Preek

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 29 maart 2020

                       Vijfde zondag in de Veertigdagentijd[1]

 

“Maria was de vrouw die de Heer met geurige olie had gezalfd

     en zijn voeten met haar haren had afgedroogd.”

 

 

 

Maria, één van de twee zussen van Lazarus, lijkt geen vrouw van veel woorden te zijn. Zij beschikt over andere mogelijkheden om haar liefde, vriendschap, verbondenheid te uiten.

Zij had ooit Jezus gezalfd met geurige olie en zijn voeten met haar haren afgedroogd. Geen woord, alleen maar een gebaar van tederheid, haar zalving. In onze katholieke godsdienst kennen wij dat gebaar ook, dat gebaar vol schoonheid en tederheid: de zalving bij meerdere sacramenten, de aanraking.

 

Wat wij nu niet mogen.

Wij moeten nu doen wat strijdig is met ons menselijk gevoel: elkaar niet aanraken. Een verpleegkundige mag geen arm slaan om de schouder van angstige familieleden van ernstig zieken. Kinderen mogen hun ouders in het verzorgings- of verpleeghuis niet bezoeken, niet omhelzen, maar alleen van verre zwaaien, vanaf de straat of via het computerscherm.

Nu meer dan ooit ervaren wij dat wij geest én lichaam zijn.

Wij zagen dat gisteravond ook bij de pauselijke zegen voor stad en wereld, urbi et orbi. Als u het nog niet gezien hebt, ga straks naar uitzending gemist. Het was een zeer ontroerend gebeuren van een schoonheid en een tederheid die je niet vlug een tweede keer zult zien.

 

Paus Franciscus, een echte geestelijk leidsman, een godsgeschenk voor de wereld van vandaag, hield een preek die velen en ook mij zeer ontroerde. Maar even indrukwekkend was zijn aanwezigheid zonder woorden: zijn moeizame beklimming van het bordes op het Sint Pietersplein, het buiten adem uitgesproken openingsgebed, de zeven stille minuten voor het allerheiligst sacrament. De onder klokgelui en sirene-gehuil gegeven drievoudige zegen zonder woorden.

 

Maria maakte alleen maar een gebaar van tederheid, van grenzeloos vertrouwen. Zij wacht op Jezus.

Dan zegt haar initiatiefrijke zus Marta: “De Meester is er en vraagt naar je”. Jezus heeft de aanwezigheid van Maria nodig, haar liefde, haar tedere nabijheid. Jezus heeft onze liefde en tederheid nodig. Onze harten, handen en liefde heeft HIj nodig.

 

De weinige woorden van Maria en bovenal haar tranen brengen ook Jezus in tranen.

Jezus begon te wenen,

zodat de Joden zeiden:

     „Zie eens hoe Hij van hem hield."

 

Jezus huilt om onze worsteling met onze menselijke kwetsbaarheid en met de dood. Hij huilt om het verdriet van Maria en om de dood van zijn vriend Lazarus. Hij dompelt zich onder in ons verdriet.

 

En Hij betoont Zich de Zoon van God. Hij overwint de dood.

Zoals de gelovigen ten tijde van de crisis van de ballingschap ook al mochten ervaren. Ezechiël zegt het in Gods Naam: “Ik ga uw graven openen.”

 

Ook Paulus bemoedigt ons vandaag: ons bestaan wordt niet beheerst door de zelfgenoegzaamheid, maar door de Geest, die ons sterfelijk lichaam eenmaal levend maakt…

 

Dat mogen wij in onze onzekere, eenzame, verdrietige dagen ervaren. Ons bestaan wordt niet beheerst door zelfgenoegzaamheid. Misschien hebben wij dat wel eens gedacht: dat wij onszelf genoeg zijn, ieder voor zich, ik alleen autonoom in mijn persoonlijk levensproject. Nu ervaren wij dat dat geen leven is, dat wij op elkaar zijn aangewezen, aan elkaar toevertrouwd, dat wij zusters en broeders zijn, dat wij - om met de paus te spreken - allemaal in dezelfde boot zitten die belaagd wordt door de storm.

 

Wij zijn niet alleen in de storm van de pandemie. De Heer is bij ons, wij mogen Hem roepen. Hij zal opstaan en de dood overwinnen. Wij zijn onderweg naar Pasen: wij delen in zijn lijden om ook door Hem, zoals ooit Lazarus, uit het gebied van de dood naar het land van het leven te worden geroepen.

Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

-------------------------------------------------------------------

[1] Ezechiël 37, 12-14; psalm 130; Romeinenbrief 8, 8-11; Joh., 11, 1-7. 17. 20-45