Preek

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus,

                       13/14 juli 2016

                       Vijftiende zondag door het jaar.[1]

 

 

Zes jaar geleden stond de paus op Lampedusa en afgelopen maandagmorgen in alle vroegte alweer in de Sint Pieter, in het broeierige Rome, om de kerk, de kardinalen, bisschoppen, priesters en diakens voorop, uit hun bubbel te halen, uit hun smetteloos, fraai ogende wereldje, uit hun blind op weg zijn naar de tempel en uit hun negéren van die talloze mensen die langs de kant van de weg liggen: gewond, naar lichaam en ziel, niet zuiver, niet rein, niet geheel beantwoordend aan de hoge idealen.

 

 

 

 

Afgelopen maandag was de paus vroeg in morgen alweer in de Sint Pieter te vinden. Anders dan zijn voorgangers brengt hij de snikhete Romeinse zomer niet door in een pauselijk paleis hoog en droog en koel in de Albaanse bergen, maar gewoon in het Vaticaan, in zijn hotelkamer, waar hij woont sinds zijn verkiezing in 2013. In de zomer van 2013, een paar maanden na die opmerkelijke pauskeuze, bracht hij een eerste pastoraal bezoek buiten het Vaticaan. Afgelopen maandag herdacht hij dit bezoek, dat hij bracht niet aan een hoofdstad, een president en een plaatselijke kardinaal, maar aan Lampedusa. Dat eiland voor de Italiaanse kust, het eerste dat je bereikt als je per boot, motorboot of rubberen vlot vanuit Noord-Afrika komt, is voor vele vluchtelingen de toegangspoort naar ons continent. Als ze dit tenminste levend bereiken. Daar op Lampedusa vierde hij 8 juli 2013 de eucharistie, op een tot altaar omgebouwd vluchtbootje. Hij bad voor- en bewees eer aan de talrijke verdronken mensen die Europa hadden proberen te bereiken en deed een dringend beroep aan de Europeanen, ons als naasten te gedragen van die mensen die een leefbaar bestaan zochten. Afgelopen maandagmorgen vierde hij de eucharistie met mensen van allerlei afkomst: Afrika, het Midden-Oosten, Azië. Hij betoont zich een naaste voor deze mensen, in weerwil van de huidige Italiaanse regering, die de poort hermetisch wil sluiten. Begrijpelijk, want het land heeft enorm veel mensen opgevangen en andere Europese landen kijken niet zelden de andere kant op. Onverbiddelijk voert de regeling in Rome een hard beleid. Aan de andere kant van de Tiber betoont de paus zich even onverbiddelijk een naaste voor deze mensen.

 

“Wie is mijn naaste?”

Zo luidt de vraagt van de wetgeleerde aan Jezus, die de vrome man meteen doorverwijst naar de Tora, de heilige Schrift, de Wet van God. Wat lees je daar? De wetgeleerde geeft een voortreffelijk antwoord. Je zult de Heer je God met alles wat in je is liefhebben en je naaste als jezelf.

Twee bijbelse geboden, die in de Schrift los van elkaar worden vermeld, plakt hij terecht aan elkaar. Liefde tot God en tot de naaste mag je niet van elkaar losmaken. Anders wordt de godsdienst leeg en vals en kan de dienst aan de medemens oppervlakkig en vluchtig worden.

Het antwoord was heel mooi, maar hoe zit het met de vraag die hij daarna aan Jezus stelt, die vraag waarmee hij zijn eerdere vraag wilde verantwoorden. Die eerder vraag luidde: “wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?” en de tweede: “wie is mijn naaste?”.

 

De man plaatst zichzelf in het centrum van zijn leven. Hij wil eeuwig leven. De vraag komt op: is hij alleen maar vroom en gelovig en tempelganger, omdat hij eeuwig wil leven, in de hemel wil komen? Is hij alleen maar met zichzelf bezig? Hij lijkt wel een beetje op die priester en diaken/leviet uit de gelijkenis, het verhaal van Jezus. Zij zijn onderweg van Jericho naar Jeruzalem.

Met andere woorden: deze vrome bedienaren van het altaar zijn onderweg naar de tempel. Heel hun leven, hun blik, hun perspectief is op God gericht en op zijn tempel, waar zij de eredienst verrichten.  Zij zijn zo met heel hun hart en ziel op God gericht dat de mens op hun weg naar de tempel een obstakel is geworden. Met een boog liepen zij om hem heen. Godsdienstige mensen kunnen gevangen zitten in hun eigen bubbel: hun handen willen zij schoon houden voor een volmaakte eredienst; zij hebben smetvrees voor deze harde, rauwe wereld.

 

Paus Franciscus stond toen op Lampedusa en afgelopen maandagmorgen in alle vroegte alweer in de Sint Pieter, in het broeierige Rome, om de kerk, de kardinalen, bisschoppen, priesters en diakens voorop, uit hun bubbel te halen, uit hun smetteloos, fraai ogende wereldje, uit hun blind op weg zijn naar de tempel en uit hun negéren van die talloze mensen die langs de kant van de weg liggen: gewond, naar lichaam en ziel, niet zuiver, niet rein, niet geheel beantwoordend aan de hoge idealen. De kerk, zegt hij, moet zijn als een veldhospitaal, waar geestelijk en lichamelijk gewonde mensen worden  ontvangen en verbonden, wie zij ook zijn en waar zij ook vandaag komen.

 

Met zachte hand helpt Jezus de wetgeleerde anders te gaan kijken. Stelde hij de vraag aan Jezus: “wie is mijn naaste”, en plaatste hij daarmee zichzelf in het centrum van zijn leven, Jezus nodigt hem uit de ander, zijn medemens in het middelpunt te plaatsen: “wie van de drie lijkt u de naaste te zijn van de man die in handen van de rovers gevallen is?”

Het antwoord van de wetgeleerde is opnieuw heel goed, hoewel aarzelend in zijn formulering: “Die hem barmhartigheid betoond heeft”. Het woord ‘Samaritaan’ krijgt hij niet over zijn lippen. Een Samaritaan was een buitenlander, een halve heiden, -van een ander, niet rechtzinnig geloof.

Die Samaritaan was een man die niet krampachtig op Jeruzalem, de tempel was gefocust, op zijn godsbeeld, op God die hij niet kon zien, maar wel op die gewonde mens langs de kant van de weg, die hij wel kan zien. In die mens, in al die mensen die zoals hij slachtoffer zijn geworden, openbaart God zich aan ons. Barmhartigheid is de weg naar eeuwig leven. Amen.

 

Nico van der Peet

 

----------------------------------------------------------------

[1] Deuteronomium 30, 10 - 14; Kolossenzenbrief 1, 15 - 20; Lucas 10, 25 - 37