Preek

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus,

                       20-ste zondag door het jaar

                       17/18 augustus 2019[1]

 

 

Voor je het weet schuif je steeds meer op, steeds verder weg van jezelf, je innerlijke stem, je geweten, de waarheid, - in je bedrijf, in de politiek, in de kerk, in je persoonlijk leven.

 

 

 

 

Jeremia, de profeet en Jezus worden vandaag met elkaar vergeleken. Beiden gaven zichzelf, ja hun leven voor de waarheid waaruit zij leefden.

 

Jeremia leefde vijf eeuwen voor Jezus, in een rampzalige tijd.

Jeruzalem en het omringende land Juda, waren overgeleverd aan de macht van de koning van Babel, Nebukadnessar. Het kleine Juda was kansloos. De koning van Juda, Sidkia, was een zetbaas van de koning van Babel.

 

Jeremia raadde de koning aan: voorkom de ondergang van stad en land, kom op voor het arme volk, werk samen met de wereldmacht Babel. Maar de edelen van Jeruzalem en Juda wilden er niets van weten. Zij wilden houden wat zij bezaten. Zij waren alleen uit op hun eigen positie en rijkdom en verzetten zich.

Jeremia voorspelde: als jullie zo doorgaan met alleen je eigen belangen na te jagen, gaan stad, land en volk de ondergang tegemoet.

Hij zou gelijk krijgen.

Weinige jaren later, in 587 voor Christus, werd Jeruzalem met zijn prachtige tempel door Babel verwoest. Geen steen bleef op de andere.

 

Jeremia sprak dus de waarheid. Maar de grote monden van zijn dagen wilden alles horen behalve de waarheid. Die kwam hen slecht uit. Zij verspreidden liever fake-nieuws. De dwaasheid zat (ook toen) op de troon, met ondergang tot onvermijdelijk gevolg.

 

Er was in de hofhouding, de entourage van de koning van Juda maar één man die de koning de waarheid durfde te zeggen: de Ethiopiër Ebed-Melek.

Zijn prachtige naam betekent: ‘dienaar van de koning’.

Hij smeerde geen stroop om de mond van de koning, hij gedroeg zich niet als kruiperige hoveling. Hij was een Ebed, een dienaar, - dienstbaar aan het recht, aan de waarheid. Hij wist Jeremia door zijn moedige trouw aan de waarheid uit de put te halen, uit de bagger waarin hij dreigde weg te zinken.

 

Ebed-Melek was een buitenlander. Hij kwam uit Afrika, Ethiopië.

Hij kon dus voldoende afstand nemen om scherp te zien. Niet zelden zijn buitenstaanders, buitenlanders nodig om het eigen zelfgenoegzame volk weer onbevangen te leren zien. Wie dichtbij de macht zit wordt blind, figuurlijk gezien. Je gaat zaken door de vingers zien, omdat je belang hebt bij ja-knikkerij. We zien het overal gebeuren. Voor je het weet schuif je steeds meer op, steeds verder weg van jezelf, je innerlijke stem, je geweten, de waarheid, - in je bedrijf, in de politiek, in de kerk, in je persoonlijk leven.

 

Nu kun je natuurlijk niet bij elk akkefietje meteen de profeet uithangen. Maar soms vraagt de waarheid, de gerechtigheid iets van ons; dat we onze ruggen recht houden. Niet zelden zie je: wie de waarheid spreekt en ernaar leeft, wordt opzijgezet, gesuspendeerd, ontslagen en blijft alleen achter.

De waarheid is niet altijd comfortabel. Er is moed voor nodig die te spreken, ernaar te leven, ervoor op te komen.

 

De Hebreeënbrief nodigt ons uit op te zien naar Hem, die de weg, de waarheid en het leven ís. “Zie naar Jezus, de aanvoerder en voltooier van ons geloof. In plaats van de vreugde die Hem toekwam heeft Hij een kruis op zich genomen en Hij heeft de schande niet geteld”. Wie de waarheid spreekt en beleeft, die moet meestal een kruis dragen, een last waar anderen voor terugdeinzen.

 

“Vuur ben Ik op aarde komen brengen, en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait. Ik moet een doopsel ondergaan…”

Jezus is toch al gedoopt, in de Jordaan, door Johannes?

Hij moet in deze niet zo eenvoudige tekst iets anders bedoelen dan de liturgische handeling van de doop. Ooit, bij de doop in de Jordaan, is Jezus diep gegaan, Hij is kopje onder gegaan. Maar dat was maar een begin. Zoals onze doop, hoe belangrijk en plechtig ook, een begin is, een voornemen, een belofte: dat wij niet oppervlakkig, alleen maar als ja-knikkende hovelingen, zullen leven, maar diep durven gaan; onszelf durven geven voor iets dat ons eigenbelang, ons persoonlijke voordeel te boven gaat. Dat wij durven te gáán voor een ander, voor medemensen die het niet alleen af kunnen; voor dé Ander met een hoofdletter, die onze harten en handen nodig heeft om zijn liefde, zijn gerechtigheid, zijn waarheid te laten winnen op aarde.

 

“Meent gij dat Ik op aarde vrede ben komen brengen? Nee, zeg Ik u, juist verdeeldheid”.

Jezus is onderweg naar Jeruzalem. Hij voorziet dat zijn onvoorwaardelijke keuze voor de waarheid tegenstand zal oproepen. Zelfs in families en gezinnen kan zo’n keuze verdeeldheid geven. Jezus is geen schijnvrede komen brengen; geen vrede als een mantel waaronder de echte levensvragen worden bedekt.

Later -tijdens zijn laatste avondmaal- zal Hij zeggen, en wij horen deze woorden altijd vlak voor de vredewens: “vrede laat Ik u na”.

Hoezo verdeeldheid?

Maar Hij voegt er iets aan toe: “Míjn vrede geeft ik u”.

Niet zomaar een lieve vrede, maar een vrede die ergens doorheen gegaan is, een vrede die bereikt is na innerlijke worsteling, na een eerlijke zoektocht, na een ontmaskering van leugens en dwaasheden. Die soms zwaar te bevechten vrede wenst Jezus ons toe. Een vrede als een vuur dat oplaait, dat zuivert; dat deze vaak dwaze, kille wereld verlicht en verwarmt.

Zo moge het zijn. Amen.

 

Nico van der Peet

 

----------------------------------------------------

 

[1] Jeremia 38, 4-6. 8-10; Hebreeën 12, 1-4; Lucas 12, 49-53