote gebeurtenissen, keuzen en beproevingen.

Pauls zegt: De Geest heeft ons laten ervaren dat wij kinderen zijn van God; de Geest doet ons uitroepen: “Abba, Vader”. Wij zijn zelf opgenomen in het leven van God. De Heilige Geest laat ons, samen met de Zoon Jezus, uitroepen: Abba, Vader.

 

Wij hoorden de slotwoorden van het evangelie volgens Matteüs. De elf leerlingen doen wat Jezus tegen de vrouwen heeft gezegd in de morgen van de verrijzenis. Zij moeten naar Galilea gaan. “Daar zullen zij Mij zien”. Zij moeten teruggaan naar hun oorsprong, naar de plek van hun roeping door Jezus. Jezus vraagt ons terug te keren naar onze roeping, hoe die van u, van jou of van mij er ook uitziet. Daar zul je Hem ontmoeten. Dan staat er: “Toen zij Hem zagen wierpen zij zich in aanbidding neer; sommigen echter twijfelden”.

 

Wat is dit toch een mooie, eerlijke zin. Mattheüs had die twijfelaars natuurlijk lekker kunnen weg-schrijven uit zijn evangelie. Het zijn nog wel de slotwoorden. Nee, Matteüs is eerlijk. In elk mensenhart zijn er ook momenten van twijfel, vertwijfeling. Zoals van die schilder. Hij is werkelijk gelovig en gaat regelmatig naar de Heilige Mis. In het niet zo kerkelijke Noorwegen moet hij daarvoor zelfs een flink eind rijden. Maar hij kan op de stem van God en van Jezus niet de hand leggen. De diepste zin van je leven is geen veilig bezit dat je in een gouden doosje kunt stoppen en af en toe even open kan maken, zoals je wel doet met een doosje overheerlijke bonbons om er af en toe van te proeven.

 

Geloof, vertrouwen in de drie-ene God is een gave, een cadeau van de Geest. God wacht elke dag op ons, in Galilea, op de plaats van onze roeping, daar zal Hij ons zegenen en maakt Hij ons tot zijn leerlingen.

Daar zal Hij met u, met jou, met mij zijn tot aan de voleinding.

Amen.

 

Nico van der Peet 

 

------------------------------------------------------------------

[1] Deuteronomium 4, 32-34. 39-40; Romeinenbrief 8, 14-17; Matteüs 28, 16-20

Afbeelding: Allerheiligste Drieëenheid, Andrej Roebljov, Rusland, 15de eeuw


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Pinksteren, 23 mei 2021[1]

 

“Wanneer Hij komt, de Geest van de waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen.”

De volle waarheid. Daarheen zijn wij onderweg. De volle waarheid over Jezus, daar gaat het over. Wie Hij was, wat zijn betekenis van zijn unieke persoon is voor u en mij.

Deze week werd ik verwelkomd in een voor onze huidige begrippen groot gezin: vader en moeder en vijf kinderen. De oudste is vijftien, de jongste bijna drie maanden. Wij hadden afgesproken met elkaar te spreken over de doop van de drie jongste kinderen. De twee oudsten mocht ik in 2007 dopen.

 

Voor de ouders was het gemakkelijker bij hen thuis af te spreken dan met het hele gezin af te reizen naar het pastoraal centrum. Het werd een van de meest bijzondere doopgesprekken die ik ooit mocht meemaken.

Het leek nergens op.

Het was geen goed geplande, ordentelijk opgezette doopcatechese, een taak waarvan ik me uiteraard nauwkeurig heb te kwijten.

 

Er is heel veel te zeggen over de betekenis van de doop en de daarop volgende zalving. De dopeling gaat onder tekenen kopje onder, in het leven en het sterven van Jezus en komt weer rechtop te staan, als een kind geboren uit God, een nieuw leven, als kind van God, vriend, vriendin van Jezus, voortaan levend in zijn Geest.

Dat hoor je in zo’n doopgesprek natuurlijk allemaal zo begrijpelijk mogelijk te vertellen, met een verhaal, met verstaanbare woorden. Maar ja, de oudste dopeling is zes jaar en de oudere kinderen veertien en vijftien.

Nog veel heb Ik u te zeggen, maar je kunt het nu nog niet dragen.

 

De catecheet, priester, diaken kunnen alles wel willen zeggen en regelen.

Ook Jezus legt zoveel mogelijk uit, in die weken na Pasen, na zijn verrijzenis uit de dood.Dat hebben wij de afgelopen zeven weken, vijftig dagen gehoord. Hij ontmoet zijn leerlingen, de apostelen en de vrouwen opnieuw. Alles wat zij over Jezus weten leren zij nu op een heel nieuwe manier te zien, en wel in het licht van zijn dood en verrijzenis. Maar Jezus kan niet alles zeggen en uitleggen. Hij moet weggaan, zijn leerlingen loslaten. Hij geeft hun het vertrouwen dat zij, als Hij er niet is, het steeds beter zullen begrijpen en doorzien.

 

“Wanneer Hij komt, de Geest van de waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen.”

De volle waarheid. Daarheen zijn wij onderweg. De volle waarheid over Jezus, daar gaat het over. Wie Hij was, wat zijn betekenis van zijn unieke persoon is voor u en mij.

Wanneer dadelijk bij het uitgaan van de kerk iemand buiten zou staan met een microfoon en de vraag aan velen van u zou voorleggen: Wie was Jezus, wie is Hij voor u, wat is zijn volle waarheid? dan zou het zomaar kunnen dat er heel  verschillende antwoorden klinken. En als die persoon met de microfoon er over tien jaar weer staat dan zou uw antwoord misschien weer heel anders zijn. De volle waarheid is niet in beton gegoten, maar groeit met ons mee, met onze ervaringen, wat wij beleven aan vreugde en geluk en hebben te ondergaan aan zorgen en verdriet.

 

Voor de evangelist Johannes was die waarheid vooral:

Jezus is de Zoon van God. Hijzelf is de mens in wie de goede boodschap van God mens is geworden, vlees en bloed. Niemand heeft ooit God gezien, zegt Johannes al op de eerste bladzijde van zijn evangelie, “niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon…Hij heeft Hem doen kennen”.

 

Maar die eniggeboren Zoon van God is een mens geworden van vlees en bloed, geboren uit de maagd Maria, heeft geleden, is gestorven, begraven, opgewekt, ten hemel opgestegen. Hij is zozeer mens geworden dat zijn levensloop op aarde net als de onze beperkt is in de tijd.

 

Wij moeten zonder Hem verder. Wij ontvangen zijn heilige Geest. Daarom word je na de doop ook op een goed moment gezalfd, gevormd.

Nu wordt Hij, Jezus, als het goed is vlees en bloed in u, in jou en in mij: kinderen van God, vrienden en vriendinnen van Jezus als wij zijn geworden door de doop, kopje onder en weer rechtop gaan staan.

 

“Nog veel heb Ik u te zeggen, maar je kunt het nu nog niet dragen”, dacht ik aan het einde van dat gedenkwaardige doopgesprek deze week. Her was een van de meest rommelige doopgesprekken in meer dan dertig jaar, niet netjes volgens het catechese-boekje, heel de geloofsbelijdenis ordelijk uitleggend aan ouders en peters en meters.

Hoe ouder ik word hoe meer ontspannen, denk ik wel eens, hoe meer gelovend in de Heilige Geest.

“Hij zal niet uit zichzelf spreken maar spreken al wat Hij hoort en u de komende dingen aankondigen.”

Hij spreekt door die ouders, die met hun kinderen steeds meer hebben meegemaakt, steeds verstandiger, meer ervaren, meer ontspannen zijn geworden en zo een voorbeeld zijn geworden van vertrouwen. Verlicht door de heilige Geest kunnen zij hun kinderen de komende dingen aankondigen.

 

Bidden wij vandaag dat Hij door onze dopelingen gaat spreken, vandaag bijzonder door Fazia, die dadelijk gedoopt zal worden en over een tijdje gezalfd, gevormd, en dat Hij later ook door die drie kinderen uit het gezin van vijf en door u allen en door mij zal spreken. Steeds meer en beter en dieper zullen wij begrijpen wie Jezus is en wat een rijkdom en vreugde het is zijn vriendinnen en vrienden te zijn. Hij heeft gezegd, bij het laatste avondmaal: “Ik noem u geen dienaren meer maar vrienden, want Ik heb jullie alles meegedeeld wat ik van de Vader heb gehoord.” Zo zal het zijn.

Zalig Pinksteren. Amen.

 

Nico van der Peet

 

------------------------------------------------------------

[1] Handelingen 2, 1-11; Galaten 5, 16-25; Johannes 15, 26-27; 16, 12-15


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                        zevende zondag van Pasen, 16 mei 2021[1]

 

 'Zij keerden van de berg terug naar Jeruzalem. Daar aangekomen gingen zij naar de bovenzaal (de zaal van het laatste avondmaal). Daar bleven zij eensgezind volharden in het gebed samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus en zijn broeders.’

  Wat gebeurde er vlak na de Hemelvaart van Jezus?

‘Zij keerden van de berg terug naar Jeruzalem. Daar aangekomen gingen zij naar de bovenzaal (de zaal van het laatste avondmaal). Daar bleven zij eensgezind volharden in het gebed samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus en zijn broeders.’

Tussen hemelvaart en Pinksteren bidden zij, zoals ook wij nu in deze noveen van Pinksteren bidden om de heilige Geest. “Geest die waakzaam zijt en sterk, hoed het schip van Christus’ kerk”, zullen wij na de Communie horen zingen.

 

Petrus neemt in die dagen tussen hemelvaart en Pinksteren het woord om een delicate kwestie te bespreken.

Hij komt terug op die bewogen avond die zij met Jezus hebben doorgebracht in de bovenzaal. Ja, Petrus spreekt vooral over wat er daarna, in die dramatische avond gebeurde, toen de avondmaaltijd voorbij was, het Lichaam gebroken, het Bloed vergoten, onder de oude tekenen van brood en beker.

Judas was al eerder vertrokken. Hij ging Jezus overleveren, in handen spelen van de soldaten, het begin van het einde van Jezus.

Ook het begin van het einde van Judas, die zich uit wroeging het leven benam.

 

De eerste groep volgelingen, de apostelen en de vrouwen, was uit elkaar gevallen, ontredderd. Bij de eerste lakmoesproef ging het al mis.

Het had zomaar kunnen gebeuren dat we er niets meer over gehoord hadden.

Maar wij weten dat het anders liep.

Op de derde dag na Jezus’ kruisdood hadden sommigen de ervaring dat Hij weer leefde, dat Hij hen weer riep, dat Hij, de verrezen Jezus, hen had vergeven: hun vlucht, hun angst, dat ze nog geen uur met Hem hadden kunnen waken, dat Petrus Hem had verloochend.

 

De kerk was op een dood punt gekomen. Zij had niet thuis gegeven toen het erop aan kwam. Zo ging het toen, zo gaat het nog steeds, in het leven van de kerk en in uw of mijn persoonlijke leven. Soms lijkt veel middelmatig of zelfs mislukt, vergeefs, onder de maat.

Het is de opgestane Heer die hen, die ons over het dode punt heen leidt.

Je kunt jezelf niet aan je haren uit het moeras trekken, daar heb je een ander voor nodig, daar heb je dé ander voor nodig.

Zo is het gegaan met Petrus vooral, die tot driemaal toe, toen het hem te heet onder de voeten werd, doodleuk verklaarde dat hij Jezus niet kende. Het ongelooflijke gebeurt. Hij vindt vergeving, een nieuwe kans. Jezus schenkt hem de absolutie. Die vrijspraak en vergeving moet hij nu doorgeven.

Boete, verzoening, vergeving die ons in Jezus’ Naam door de kerk wordt gegeven.

 

Niet omdat Petrus nu zo goed was, werd hij vergeven. Hij werd uiteindelijk goed omdat de Heer hem vergaf, weer zijn liefde gaf, zijn vergevende liefde. Wij ontvangen die liefde niet omdat wij zo goed zijn. Een mens wordt goed omdat hij of zij liefde ontvangt.

 

Op dat punt gekomen ziet Petrus de tragische schade onder ogen die de kerk heeft opgelopen: de lege plaats van Judas.

Hoe ga je om met de mislukking, het verraad in jouw leven? Blijf je je daarin wentelen? Nee, Petrus maakt een nieuw begin.

Hij zet de apostelen, de vrouwen, Maria en al die anderen aan tot gebed.

“U, Heer, die de harten van alle mensen kent, wijs degene aan die U hebt uitgekozen om de plaats te bezitten in dit dienstwerk en apostelambt”.

De kerkgemeenschap lost haar problemen bij voorkeur niet op door eindeloze disputen, maar door gebed, door te luisteren naar de Heilige Geest.

 

We hebben het wel eens geprobeerd die langdurige debatten en discussies. En soms steekt die neiging weer de kop op. In de kerk kan er natuurlijk worden gedebatteerd, maar er moet toch vooral worden geluisterd, gebeden.

 

Wat moet de nieuwe apostel doen?

Hij mag getuige worden van de verrijzenis van Jezus. Dat is de kern van ons geloof. Er is opstanding mogelijk uit de dood, uit de mislukking, zelfs uit verloochening en verraad.

 

In het evangelie horen wij Jezus bidden voor zijn kerkgemeenschap die na zijn hemelvaart verder moet in de wereld. Zoals een mens een weg in het leven moet zoeken na het verlies van de meest dierbare in haar of zijn leven. Hij bidt tot God dat wij zijn vreugde ten volle in ons zouden bezitten. Leven uit de vreugde van Jezus. Wat voor tegenslagen er ook op het pad van de kerk zouden komen. Wij weten allen: dat zijn er heel veel geweest en nog. Maar wij zijn niet alleen. Jezus is teruggegaan naar zijn Vader. Daar, opgestaan uit de dood, verheven aan de rechterhand van de Vader, bidt Hij voor ons. Zijn Moeder spreekt voor ons ten beste.

 

Opdat wij kunnen leven, het dode punt voorbij.

Hij bidt voor ons, vuurt ons aan door zijn Geest, -zullen wij volgende week op Pinksteren vieren. “Trooster, die met wond’re krachten bijstaat wie in leed versmachten; wees ons op de levenszee: vaste baak en veilige ree.”

Amen.

 

Nico van der Peet

-------------------------------------------------------------------------

[1] Handelingen 1, 15-17.20a.20c-26;1Johannes 4, 11-16; Johannesevangelie 17, 11b-19


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 9 mei 2021

                       zesde zondag van Pasen[1]

 

“Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.”

Liefde legt het zwaartepunt van het leven bij het geluk, het leven van de ander. Dat geeft een diepere vreugde dan alleen voor mijzelf te leven, mijn eigen goals te halen. Liefde geeft zichzelf, in het meest ernstige geval zelfs zijn of haar eigen leven.

 

Deze week las ik een bericht in het Nederlands Dagblad, een kleine protestantse krant, die opvallend vaak berichten plaatst over feiten en gebeurtenissen uit de katholieke wereld. Niet steeds berichten om als katholieke lezer heel trots op te zijn. U weet het: onze wereldwijde kerk heeft vele gezichten. Soms zou je weg willen kruipen van schaamte en ergernis, en soms - gelukkig - is je vreugde volkomen.

 

Van dit bericht werd ik een beetje stil en ontroerd.

U weet ongetwijfeld dat Italië van alle landen in Europa het zwaarst getroffen is door de corona-pandemie. Onder de vele te betreuren overledenen in Italië worden ook 269 diocesane priesters geteld, priesters dus die niet tot een religieuze orde of congregatie behoren maar tot een bisdom, zoals ik ook. Er zijn dus waarschijnlijk nog veel meer slachtoffers in de gelederen van de geestelijken. 269 priesters die actief zijn in de parochiële zielzorg hebben hun leven verloren als gevolg van een covid19-besmetting, meestal opgelopen, las ik, bij het bezoeken van besmette mensen, thuis, in het ziekenhuis, de intensive care. Het is de Italianen opgevallen en het heeft hen getroffen, las ik in het bericht in deze protestantse krant, dat talloze priesters dichtbij de mensen bleven, de zieken, de eenzamen en geïsoleerde mensen.

Talloze Italianen beschouwen het als een troost. Vaak komen priesters in het nieuws die klerikaal zijn, inhalig, begerig, over de schreef gaan. Maar nu blijken er ook velen te zijn die hun roeping - Christus’ liefde na te volgen - royaal zijn trouw gebleven, ook met gevaar voor eigen leven.

 

Vandaag lezen wij uit Jezus’ laatste gesprekken.

Hij spreekt over de kern van zijn leven, die Hij wil nalaten aan zijn leerlingen, die Hij niet langer dienaars noemt maar vrienden.

“Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.”

Wij spreken en horen graag over de liefde. Van de kerk wordt verwacht dat daar de liefde de grootste is. En terecht. Vandaag geeft Jezus een definitie van de liefde zoals Hij die verstaat, beleeft en ons nalaat, als testament.

 

De Kerk heeft ons veel te leren. Zij kent vele dogma’s, rituelen, regels, opvattingen, voorwaarden om er helemaal bij te horen. Wij leren die regels in de catechese, de prediking. Velen nemen er kennis van, worden erdoor aangetrokken of juist afgestoten, soms zozeer dat zij de kerk de rug toe keren, ik sprak u daar deze maand eerder over. Voor menigeen heeft de kerk geloofwaardigheid verloren.

 

Maar in Italië is tijdens de pandemie de meest heldere catechese geven, onderricht in het leven, de leer en de liefde van Christus door die 269 priesters die hun leven hebben verloren, hebben gegeven en door talloze andere geestelijken, verpleegkundigen, ziekenverzorgers, bezoekers, mantelzorgers van talloze oude, eenzame en zieke mensen.

 

“Als gij mijn geboden onderhoudt zult jij in mijn liefde blijven…”

Wat is het gebod, wat zijn de geboden? Jezus geeft vandaag het antwoord:

“Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt zoals Ik u heb liefgehad”. Hij heeft uit liefde zijn leven gegeven.

 

“Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.”

Liefde legt het zwaartepunt van het leven bij het geluk, het leven van de ander. Dat geeft een diepere vreugde dan alleen voor mijzelf te leven, mijn eigen goals te halen. Liefde geeft zichzelf, in het meest ernstige geval zelfs zijn of haar eigen leven.

 

Dit zeg Ik u opdat mijn vreugde in u moge zijn en uw vreugde volkomen mag worden”. Die gevende liefde schenkt een volkomen vreugde. Niet wat oppervlakkig plezier en vluchtig vertier. Maar volkomen vreugde. De diepste vreugde in ons leven, leert Jezus ons, bestaat niet in het bevredigen van mijn behoeften, maar in het mijzelf geven, loslaten, het zwaartepunt van mijn leven bij de ander leggen, een geliefde, een mens in nood, een zieke, een eenzame, een kwetsbare mens, een ouder, een kind.

 

Vandaag is het moederdag. Deze dag laat ons stilstaan bij die meest intense liefde die - als het goed is - iedere mens ondervindt of heeft ondervonden: de liefde van je moeder die jou zonder enige voorwaarde heeft gewild en heeft liefgehad; die jouw leven wilt en aanvaardt zonder dat je daarvoor grote prestaties hoeft te leveren, een liefde die alles geeft. Zoals ons communielied dadelijk zal zingen: “Liefde, liefde zal geen woord meer zijn. Lichaam en zwijgen: genoeg.”

 

In deze meimaand richten we onze blik ook op Maria, de Moeder van de Heer, die bij haar Zoon blijft, Hem volgt, ook op een weg, ja op een kruisweg die zij niet begreep en die haar hart, zoals het evangelie het zegt, als Hij nog maar een kind is, met een zwaard heeft doorboord. Laten wij haar onvoorwaardelijke liefde volgen, opdat de vreugde van haar Zoon in ons moge zijn en onze vreugde volkomen mag worden. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-------------------------------------------

[1] 1 Johannes 4, 7-10; Johannes-evangelie 15, 9-17


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                        Vijfde zondag van Pasen,  2 mei 2021[1]

 

“Elke rank aan Mij die geen vrucht draagt, snijdt Hij af; en elke rank die wel vrucht draagt, zuivert Hij, opdat zij meer vrucht mag dragen”.

Soms moet een mens, een gelovige een periode van catharsis, van zuivering meemaken, ondergaan, uithouden. Dat zuiveren doet pijn.

Houd je zo’n tijd die een afgang lijkt, maar later een doorgang bleek te zijn, houd je zo’n tijd uit?

Paulus is teruggegaan naar huis, naar Tarsus, lezen wij. Het is hem niet gelukt een plekje te vinden in de geloofsgemeenschap. Paulus heeft de Heer gezien. Eerst had hij de volgelingen van Jezus te vuur en te zwaard bestreden. Hij, de orthodoxe gelovige in de ene God van Israël, kon niet geloven dat God zo dichtbij kon komen als in deze mens Jezus, profetische mens, een goede herder die zijn leven heeft gegeven voor zijn schapen. Hij vond die nieuwe beweging van Jezus een bedreiging voor de gevestigde geloofsgemeenschap.

 

Paulus, de bekeerling, voelt zich met angst en beven bekeken, met de nek aangekeken. Soms heeft de kerkgemeenschap het moeilijk met nieuwelingen, de mensen blijven liever onder elkaar met de vertrouwde gezichten en woorden en leuzen. Ook wij hier worstelen er wel eens mee. Ook met christenen uit andere landen die hier kerken. In hun midden bestaan soms verhoudingen die wij hebben losgelaten en die wij vreemd vinden.

 

Jezus leert ons vandaag elkaar, hoe verschillend we onderling ook zijn, te zien als ranken die groeien op de ene wijnstok Christus en dat wij kinderen zijn van de ene Vader, de wijnbouwer. De geloofsgemeenschap van Israël wordt ook in het oude testament vaak vergeleken met een wijngaard. Een prachtig beeld. Wat is er mooier dan een wijngaard in de late middagzon: de stevige, vaak oeroude wijnstokken, getooid met groene ranken en behangen met druiventrossen, uitziende naar de oogst. 

Zonder de wijnstok Jezus, zonder de Vader, de wijnbouwer zijn wij nergens.

 

Paulus heeft het zwaar. Hij is nergens meer. Zijn oude kompanen, de hoge leiders van de tempel, moeten hem niet meer nu hij christen is geworden, en zijn nieuwe christelijke vrienden betonen zich heel onvriendelijk.

Arme Paulus, hij gaat maar weer naar huis, naar Tarsus, terug naar af. Is alles voor niets geweest? Zal zijn nieuwe geestelijke huis, de kerk, ooit nog wat worden of heeft zij voor hem geen toekomst? Hij, die toch door de verrezen Jezus is geroepen, sterker nog, aan wie Jezus Zich heeft laten zien. Paulus voelt zich een afgesneden rank.

 

Maar wat een mislukking lijkt, blijkt een tussenfase.

“Elke rank aan Mij die geen vrucht draagt, snijdt Hij af; en elke rank die wel vrucht draagt, zuivert Hij, opdat zij meer vrucht mag dragen”.

Soms moet een mens, een gelovige een periode van catharsis, van zuivering meemaken, ondergaan, uithouden. Dat zuiveren doet pijn.

Houd je zo’n tijd die een afgang lijkt, maar later een doorgang bleek te zijn, houd je zo’n tijd uit?

 

Met Paulus had het zomaar kunnen misgaan. Als niemand in actie was gekomen had deze rank zich zo afgesneden gevoeld dat hij geestelijk, godsdienstig, menselijk was verdord, - teleurgesteld in de kerk waar hij was binnengetreden ooit.

 

Af en toe spreek ik die mensen die een brief komen brengen naar de pastorie, om zich te laten uitschrijven uit de kerk. Om een of andere, meestal begrijpelijke reden, willen zij zich losmaken van de kerk. Het is een droevig fenomeen, die stille uittocht die maar doorgaat. Sommige kerkleiders halen hun schouders er een beetje over op: ‘ach, die mensen kwamen toch al niet’. Ik hoor niet bij de mensen die dat zeggen. Elk van die mensen heeft, zoals hoop ik ook elke trouwe kerkganger, een hart en een ziel, die onderdak zoeken, een plaats waar zij gehoord, geliefd zijn. Dat is nu precies onze roeping als kerkgemeenschap. Het is een stil drama dat zovelen dat in onze kerk niet meer vinden. Daarover kunnen wij niet onze schouders ophalen.

 

Meestal vinden we zo’n brief op de mat. Een enkele keer lukt het zo iemand even te spreken. In hun verhaal hoor ik soms terug dat er niemand is geweest die hem of haar heeft aangesproken, opgezocht. Soms kan een goed, eerlijk, geduldig gesprek met een familielid, een vriend of een medegelovige goed doen, wonderen doen.

 

Dat is die afgesneden Paulus ook overkomen, Goddank. Uiteindelijk gaat Barnabas hem opzoeken in het verre Tarsus, in zijn isolement, zijn geestelijke vereenzaming. De naam van Barnabas betekent: zoon van vertroosting. Nu, zijn naam heeft hij waargemaakt. Zijn bezoek was zo troostend, dat Paulus weer terug kwam en uiteindelijk zijn plaats en taak vond in de kerkgemeenschap. Wij mogen kinderen zijn van troost. Wij moeten mensen niet bestoken ‘met woorden en leuzen’, hoorden wij de apostel Johannes zeggen in de tweede lezing, ‘maar met concrete daden’. “Dat is onze maatstaf, daardoor krijgen wij de zekerheid dat wij thuishoren bij de waarachtige God”.

Wat hebben wij aan woorden en leuzen? Johannes zegt: daarmee moeten wij niet liefhebben. Maar al te vaak maken kerkelijke woorden en leuzen het koud om ons hart. ‘Concrete daden’ doen ons hart branden, zoals bij die eerste leerlingen, van wie het hart ging branden door de manier waarop Jezus geduldig naar hen luisterde en met hen in gesprek ging.

 

“Elke rank die wel vrucht draagt, zuivert Hij, opdat zij meer vrucht mag dragen.”

Hij snijdt niemand af, maar zuivert ons, geduldig, voorzichtig rank voor rank. Niet één kan er gemist worden.

‘Zo zullen wij zijn leerlingen zijn’.

Amen.

 

Nico van der Peet 

 

----------------------------------------------------------------

[1] Handelingen der Apostelen 9, 26-31; 1Johannes 3, 18-24; Johannes 15, 1-8


Verkondiging vierde zondag van Pasen, 25 april 2021

Roepingenzondag[1]

 

Beste eerste communicanten, hier in de kerk en verbonden via de livestream.

Vandaag horen wij dat Jezus voor ons is als een goede herder, die ons graag ziet en van ons houdt en ons bij elkaar wil brengen in zijn ene schaapstal.

Hij roept ons allemaal en jullie bijzonder. Jullie bereide je voor op je eerste heilige Communie. Jullie mogen dan Jezus ontmoeten. Hij is hier heel dichtbij ons en wil ons sterk maken om jullie gelukkig te maken en jullie geloof en liefde groot te maken. Hij zegt: “Ik geef mijn leven voor mijn schapen”. Gisteren hebben we het kruisteken geoefend. Dat maken we steeds weer om daaraan te denken: dat Jezus zijn leven voor ons heeft gegeven op het Kruis. Laten we het nog eens maken en Hem vragen dat wij steeds meer bij Hem mogen horen, onze goede Herder en wij bij elkaar, zijn schapen, zijn kudde.

In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

 

Roepingenzondag is het vandaag. In heel de wereldkerk wordt vandaag gebeden dat vrouwen en mannen hun leven, hun werk, hun inzet voor kerk en maatschappij niet als huurling zullen beleven, maar als herder, als geroepenen. Uw, jouw, mijn leven als roeping.

 

Jezus deelt de mensheid in in twee categorieën: herders en huurlingen. De herder is begaan met zijn mensen, ze gaan hem ter harte, hij vlucht niet weg als het gevaarlijk wordt, ja hij is in het uiterste geval bereid zijn leven te geven voor de mensen voor- en met hij leeft en werkt.

 

En je hebt de huurling. Hij of zij blijft op veilige afstand.

Als ik van één woord wel een diepe afkeer heb gekregen is het wel deze uitdrukking: ‘ik ben voor dit werk ingehuurd’.

In de voorbije jaren kon je het zelfs ministers (‘minister’ betekent letterlijk ‘dienaar’) horen zeggen. ‘Ik ben ervoor ingehuurd om beslissingen te nemen’. Arm land, arme mensen, ouders, gezinnen, vreemdelingen en bijwoners die aan huurlingen zijn toevertrouwd, overgeleverd.

 

Ook in de kerkgemeenschap komt het voor. We moeten de hand ook in eigen boezem steken. Ook daar valt het soms zwaar de titel herder, pastor waar te maken. Ook in de schoot van de kerk en in mijn eigen hart schuilt het gevaar van huurlingen-gedrag. ‘Ja, hoor eens even, zo dichtbij mag het toch niet komen. Ik wil wel op tijd eruit kunnen vliegen, vluchten.’

 

“Wees niet bang, kom dichterbij”.

Zo luidt het motto van deze Roepingenzondag.

Wel mooi bedacht, juist in een tijd waarin ons wordt bezworen vooral afstand te bewaren.

 

U hebt een foldertje gekregen bij uw liturgieboekje en u kunt een afbeelding vinden op de website. Een jongeman met een rugzak, waaruit een flesje water bungelt, tegenwoordig een onmisbaar attribuut waar je ook gaat. Een backpacker die een hoge gotisch kerk is binnengelopen, doorstraald door licht. Hij kijkt omhoog, waarschijnlijk onder de indruk van de hoogte van de ranke oprijzende gewelven en van het hemelse licht, - zijn handen nog wat nonchalant, afstandelijk in de zakken.

Zal ik me hieraan gewonnen geven of blijf ik fijn bij mezelf, op afstand?

Keer ik me weer om, weer een bezienswaardigheid op mijn bucket-list afvinkend, of haal ik mijn handen uit de zakken en vouw ik ze, kom ik dichterbij?

 

Roepingenzondag is niet alleen ingesteld om kandidaten (mannen alleen!) voor het priesterschap te werven. Zoveel priesters zijn er niet meer nodig. De Kerk in West-Europa is gekrompen. Wij hebben vooral toch behoefte aan vrouwen en mannen, gedoopte mensen, die hun geloof niet afstandelijk beleven, maar geëngageerd. U en ik die dichterbij durven komen, mensen die zich inzetten voor de meest kwetsbare medemensen, mensen die dichterbij het meest kwetsbare geheim durven komen: het Licht, God en de verrezen Heer, in intens gebed, aanbidding, liturgie. Mensen, wij, die niet leven als huurlingen, afstandelijke toeschouwers achter teevee en toetsenbord, maar mensen die de afstand verkleinen, de ander opzoeken, zichzelf op het spel zetten. Zoals de ene en waarachtige Goede Herder Christus, die niet - zoals de huurling Pilatus deed - het vuil, de besmetting van deze wereld zorgvuldig van zijn handen afwaste, maar Zich durfde te geven, met gevaar voor eigen leven en uiteindelijk zelfs zijn leven gaf.

“Hoe groot is de liefde die de Vader betoond heeft…Bij niemand anders is dan ook de redding te vinden…”

 

Zijn er dan geen nieuwe priesters nodig en diakens, pastoraal werkers, kloosterlingen, religieuzen? Zeker wel. Naar gelang wij allen, vrouwen en mannen, dichterbij God en Jezus, de caritas en de liturgie komen, zullen er meer roepingen komen tot de ambten en de religieuze levensstaat; zullen er ook weer meer mannen en vrouwen komen die het huwelijkssacrament willen vieren. Want ook dat is een hoge roeping van overgave, dichterbij komen, je geven zonder reserve.

 

Vandaag, de zondag van de Goede Herder, de Roepingenzondag bidden wij dan ook vooral voor onszelf en voor alle zogenaamd gewone christenen: dat wij geen afstandelijke huurlingen zijn, maar toegewijde, gedurfde herders, die het gezag, de macht mogen ontvangen om ons leven te geven. Amen.

 

Nico van der Peet

 

----------------------------------------------------

[1] Handelingen 4, 8-12; 1Johannes 3, 1-2; Johannes 10, 11-18


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 18 april 2021

                      Derde zondag van Pasen[1]

  

De oorsprong van onze eucharistie is de vergeving van de zonden van ontrouw, de laffe vlucht van de apostelen, - toen in het begin. En nu nog steeds. Niet omdat wij zulke voortreffelijke mensen zijn mogen wij met Jezus aan tafel, maar omdat Hij met ons opnieuw wil beginnen, hoezeer ik ook tekort schiet en leef onder de maat van zijn liefde die alles heeft gegeven. De eucharistie, de heilige Communie is, om paus Franciscus te citeren, niet de beloning voor de volmaakten, maar het geneesmiddel voor de zondaars.

 

Jezus werd door de leerlingen herkend aan het breken van het brood.

 

Het brood, de tafel, de maaltijd staan in het middelpunt. De altaartafel heeft de ereplaats in onze kerk en in de meeste kerken.

Ook bij ons thuis is de tafel, de maaltijd heel belangrijk.

Het is leuk en fijn om bij iemand op de koffie of de thee te gaan, of misschien ook een borrel. Maar uitgenodigd worden aan tafel is toch van een andere orde. Het samenzijn aan de tafel, aan de maaltijd is versterkend, hartverwarmend. In het gezin, de familie, de vriendenkring versterkt de gezamenlijke maaltijd de banden.

Een gezamenlijke maaltijd na lange tijd, na een periode van verwijdering, van uit elkaar groeien of zelfs onenigheid kan de beschadigde vriendschap, verbondenheid weer genezen, vernieuwen.

 

Uiteindelijk herkenden de verdrietige leerlingen de opgestane Jezus aan tafel, aan het breken van het brood.

De leerlingen ontmoeten Jezus, die uit de dood is verrezen, maar zij herkennen zijn gestalte niet. Hij is gestorven, begraven, Hij heeft in het graf gelegen, afgedaald in het doodsgebied. Hij was niet schijndood, Hij is door de afgrond van ellende heengegaan.

 

Wie dat heeft meegemaakt, is nooit meer dezelfde. Je kunt opstaan uit je lijden, je ziek-zijn, je verdriet, je rouw, je eenzaamheid, je kunt weer nieuwe energie en gezondheid en relaties krijgen, maar je bent veranderd, je draagt om zo te zeggen de wonden van alles wat je hebt doorgemaakt mee in je hart en ziel, in je lijf, je handen en voeten.

 

Zo is het met Jezus. Hij is wis en waarachtig uit de dood opgestaan, maar Hij is helemaal anders.

Uiteindelijk, na een zoektocht van twijfel en angst, herkennen de leerlingen Jezus.

Aan twee tekenen.

Ten eerste herkennen zij Hem aan het breken van het brood en ten tweede aan de wonden in zijn handen en voeten.

 

Het breken van het brood.

Waarom is dit zo belangrijk?

Het is zo belangrijk dat men in de eerste eeuwen van het christendom niet sprak van eucharistieviering of heilige Mis, maar over ‘het breken van het brood’. Zo noemden de eerste christenen het samenkomen op zondagmorgen. Zo werd elke zondag, zoals ook wij doen, de verrijzenis van Jezus gevierd. Elke zondag viert het paasfeest: de verrijzenis van Jezus. Het belangrijkste ritueel om Jezus’ dood en verrijzenis te vieren, tegenwoordig te stellen: het breken van het brood.

 

In elke eucharistieviering, meteen na de consecratie, dat wil zeggen, na de door de priester uitgesproken woorden van Jezus: ‘dit is mijn lichaam, dit mijn mijn bloed’, - meteen daarna worden alle aanwezigen uitgenodigd het belangrijkste mysterie, geheim, het kostbaarste van ons geloof onder woorden te brengen. De diaken roept u op dat moment toe: “Verkondigen wij het mysterie van het geloof.”

En u spreekt het uit, het hoge woord, tot de verrezen Jezus: “Heer Jezus, wij verkondigen uw dood en wij belijden tot Gij wederkeert, dat Gij verrezen zijt”.

 

Dat is het geheim, het mysterie van ons geloof. Wij zijn zelfs niet meer alleen in de dood. Hij is ons voorgegaan. En Hij trekt ons erdoorheen. “Dat Gij verrezen zijt”.  Na de consecratie worden de belangrijkste woorden door u allen uitgesproken, verkondigd.

Aan het breken van het brood herkenden zij Hem.

 

Daarvóór was alle contact verbroken. In de avond, na het laatste avondmaal, konden de leerlingen nog geen uur met Hem waken. Daarna waren ze doodsbang gevlucht. Alles leek mislukt. Hun Meester onderging de marteling en dood bijna geheel alleen.

 

Naar de mens gesproken was alles uitgelopen op een groot debacle. Je zou zeggen: van deze Man van smarten en van zijn prille gemeenschap horen wij niets meer.

Maar dan gebeurt het ongehoorde en onvoorstelbare.

Verdrietige, gefrustreerde, schuldbewuste leerlingen verlaten de stad Jeruzalem. Alles is verloren. Zij hadden zo gehoopt.

Maar dan: een onbekende loopt met hen mee, gaat met hen in gesprek. Hun hart wordt warm van zijn stem, zijn woorden, maar zij herkennen Hem niet.

 

Pas aan tafel, aan het breken van het brood herkennen zij Hem.

Jezus herstelt het contact. Hij, de verlaten man, die niemand meer wilde kennen, die reden had hen nooit meer een blik waardig te keuren, herstelt het contact. Hij gaat met hen aan tafel. Hij breekt het brood. Hij vergeeft zijn angstige, ontrouwe vrienden hun falen, hun mislukking.

 

De oorsprong van onze eucharistie is de vergeving van de zonden van ontrouw, de laffe vlucht, - toen in het begin. En nu nog steeds. Niet omdat wij zulke voortreffelijke mensen zijn mogen wij met Jezus aan tafel, maar omdat Hij met ons opnieuw wil beginnen, hoezeer ik ook tekort schiet en leef onder de maat van zijn liefde die alles heeft gegeven. De eucharistie, de heilige Communie is niet de beloning voor de volmaakten, maar het geneesmiddel voor de zondaars.

 

Gisteren vond hier de vaccinatie plaats van een groot aantal bewoners van Amsterdam-Noord, patiënten van zes huisartsen. Die dokters hadden gevraagd of het hier mocht, in onze ruime kerk en bijruimten. Achterin werden de mensen ontvangen en geprikt. Daarna liepen zij de kerkruimte binnen om hier hun vaccinatiebewijs te ontvangen. Daarna moesten zij volgens de richtlijnen 15 minuten zitten. Daarvoor was de kerk bestemd, gewoon zitten. De mensen keken om zich heen. Iemand hoorde ik roepen: “ik ben hier gedoopt, heb hier mijn eerste communie gedaan, ben hier getrouwd, o ja, ik ken het hier door en door”.

Daarvoor komen wij naar de kerk, om elkaar te kennen, en niet minder om gekend te zijn, geliefd, en - zoals de prefatie altijd zegt - “om heil en genezing te vinden.

Gekend, geliefd, en om Hem, Christus, de Geneesheer 

te herkennen aan het breken van het brood. Amen.

 

Nico van der Peet

 

---------------------------------------------------------

[1] Handelingen 3, 13-15. 17-19; 1 Johannes 2, 1-5a; Lucas 24, 35-38

Afbeelding: Rembrandt, de maaltijd in Emmaüs


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 11 april 2021

                       Tweede zondag van Pasen.[1]

 

Thomas is eerlijk en daarom zo geloofwaardig. Alleen volstrekte eerlijkheid, zonder laf aanpassingsgedrag of onechte gehoorzaamheid, alleen eerlijkheid kan het geloof redden of weer terugbrengen. Priesters, diakens, predikanten en opvoeders die zelf hun wonden, hun kwetsbaarheid durven te laten zien, maken wellicht een kans.

 

Ooit sprak ik langdurig met een vrouw,  moeder en oma, die mij behalve uitvoering sprak over haar liefde voor haar kinderen, die met grote toewijding omzien naar hun oude moeder en haar omringen met hun zorgen, mij ook uitvoerig haar verdriet en zorg over hen toevertrouwde. Op een enkeling in haar gezin na was geen van haar kinderen meer kerkelijk, praktiserend.

Het is een stil verdriet van veel ouders en grootouders. Meestal overstemmen zij hun verdrietige gevoelens vlug met de terechte opmerking dat hun kinderen heel goede mensen zijn. En daar laten zij het dan bij.

Maar deze krachtige, diepgelovige moeder niet. Zij drukte mij op het hart: ‘wanneer ik ben overleden en u de uitvaart doet, dan moet u als evangelie het verhaal lezen van de ongelovige Thomas. Dat wil ik hun meegeven. Ze mogen wel twijfelen, maar uiteindelijk moeten ze met Thomas door de knieën gaan.’

 

Van haar gedrevenheid en diep doorleefd persoonlijk geloof in de verrijzenis van Jezus was ik onder de indruk. En haar verdriet om haar goede kinderen die geen werk meer maakten, althans kerkelijk gezien, van hun geloof, vond en vind ik heel begrijpelijk en navoelbaar. Zelf worstel ik er ook mee: als broer, als oom.

Zij heeft gelijk. Persoonlijk geloof vraagt om viering, om gemeenschap. “De menigte die het geloof had aangenomen, was één van hart en één van ziel”. Dat is de grote waarde van de kerk in onze geïndividualiseerde tijden: een  gemeenschap vormen.

 

Het loslaten van zeer velen van het kerkelijk praktiseren ligt natuurlijk ook en misschien wel vooral, aan de kerk zelf. Daar is veel misgegaan, veel ongeloofwaardigheid, middelmatigheid, ambtsdragers die het zelf ook niet meer wisten en weten.

Mensen, zeker ook jongeren hebben een scherp gevoel voor wat echt is, authentiek, geloofwaardig. Waar het daaraan schort nemen zij de benen, lichamelijk en geestelijk.

 

Terug naar ons evangelie van deze achtste dag van Pasen, de octaafdag. Om nu het evangelie te gebruiken als een stok om kinderen weer naar de kerk te drijven?

‘Ja, dit paasevangelie kan zeker in een uitvaart’, zei ik die liefdevolle moeder, ‘maar dan lijkt het me goed om me met uw kinderen te verdiepen in de persoon van Thomas en in de reactie van Jezus op Thomas.’

 

Thomas staat dichtbij u en mij. U in de kerk, u online of via de podcast (splinternieuw!) verbonden. Ja, hij staat aan onze kant. Net als wij was hij er niet bij toen Jezus die eerste dag van Pasen bij de bange, in lockdown levende apostelen kwam. Op die paasdag vonden zij het gevaarlijk op straat. Geweld school in alle hoeken. Het grote wonder van Pasen was voor hen dat Jezus op een volstrekt nieuwe manier bij hen kwam. Gesloten deuren hielden Hem niet tegen. De evangelist vertelt ons: het was Jezus, maar in een heel nieuwe dimensie, waarin materiële belemmeringen niet meer spelen. Het grote wonder van Pasen was dat Jezus en zijn nieuwe manier van aanwezigheid hun vrede had gebracht.

“Vrede, eirene, sjaloom voor jullie. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u”.

 

Dat was een wonder: dat er weer vrede was, na alle geweld, na hun slaapzucht, na hun vlucht, na de verloochening nota bene door de belangrijkste apostel, en dat alles juist in het uur waarin Jezus meer dan ooit steun en troost nodig had. Na al deze ongeloofwaardigheid van de eerste kerkgemeenschap, juist dan komt Jezus in hun midden en geeft hun vrede. Wat een vergeving, wat een barmhartigheid. Ja, goddelijke barmhartigheid. Sinds het jaar 2000 heet deze zondag ook wel de Zondag van de goddelijke barmhartigheid.

 

Maar Thomas was er niet bij.

Hij is eerlijk en daarom zo geloofwaardig. Alleen volstrekte eerlijkheid, zonder laf aanpassingsgedrag of onechte gehoorzaamheid, alleen eerlijkheid kan het geloof redden of weer terugbrengen. Priesters, diakens, predikanten en opvoeders die zelf hun wonden, hun kwetsbaarheid durven te laten zien, maken wellicht een kans.

 

‘Ik kan het niet geloven, tenzij.’

Tomas wil de tekenen, de wonden van Jezus betasten. Jezus heeft zwaar geleden, zijn lichaam is doorboord, handen, voeten, zijde. “Hij is het die gekomen is met water én bloed”. Hij is begraven, het dodenrijk ingegaan, 'ter helle’, belijden wij, en op de derde dag opgestaan. Op een heel nieuwe manier is Hij aanwezig, geen lockdown kan Hem buiten sluiten. Maar de wonden blijven voelbaar, zichtbaar, tastbaar, be-tast-baar.

 

Geloven is niet slikken of stikken, niet-nadenken, ja en amen zeggen, punt.

Nee, Jezus komt de twijfelende, vragende, aarzelende Thomas met geduld tegemoet. Hij mag Jezus zelfs lichamelijk aanraken, als enige. Juist de twijfelaar mag er zijn. De mens die niet zomaar alles slikt, omdat de apostelen en de apostolische kerk dat vraagt of eist. Juist hij, Thomas, juist u en ik die er niet bij waren op die dag van Pasen. Jezus prent Thomas noch u en mij een geloofsbelijdenis is. Hij toont ons zijn kwetsbaarheid, zijn pijn, zijn lijden, zijn verlatenheid op het kruis. Hij toont zich niet op de eerste plaats in de glorie, de schittering, de schoonheid van zijn verrezen Lichaam en van ons bestaan, maar in de wonden, die dag na dag aan ons verschijnen. Als wij zijn aanwezigheid willen tasten, voelen, dan laat Hij zich vinden in die kwetsbare kant van het bestaan, in de gewonden, geestelijk of lichamelijk van onze dagen. In ouders en voorgangers die zich niet groot houden en al hun persoonlijke vragen inslikken.

 

Langzamerhand heeft die lieve moeder en oma het weten los te laten. Zij bidt elke dag voor haar kinderen en als zij in de toekomst akkoord gaan zal het evangelie van Thomas worden gelezen. Jezus heeft geduld met Thomas, met u en mij en met die kinderen en kleinkinderen. Zij hoeven niet te slikken of te stikken, maar mogen tasten naar de wonden, naar de handen, de zijde, het Hart van Jezus. Zij en wij allen hebben de overtuiging, de eerlijkheid nodig van het hart en goddelijke barmhartigheid. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-------------------------------------------------------

[1] Handelingen 4, 32 - 35; 1 Johannes 5, 1-6; Johannes 20, 19 - 31


Verkondiging PAASWAKE in De Nieuwe Augustinus, 3 april 2021[1]

 

Er was geen houden aan. Niet alleen de zware steen van voor het graf werd weggerold, maar ook het loden gewicht dat op Petrus en de overige apostelen lag. Het grootste wonder van Pasen is nog wel dat zij op hun bange schreden terugkeerden. Net als die bange, naakte Marcus. Hij trok zijn witte kleed aan en wilde alleen nog maar praten over opstanding, leven voorbij aan het graf, de mummies, de balseming, de dood.

Laten we leven uit onze doop, laten we leven uit de ontroering van de vrouwen.

Alle evangelieverhalen zijn het erover eens: de eerste verkondiging van de verrijzenis van Jezus is gedaan aan vrouwen. Zij waren die morgen, na de sabbat naar het graf gingen. Het fundament van het paasgeloof van de christenen is gelegd door vrouwen. Mannen kwamen pas later, aangespoord door de vrouwen om naar het openstaande graf te komen.

 

In de vroege kerk, in de eerste tientallen jaren en misschien kun je zelfs zeggen: in de eerste eeuwen hadden vrouwen een voorname rol in de kerkgemeenschap. In elk geval een belangrijker rol dan in de seculiere samenleving gebruikelijk was. Later, moeten we vaststellen, werd de kerk op het oog en naar het aanvoelen van velen, zeker van vrouwen, een mannen-zaak. Juist in onze tijd ontstaat daarover discussie. In vele kerkgemeenschappen kunnen vrouwen het kerkelijk ambt op zich nemen. In de oosterse-katholieke en orthodoxe en ook in onze eigen rooms-katholieke kerk nog niet. Onze paus voelt aan dat het moeilijk te handhaven is. Stap voor stap benoemt hij vrouwen in belangrijke functies in de leiding van de wereldkerk. Mijn beste studie-vriendin, echtgenote, moeder van twee dochters, is hoogleraar in het kerkelijk recht en wordt regelmatig door het Vaticaan ingeschakeld voor ingewikkelde kerkelijke kwesties op wereldschaal. Wanneer ik haar verhalen hoor voel ik me heel eenvoudig. Het is beter, gezonder en meer evangelisch als mannen en vrouwen samen in gelijke mate en in gelijke dienstbaarheid het geloof verkondigen en de Kerkgemeenschap van Jezus besturen en dienen.

 

De vrouwen zijn naar het graf gegaan. Hun zorg: wie zal de heel zware steen van het doodsgebied wegrollen… is al overwonnen. De grafkamer staat open. Tot hun ontsteltenis zien zij een jongeman in een wit gewaad, die haar verkondigt: Hij is verrezen. Sommigen denken dat de schrijver van het evangelie, Marcus, zichzelf bedoelt: hijzelf, Marcus, de eerste evangelist, heeft zichzelf geportretteerd als de boodschapper van de opstanding van Jezus, zoals oude schilders ook wel deden: in een hoekje van het schilderij een klein zelfportret schilderen Toen Jezus gevangen genomen werd was het mogelijk ook weer Marcus zelf die naakt wegvluchtte, om zijn blote, vege lijf te redden. Een tweede - nu beschaamd - zelfportret. Zo deerniswekkend eindigde het met Jezus’ eerste geloofsgemeenschap: al die twaalf mannen vluchtten, kenden Jezus niet meer, - verloochening, verraad. Nu zit er een man uit hun entourage in het graf, niet meer in zijn blootje, maar in een wit gewaad, zeg maar zijn doopkleed. Zo zitten wij vanavond in de kerk, geestelijk gezien in ons doopkleed. Dadelijk wordt het nieuwe doopwater gezegend en daalt het over ons neer, nadat wij niet meer zijn weggelopen voor onze geloofsovertuiging, maar die opnieuw hebben beleden. Dat hopen we van dit paasfeest: dat de kerk Jezus niet verloochent en verraadt, dat wij niet angstig, kleinmoedig leven, maar ons geloof verdiepen, versterken, vernieuwen: hernieuwing van onze doopbeloften. Niet meer geestelijk naakt, beschaamd, maar  bekleed met het doopsel, nieuwe mensen, weer opgestaan, hoopvol, liefdevol. Zoals die vrouwen, Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus en Salomé. Hoe liefdevol staan zij op uit hun verdriet en kopen zij de welriekende kruiden. Zij willenJezus’ lichaam balsemen. Zoals de Egyptenaren in het land van de slagerij deden: hun farao’s balsemen, waarmee ze nu plechtig door Caïro rijden. Maar de dodencultus is voorbij. Het volk is weggetrokken uit Egypte, het mag gaan leven, het graf staat leeg.

 

Hoe reageren de vrouwen?

“De vrouwen gingen naar buiten en vluchtten weg van het graf, want vrees en ontsteltenis had hen overweldigd. En uit vrees zegen zij er niemand iets van.”

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat met deze woorden het evangelie van Marcus eindigt. Is dat alles: alleen maar vrees en ontsteltenis?

Eigenwijs als ik kan zijn heb ik de grondtekst nog maar eens opgeslagen. Wij hoorden: “vrees en ontsteltenis”. Er staat: huivering en ekstasis.

Ekstatis, dat kan betekenen: verbijstering en diepe ontroering.

 

Zusters en broeders, ik ben zo vrij het daarop te houden: die vrouwen waren niet bang en ontsteld, welnee. Ze huiverden, zij waren ontroerd. Van hun stuk gebracht. Al hun zorgen voorbij, geen balseming meer, geen mummies, maar een leeg graf.

De kerkgemeenschap moet weg van alle gedenktekens van vroeger en lege gebouwen. Zij mag één al al toekomst zijn.

Jezus is opgewekt, verrezen. Hij gaat Petrus en al zijn angstig weggevluchte mannen (die waren pas bevreesd!) voor naar Galilea. Daar zullen ze Jezus zien, zoals Hij hen gezegd heeft. De vrouwen waren zo ontdaan en ontroerd dat zij er niemand iets van zeiden. Het geloof begint bij ontroering.

 

Maar wij weten hoe het verder ging. Er was geen houden aan. Niet alleen de zware steen van voor het graf werd weggerold, maar ook het loden gewicht dat op Petrus en de overige apostelen lag. Het grootste wonder van Pasen is nog wel dat zij op hun bange schreden terugkeerden. Net als die bange, naakte Marcus. Hij trok zijn witte kleed aan en wilde alleen nog maar praten over opstanding, leven voorbij aan het graf, de mummies, de balseming, de dood.

Laten we leven uit onze doop, laten we leven uit de ontroering van de vrouwen. Amen.

 

Nico van der Peet

 

 

--------------------------------------------------------------------

[1] Genesis 1,1 - 2,2; Exodus 14,15 - 15,1; Romeinenbrief 6, 3-11; Marcus 16, 1-8


Verkondiging Palmzondag, 28 maart 2021[1]

 

“Toen scheurde het voorhangsel van de tempel van boven tot onder in tweeën”.

Jezus blijkt de nieuwe tempel.

Het allerheiligste wordt zichtbaar op het Kruis.

 

Jouw bestemming bereiken, thuis komen, hier hóór ik.

 

Van harte hoop ik dat u, dat jullie dat allemaal in je leven hebt mogen ervaren. Of anders, dat je dit ooit gegeven wordt. In diepste wezen zijn mensen allemaal zoekers. Mensen van de aarde maar ook weer niet helemaal. In ons hart schuilt ook een verlangen naar verder, hoger, over de horizon van een beperkt bestaan. Vossen hebben holen en vogels hun nesten, maar mensen?

Zij hebben een dak nodig boven hun hoofd, een warm gezin en daarna, als je voldoende liefde en zegen hebt ontvangen, jouw eigen weg gaan.

 

Maar waarheen?

We horen het nu over jongeren: dat zij nauwelijks de kans hebben de wereld, de stad van hun studie of werk te verkennen.

In een van de appartementen van mijn flatgalerij wonen sinds een jaar vier studenten in een flat. Een paar keer per dag passeer ik hun tot studentenwoning verkamerde flat. Daar zitten ze dan. Eén van de vier lijkt me een studax. Altijd zit hij achter zijn twee computerschermen. En elke keer groet hij me weer vriendelijk. De andere drie zie ik gevaarlijk vaak voor de teevee hangen. Zij komen geen deur uit, staren naar beelden van ver.

 

Jouw bestemming bereiken, thuis komen, hier hóór ik.

 

Palmzondag viert het thuiskomen van Jezus. Een man van ongeveer 33 jaar. Geen vaste woon- of verblijfplaats meer.

Zoals zoveel pelgrims naar het paasfeest in Jeruzalem, waar spoedig de paaslammeren zouden worden geslacht, en waar elke familie, elke vriendengroep het paasmaal zou gaan eten in kleine privé-kring. Zoals Joden dezer dagen nog doen, ook in Buitenveldert bijvoorbeeld.

Zoals zoveel pelgrims zoekt Jezus een zaal waar Hij met zijn leerlingen die maaltijd kon eten.

Dat was in Jeruzalem elk paasfeest weer een enorme uitdaging, om voor al die pelgrims een plekje ter beschikking te stellen om samen de paasmaaltijd te houden. Niemand mocht buiten eten en slapen. Het was een feest van gastvrijheid. Want we vieren dat wij bevrijd zijn uit slavenhuis, Angstland Egypte en nu eindelijk onze levensbestemming hebben bereikt.

 

Jouw bestemming bereiken, thuis komen, hier hóór ik.

 

Jezus zag zichzelf als de bruidegom, ooit van zijn volk in Kana, nu in zijn bruid, zijn stad Jeruzalem. 'Vrouw, zie daar uw zoon. Zoon, zie daar uw moeder'.

Daar vanaf het kruis begint Jezus een nieuwe gemeenschap.

Hemzelf wordt uiteindelijk een veilig huis ontzegd. Hij wordt de stad uitgezet. Jij bent een bedreiging voor ons omdat jij jezelf een geliefde Zoon van God durft te noemen, dé Zoon.

De hogepriester scheurde zijn kleren. Deze hoogste voorganger in het geloof, kon het niet geloven dat de onzichtbare, eeuwige God zo menselijk nabij zou komen, in een mens, in deze joodse, orthodoxe man uit Nazareth? Kon daar iets goeds vandaan komen?

Hij scheurde zijn kleren, de hogepriester.

De hogepriester die maar eenmaal per jaar, op Grote Verzoendag, het allerheiligste mocht binnengaan, de voorhang opzij schuiven en daar de Heer ontmoeten, die boven de ark, de vleugels van de cherubim woonde en de onuitsprekelijke naam van de onzichtbare God uitspreken. En nu hoorde hij Jezus zeggen dat Hij dé Zoon van de Gezegende, de Zoon van God is.

 

“Toen scheurde het voorhangsel van de tempel van boven tot onder in tweeën”.

Jezus blijkt de nieuwe tempel. Het allerheiligste wordt zichtbaar op het Kruis.

 

De hoogste kringen van het jodendom hielden hun hart vast en hitste het volk op tegen Jezus. Dé joden wilden niet van Jezus af. Integendeel, zij hadden Hem toegezongen, ‘Hosanna, Zoon van David, gezegend HIj die komt in de naam des Heren’.

Zij waren opgejut door de leiders. Die man moet weg. Wij willen rust, wij willen onze hoge positie behouden.

De hoge geestelijken spannen samen met de oppermachtige Romeinen, met Pilatus.

Het politieke dier Pilatus is helemaal niet bang van de titel ‘Zoon van God’, maar wel van een ander predikaat: “koning der Joden”. Dat wilde Jezus helemaal niet zijn. Het volk zag in Hem de ideale koning, niet op het paard van de machtigen maar op de ezel van de dienaar.

Geef die mensen maar eens ongelijk.

 

Jouw bestemming bereiken, thuis komen, hier hóór ik.

 

Met Jezus bereiken wij vandaag de bestemming van ons leven, ons geloof, Jeruzalem, dat betekent Stad van Sjaloom, Vrede. Daar verblijven wij met Hem deze week. Vanaf donderdag komen we dagelijks naar de kerk, waar wij die bestemming van onze aardse reis zoeken. Dit is onze bovenzaal waar wij altijd mogen vieren, ook al is het maar met dertig. Toch achttien meer dan toen. Schrijf u in en als het niet gaat wees online verbonden.

Laten wij op weg gaan naar onze bestemming, thuis komen, waar wij horen, waar wij de boodschap zullen horen en beleven: Hij is niet hier. Hij heeft zijn bestemming bereikt. Hij is verrezen. Dan zullen we leven. Amen.

 

Nico van der Peet

 

------------------------------------

[1] Marcus 11, 1-10; Marcus 14, 1 - 15, 47