Preek

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 1 augustus 2021

                       Achttiende zondag door het jaar[1]

 

 Zelf als brood worden, een mens worden, een nieuwe mens worden, de oude afleggen met zijn bedrieglijke begeerten; durven uit te delen, levend brood, een levend lichaam; je grootste rijkdom en verzadiging vinden in de ontmoeting met elkaar en met Jezus en zijn hemelse Vader.

Het volk had dorst, het volk leed honger.

Het volk was uit zijn doen, ontregeld;

innerlijk, geestelijk was het de weg kwijt.

Het volk wilde terug naar het verleden, terug naar het oude normaal.

 

De Israëlieten waren bevrijd, weg uit de slaven-samenleving van Egypte. Daar was hun leven teruggebracht tot vroeg opstaan, in dichte drommen, in files naar het werk, tot sjouwen, zweten, onderhorig aan de klok en aan leidinggevenden die mensen alleen maar zagen als verdienmodel.

Een samenleving waar efficiency op nummer één stond en de mens, de kwetsbare, sterfelijke mens en de zorg voor die mens op plaats twee, drie of nog lager. De mens was eerder een kostenpost. En zeker de zorg om de mens. Er moest geproduceerd worden, gebouwd, verdiend.

 

God - vertelt het verhaal van het boek Exodus/Uittocht, waaruit wij vandaag een stukje hoorden - God, de onzichtbare Heer, kon dit niet langer aanzien: hoe mensen afgoden hadden gemaakt van geld, welvaart, efficiency, verdienen. Dit moest anders. Met zijn volk wilde Hij naar een nieuwe samenleving, een nieuw normaal. Met de woorden van de tweede lezing: “de oude mens van uw vroegere levenswandel  kunt u beter afleggen, laten varen…geheel uw denken moet zich vernieuwen. Bekleed u met de nieuwe mens.” Dat doet ons denken aan de doop, waarbij we worden bekleed met het doopkleed. Als gedoopte beloof je een nieuwe mens te worden; doe het oude mensbeeld wėg: de mens als verdienmodel en als hij of zij oud en ziek wordt en niet meer winstgevend is, als kostenpost. Zo was het leven in Egypte.

Maar het volk is door het water van de zee, van het doopsel gegaan, op weg naar het nieuwe normaal, op weg naar het beloofde, het veelbelovende land.

 

Vorig jaar, tijdens de eerste lockdown hoorde je niet weinig mensen daarvan dromen. Zouden we hiervan leren? Dat er nog andere waarden in het leven zijn? Dat de zorg voor de mens, voor de leefomgeving van de mens, voor onze kwetsbare, uitgeputte aarde, - ons leven, ons samenleven zou kunnen vernieuwen, ja de aarde, de mens zou kunnen redden?

 

Maar het valt velen niet mee die mentaliteit, die goede gedachten vast te houden. Zoals eertijds het volk in de woestijn. ‘Nu zijn we lang genoeg uit ons gewone doen geweest. We hebben dorst, we hebben honger. We willen terug naar Egypte, het verleden.’

 

Ook in onze kerk zie je zoiets. Een klein gedeelte van de gelovigen en de priesters zijn in de afgelopen decennia teruggekeerd naar de oude liturgie van vóór 1964. Sommigen wilden en willen dat uit oprechte vroomheid, maar niet weinigen gebruiken die terugkeer naar oude vormen als een protest tegen het heden, tegen de huidige paus, tegen deze moderne wereld waartegen zij zich krachtig verzetten. De vorige paus vond het onder voorwaarden goed. Oud en nieuw liet hij naast elkaar bestaan, omwille van de eenheid van de kerk. Maar deze goede bedoeling van paus Benedictus is in haar tegendeel verkeerd: de verdeeldheid is groter geworden, de tegenstellingen en vijandschappen zijn alleen maar scherper en giftiger geworden. Nu heeft paus Franciscus ingegrepen. Er  zal nog maar één liturgie zijn, de vernieuwde liturgie. Hij geeft ons allen de opdracht die zo goed mogelijk, zo toegewijd mogelijk, zo stijlvol mogelijk te vieren. De toekomst van de kerk is niet het verleden, met zijn antieke vormen, hoe mooi ook. Wij zijn geroepen in het heden te leven, met de rijke woorden van de Schrift, de stijlvolle, betekenisvolle gezangen, de liturgie van de altaartafel.

 

“Werk niet voor het voedsel dat vergaat maar voor het voedsel dat blijft ten eeuwigen leven en dat de Mensenzoon u zal geven”, zegt Jezus ons vandaag in zijn grote toespraak over het brood, waaruit wij vandaag en de komende zondagen zullen horen.

Er is nog een ander soort voedsel in ons leven dan de vleespotten, de overvloed waarmee wij onze maag kunnen vullen en onze dorst kunnen lessen.

 

Jezus spreekt in beelden. Hij gebruikt voor zichzelf één van zijn vele namen die in het Nieuwe Testament worden genoemd. “Ik ben het Brood van het leven; wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen”.

Het ware bood en de echt dorst-lessende drank heeft met Hem te maken, met zijn Lichaam, het gebroken Brood dat wij in elke eucharistieviering ontvangen. Het Brood van het leven. Niet alleen het brood, de mens als verdienmodel en kostenpost, maar de ander als geschenk, als genade. Getransubstantiëerd van verdienmodel en kostenpost naar gratis gave, genade.

 

Daaraan, daarvoor moet je werken, zegt Jezus. Anders zit je wel bij de vleespotten van de consumptiemaatschappij, eet je je buikje rond en drink je maar door, maar blijf je eenzaam achter, opgesoupeerd, tot je geen pap meer kan zeggen, als een sinaasappel uitgeperst.

 

Werk voor het voedsel dat blijft, Brood van het leven, Brood van eeuwig leven, het Brood van de ontmoeting, dat je niet gierig naar je toetrekt, maar dat je ontvangt, dat voor jou en door jou gebroken wordt.

Jezus zegt: Ik ben zelf als brood.

Daarin kunnen we Hem volgen. Zelf als brood worden, een mens worden, een nieuwe mens worden, de oude afleggen met zijn bedrieglijke begeerten; durven uit te delen, levend brood, een levend lichaam; je grootste rijkdom en verzadiging vinden in de ontmoeting met elkaar en met Jezus en zijn hemelse Vader.

“Het echte brood uit de hemel wordt u door mijn Vader gegeven.”

Amen.

 

p. N van der Peet

 

--------------------------------------------------------

[1] Exodus 16, 2-4. 12-15; Efeziërs 4, 17. 20-24; Johannes 6, 24-35