Preek

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 19/20 oktober 2019.

                      Missiezondag, 29ste zondag door het jaar[1]

 

Vandaag is het Missiezondag. De kerk is een missiebeweging. Vandaag stelt de wereldkerk ons de vraag: wat is jouw missie?

Het is heel hip om te spreken van jouw missie, de missie van jouw bedrijf, jouw school, jouw kerk.

Vandaag gaat het dus over uw en mijn missie en de missie van de kerk wereldwijd. Vandaag wordt er ook gecollecteerd, en dan vooral voor die parochies en bisdommen waar ook ter wereld, die ondersteuning nodig hebben bij hun missie. Dit jaar hebben we bijzondere aandacht voor de jonge, bloeiende kerk in het noordoosten van India. Jong en bloeiend. Geestelijk een jonge kerk, waar mensen enthousiast geloven en bidden en gemeenschappen vormen.

De kerk moet behalve bidden, zingen en gemeenschap vormen ook dienstbaar zijn, opkomen voor de armsten van deze wereld, de meest kwetsbare mensen, daar veelal vrouwen die tegen zeer lage lonen moeten zwoegen op plantages. Religieuze zusters van het land zelf reizen naar deze kwetsbare mensen, komen voor hen op, ondersteunen hen.

 

Dat is de missie van de kerk. Daar in Noordoost India en hier in Nederland. Sinds ik ook een beetje werkzaam ben in de parochies in Amsterdam-Oost heb ik contact met priesters uit Indonesië en uit India. Zij zijn hier gekomen om Nederlandse parochies te ondersteunen. Zij, jonge priesters uit jonge, vitale kerken in Azië, brengen hier iets van hun geestdrift, hun krachtige gebedsleven. Europeanen brachten ooit het geloof naar hun land, nu stellen zij hun geloof aan ons beschikbaar, nu in Europa het christelijk geloof zware tijden doormaakt. Dat is hun missie. Met bewondering zie ik hen werken in deze voor hen zo vreemde cultuur, ons koele klimaat, ook ons soms kille geestelijke klimaat.

 

De heilige Schrift vertelt ons vandaag dat de missie van de gelovigen, onze missie tweeledig is.

Er moet strijd geleverd worden op de grond. Er is veel onrecht in de wereld. In het verhaal van de bijbel zijn de Amalekieten de grootste schurken. Zij strijden namelijk niet met open vizier, zij vechten niet met sterke soldaten, maar zij vallen de meest kwetsbare mensen aan, die niet gemakkelijk het tempo van  het hele volk onderweg door de woestijn kunnen bijbenen.

 

Mozes ziet de strijders van Amalek aankomen. De manschappen moeten het gevecht aangaan op de grond.

 

Wat doet Mozes, de leider van het volk? Hij gaat de berg op en heft zijn smekende handen ten hemel. Er moet gestreden worden op de grond, in het dagelijks leven van de mensen alsof het van de spierkracht en de strijdlust van de mensen afhangt en er moet gebeden worden alsof het van de aanwezigheid en de genade van God afhangt. Beide moeten gebeuren: strijden en smeken, bidden en werken. Wie alleen werkt en nooit de berg van gebed opgaat, loopt aan zichzelf voorbij of denkt dat alles van hem afhangt en raakt vroeg of laat uitgeput en overspannen. Wie alleen maar bidt en niet de strijd aangaat voor de zwakke en kwetsbare mensen, ontvlucht zijn verantwoordelijkheid en geeft Gods liefde en barmhartigheid geen kans aan het licht te komen.

 

De maatschappelijk strijd op de grond, wisten de Israëlieten al in de woestijntijd, vraagt doorzettingsvermogen.

Ook het gebed vraagt geduld, volharding. Jezus spreekt erover in zijn gelijkenis. Iedereen die tijd neemt voor gebed kent de verleiding ermee op te houden, als je niet krijgt wat je gevraagd hebt. ‘Ik kan mijn tijd wel beter gebruiken. Er wordt toch niet naar mij geluisterd. Ik ben teleurgesteld. Wat heeft mijn bidden nog voor zin?’

Wat is bidden? Van Mozes weten we niet wat hij God heeft gezegd, gevraagd. Het enige wat we weten is dat hij zijn handen ophief. Heel zijn lijf en zijn ziel waren op God gericht. Zoals je doet bij een medemens van wie je houdt, op wie je vertrouwt. Je hoeft eigenlijk niets te zeggen: je bent helemaal op de ander gericht en op zijn of haar aanwezigheid. Zo bidt Mozes.

Zo bidt die vrouw uit de gelijkenis van Jezus. Het enige dat zij vraagt: “Verschaf mij recht ten opzichte van mijn tegenstander”. Haar kracht bestaat erin dat zij niet opgeeft. Ze blijft vragen. Ze gelooft in de kracht van haar gebed. Haar bidden is niet passief, gelaten, nederig afwachtend. Nee, haar bidden is een en al activiteit. God komt niet van haar af. De biddende vrouw zet door, laat zich niet teleurstellen.

 

“Maar zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?”

Erin geloven, erop vertrouwen dat wij gehoord worden. De geloofsgemeenschap in de woestijn moest door schade en schande wijs worden. Als de armen niet meer opgeheven worden ten hemel overwint de genadeloze Amalekiet, dat wil zeggen de brute krachten. Het is onze missie de strijd aan te gaan op de grond, in de harde verhoudingen van de samenleving. Het is onze missie het geloof op aarde trouw te blijven, het niet tussen onze vingers te laten wegstromen, te vertrouwen op de kracht van het gebed. Zo moge het zijn. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

 

 

Hemelse Vader,

toen uw enige Zoon Jezus Christus

opstond uit de doden

zond Hij zijn leerlingen uit

om  “alle volken tot leerlingen te maken”.

Daaraan herinnert U ook ons door het doopsel:

wij delen allen in de missie van de Kerk.

Sterk ons met de gaven van de Geest,

zodat wij dapper en onvermoeibaar

blijven getuigen van het evangelie.

Zo kan de Kerk haar opdracht

die nog lang niet voltooid is,

nieuwe uitdrukkingen geven

die leven en licht brengen in onze wereld.

Help ons om de reddende liefde

en de genade van Jezus

tastbaar te maken voor alle mensen.

Dat vragen wij U in naam van Jezus Christus

(gebed van paus Franciscus voor de

Buitengewone Missiemaand 2019)

 

--------------------------------------------------

[1] E~xodus 17, 8-13; 2 Timotheüs 3,14 - 4,2; Lucas 18, 1-8