Preek

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, zondag 17 oktober 2021

                      Feest van Kerkwijding (12 oktober 2014)[1]

 

En Jezus? “Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen”.

 

Afgelopen woensdag was ik te gast in de Breitneracademie, de hogeschool voor vormgeving en kunst aan het Overhoeksplein, gevestigd in een oud gebouw van Shell. Een unheimische plek, een verveloos industrieel gebouw, waar jonge mensen die de kunst in willen, het toneel op willen of regisseur worden, hun opleiding krijgen. Een van de examenkandidaten had me uitgenodigd om haar proefstuk te komen zien. Een kort toneelstuk naar een werk van Samuel Becket, een van de grootste toneelschrijvers van de 20ste eeuw. Mooie, moeilijke, niet altijd erg vrolijk stemmende stukken die gaan over de absurde aspecten van ons leven en over de menselijke zoektocht naar zin.

 

Alles was in dat oude Shellgebouw anders dan anders. Er was geen zaal, er was alleen maar podium. Daarin waren ongeveer twintig gaten uitgezaagd. Wij, het twintigkoppige publiek, moesten diep bukken en ons hoofd door een van de gaten steken. Daarna werd een stoel onder ieder van ons geschoven. Een beklemmende ervaring kan ik u zeggen. Dat was ook wel de bedoeling.

 

De prachtig spelende jonge actrice acteerde vanuit haar eigen gat in het podium het ochtendritueel van een vrouw alleen, staande voor de spiegel. Ze begon met een zeer geconcentreerd uitgesproken ochtendgebed en zij lachte onder Gods oog de dag tegemoet, ging eindeloos lang haar tanden poetsen, daarna haar goede voornemens voor de dag uitspreken, de stand van zichzelf opnemen: ‘het gaat goed, niet slechter, niet beter, gewoon goed, geen pijn, ja een beetje hoofdpijn, migraine soms’.

 

Door onze geïsoleerde positie werden wij als toeschouwer ook acteur, ieder van ons alleen, onbeweeglijk op zijn eigen plaats, niet echt in staat elkaar naderbij te komen. Ieder op zichzelf. Ik moest denken aan mijn woning en hoe ik heel soms bedenk als ik ’s morgens voor de spiegel sta bij het scheren en tanden poetsen, dat in het grote flatgebouw waarin ik woon er talloze mensen zijn, staande op hetzelfde uur voor hun spiegel tanden poetsend, nadenkend over de al of niet verkwikkende slaap van de nacht, hoe zij zich voelen, peinzend over de to do list van de pas aangebroken dag. Ieder in zijn/haar eigen gat van het podium van het leven.

 

Vandaag vieren wij de gedachtenis van de wijding van ons kerkgebouw, 12 oktober 2014. De kerk vindt dat je die dag elk jaar plechtig, feestelijk hoort te vieren. Heel goed, lijkt mij. Ons kerkgebouw. We hebben er in Noord nog maar één die als katholieke kerk gebruikt wordt. We moeten er zuinig op zijn en heel dankbaar. Eén van de leden van het Stephanuskoor, vandaag voor het eerst weer zingend in de liturgie sinds maart vorig jaar, één van de leden zei mij onlangs dat voor haar de kerk haar tweede huis is.

 

Eenmaal per week of vaker, of wat minder vaak, verlaten u en ik onze eigen woning, waar we alleen zijn of met onze partner of met ons gezin, doorbreken wij de afzondering van ons eigen bestaan, of met het toneelstuk van woensdag, ontworstelen wij ons aan ons eigen gat op het levenstoneel.

 

Om dit huis te betreden en te delen met tientallen andere mensen, die wij niet zelfstandig uit eigen voorkeur hebben gekozen, maar die wij hier aantreffen. Mensen van allerlei achtergrond, jong en oud, hier geboren of elders, met partner, gezin of alleen. Wat ons bijeenbrengt is het woord van de Bijbel, van Jezus vooral, zijn maaltijd, zijn communie met ons en wij met elkaar in zijn aanwezigheid. “Vandaag wil Ik, Jezus, in jullie huis te gast zijn”.

 

Het evangelie van Kerkwijding is dat van Zacheüs. Hij ziet niet vast in een gat, maar is wel schijnbaar hopeloos, uitzichtloos alleen. Maar een mens kan niet alleen blijven. Zacheüs, lichamelijk en geestelijk een klein mannetje, zoekt zoals iedere mens, een uitzicht, een uitkomst, een uitweg. Hij klimt hoog in de boom.

 

Hij is niet thuis in de samenleving van de kleine stad Jericho. Een stad als een oase in de woestijn. Het zou daar zo mooi kunnen zijn. Er is water en vruchtbaarheid genoeg. Maar alle mensen staan op zichzelf. Zij hebben de samenleving verdeeld in de good guys en de bad guys. Rechtvaardigen en zondaars. Iedereen weet onuitgesproken feilloos bij welke groep zij of hij behoort.

En Jezus? “Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen”. Bij een man die gefaald heeft, zozeer voor zichzelf heeft gekozen, zijn rijkdom, zijn welvaart dat hij gruwelijk eenzaam is geworden, vastgeklonken in zijn eigen gat, geen kant kan hij op. Juist bij hem gaat Jezus op bezoek. Opvallend is dat Zacheus geen biecht spreekt. Jezus verwijt hem niets, houdt geen donderpreek: ‘jij lelijke afperser van jouw arme volk’. Zijn aanwezigheid in dat zondige tolhuis is voldoende om Zacheus tot inkeer te brengen. Elkaar ontmoeten in dat ene huis waar Jezus onze gast is.

 

“De Mensenzoon is gekomen om te zoeken, en om te redden wat verloren is.” Laten wij dit huis blijven bezoeken, dit ‘tweede huis’ van ons, dat heil ten deel valt door de aanwezigheid van Jezus die bij ons te gast wil zijn, wie wij ook zijn, opdat wij mensen met nieuw uitzicht worden, los gekomen uit ons isolement, onze beslotenheid, - kerkgemeenschap geworden en daaraan steeds weer bouwend. Zo moge het zijn. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------------------------

[1] 1Koningen 8, 22-23. 27-30; psalm 84; Efeziërsbrief 2, 19-22; Lucas 19, 1-10