Preek

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 18 oktober 2020

                      29ste zondag door het jaar. Wereldmissiedag.[1]

 

 

“Laat mij de belastingmunt eens zien”.

 

Wat stond er in Jezus’ dagen eigenlijk op de belastingmunt?

 

Ik heb het eens voor u opgezocht deze week: “Tiberius Caesar, filius divi Augusti, summus pontifex: Keizer Tiberius, zoon van de goddelijke Augustus, hogepriester”.

Tussen haakjes: toen het Romeinse keizerschap in verval raakte, ging de titel hogepriester, summum pontifex, over van de keizer van Rome naar de bisschop van Rome, de paus. En deze titel bezit hij nog steeds. Voor het eerst in de geschiedenis hebben wij nu een paus die deze verheven titel bij zijn ondertekening niet gebruikt.

 

De naam en de afbeelding van de keizer stonden op de munt.

“Geef aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt”.

Het heeft er alle schijn van dat Jezus geen anarchist was. Hoe feilbaar aardse heersers ook kunnen zijn, beter een regering, een staat die de chaos bedwingt dan anarchie. Want dan is niemand meer veilig.

 

Vandaag horen we trouwens over twee welhaast almachtige wereldleiders: in de eerste lezing Cyrus, de jonge vorst van de Perzen. En dan die keizer van Jezus’ tijd: Tiberius. Even iets anders vanmorgen dan Trump en Biden, of Rutte en Willem-Alexander (die met zijn mooie gezin heen en weer vliegt over ons continent). Tja, wie weet nu wél waar hij het in deze crisistijd zoeken moet?

 

Cyrus kende God niet, horen wij Jesaja zeggen. Maar God kende Cyrus wel en had hem nodig…om zijn volk Israël dat in ballingschap zuchtte, te bevrijden. Mooi is dat, volgens de bijbel is God niet eenkennig. Om mensen te bevrijden schuift God alle regels opzij en zet hij een heidense koning is die zichzelf als een god beschouwt. De godsdiensten, Gods bedienaren, imams, priesters, bisschoppen willen nog wel eens binnenkerkelijk willen blijven (we zetten alleen praktiserende kerkgangers in), God ziet over kerkgrenzen heen en ziet mogelijkheden voor iedere mens, ook voor een ongelovige wereldleider. God speurt niet de doopboeken door, maar Hij speurt in mensenharten en -gewetens, in uw en mijn hart of wij met Hem willen meewerken aan bevrijding, aan rechtvaardigheid, aan liefdevol handelen.

 

Ook Jezus leeft vanuit zo’n groot hart, zo’n wijde blik, zo’n onbekrompen mentaliteit. Hij is dat goddelijk hart geworden.

 

Zo’n groot hart wordt ons vandaag gevraagd. Het is Wereldmissiedag, Missiezondag. De kerk is een missiebeweging. De eeuwen door zijn mensen in beweging gekomen om de bevrijdende boodschap van het evangelie over eigen grenzen heen te verkondigen, te beleven, handen en voeten te geven door dienstbaar te zijn aan de ontwikkeling, het geluk, ja het eeuwig geluk van mensen. Vandaag denken wij aan vrouwen en mannen in West-Afrika, Niger en Nigeria, die het lef hebben vredestichters te zijn in landen waar de godsdienstige tegenstellingen tot geweld leiden. Onze kerk is op haar betere momenten niet bang om haar eigen omheining te doorbreken en de hand uit te steken naar andere culturen en nationaliteiten, ook als die vijandig zijn of lijken.

 

“Geef aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt”.

Jezus wil niet dat wij de wereld ontvluchten en leven in een kerkelijk isolement en de wereld alleen als negatief beschouwen. We moeten belasting betalen ook al gebeurt er met het belastinggeld wel eens iets dat niet bij onze levensbeschouwing past.

 

Maar er is een grens: “Geef aan God wat God toekomt”.

De staat, de overheid mag ons claimen als het gaat om belasting, om rechtvaardig bestuur en beleid, maar zij mag niet het goddelijke domein claimen. Gods claim is groter dan die van de staat. In deze weken beleven we er iets van. De overheid geeft dringende adviezen aan de kerkgemeenschappen in ons land. Niet meer dan adviezen, hoe dringend ook, want gelukkig is de godsdienstvrijheid in de grondwet verankerd. De staat mag niet achter de deur van de kerk komen. Uiteraard luisteren wij naar het dringende advies van de overheid (niet meer dan 30 personen in de kerk), maar zij kan en mag niet binnenkomen om ons te dwingen. Je kunt de eredienst niet vergelijken met een sportwedstrijd, hoe goed en fijn die ook is. Wat hier gebeurt is geen theater of ontspanning, hoe heerijk die ook zijn: hier gaat het om ons hart en onze ziel, om wie wij zijn, ieder een uniek mens, beeld van God.

 

Eigenlijk zijn wij mensen als munten. Niet het beeld van een aardse machthebber is op ons gedrukt, zoals op onze euro’s en in Jezus tijd op de belastingmunt, maar het beeld van de onzichtbare God is in ons, in iedere mens afgedrukt, neergelegd. Bij het doopsel van onze kinderen en van volwassenen beleven wij dat bijzonder, vieren wij dat. Wij zijn niet van onszelf, wij zijn geen bezit ook van een ander, zelfs niet van je levenspartner of je ouders. Wij zijn ook niet het bezit van de staat of van welke macht op aarde ook. Ook al wordt dat soms wel geprobeerd door aardse machthebbers, in het verleden en in het heden in sommige landen.

 

Ieder van ons is van de onzichtbare God, die mens geworden is in Jezus. Hij is hét beeld van God bij uitstek. Wij pogen het steeds meer te worden, in navolging van Jezus. “Niemand leeft voor zichzelf, niemand sterft voor zichzelf, wij leven en sterven voor God onze Heer. Aan Hem behoren wij toe”. Amen.

 

Nico van der Peet

 

 -------------------------------------------------------

[1] Jesaja 45, 1.4-6; 1 Tessalonicenzen 1, 1-5b; Matteüs 22, 15-21